
Jurisprudentie
BF1937
Datum uitspraak2008-09-18
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2738 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2738 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Beroep bij rechtbank tegen niet tijdig nemen van nieuw besluit op bezwaar. Beslistermijn. Geen gebruik gemaakt van adviescommissie, derhalve termijn van 6 weken. Beroep na die termijn ingediend. Nadien nieuw besluit genomen. Aangezien geen belang meer, niet-ontvankelijkverklaring op andere grond. Proceskosten. Wegingsfactor.
Uitspraak
07/2738 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 mei 2007, 06/4202 en 06/4951 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het Dagelijks Bestuur van [naam bedrijven] (hierna: dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 18 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van het geding ter zitting achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster bij het bedrijf Industriële Diensten van [naam bedrijven].
1.2. Bij besluit van 20 mei 2005 heeft het dagelijks bestuur appellante boventallig verklaard en haar medegedeeld dat een traject van arbeidsbemiddeling zal worden ingegaan om een functie buiten [naam bedrijven] voor haar te vinden.
Bij besluit van 20 januari 2006 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 mei 2005 ongegrond verklaard.
1.3. Bij uitspraak van 28 juni 2006, 06/212 en 06/772, heeft de rechtbank Arnhem, voor zover hier van belang, het beroep van appellante tegen het besluit van 20 januari 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het dagelijks bestuur opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak.
1.4. Bij brief van 11 augustus 2006 heeft appellante beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het volgens haar niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar in de zin van artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), als waartoe de rechtbank in haar uitspraak van 28 juni 2006 opdracht had gegeven.
1.5. Op 7 september 2006 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 mei 2005 opnieuw ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat in dit geval een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld zodat het dagelijks bestuur, gelet op artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, uiterlijk op 6 september 2006 een nieuw besluit op bezwaar diende te nemen. Nu het beroepschrift op 11 augustus 2006 is ingediend, heeft deze indiening voortijdig plaatsgevonden. Voorts ontbraken naar het oordeel van de rechtbank omstandigheden als in het eerste lid van artikel 6:10 van de Awb onder a en b vermeld.
Verder heeft de rechtbank het beroep voor zover dit geacht werd te zijn gericht tegen het besluit van 7 september 2006, gegrond verklaard en dit besluit vernietigd met de opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar.
3. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de in de aangevallen uitspraak vervatte niet-ontvankelijkverklaring. Dienaangaande is aangevoerd dat niet is gebleken dat in dit geval een adviescommissie was ingeschakeld zodat de beslistermijn, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, geen tien maar zes weken bedroeg.
4.1. De Raad overweegt dat het dagelijks bestuur hem desgevraagd heeft bericht dat ten behoeve van het nemen van het (nieuwe) besluit op bezwaar van 7 september 2006 geen gebruik is gemaakt van een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb. Dit brengt mee dat volgens het hier toepasselijk te achten artikel 7:10, eerste lid, van de Awb dient te worden uitgegaan van een beslistermijn van zes weken vanaf 28 juni 2006, de datum waarop de uitspraak van de rechtbank van diezelfde datum is verzonden. Dit betekent dat het dagelijks bestuur uiterlijk op 9 augustus 2006 een nieuw besluit op bezwaar had dienen te nemen. Nu dit niet is gebeurd en appellante pas na deze datum haar beroepschrift bij de rechtbank heeft ingediend, moet de conclusie zijn dat de rechtbank dit beroep op onjuiste grond niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.2. De niet-ontvankelijkverklaring als zodanig is echter wel terecht. Appellante had immers geen belang meer bij een oordeel over haar beroep tegen het uitblijven van een besluit nu het dagelijks bestuur op 7 september 2006 alsnog opnieuw op het bezwaar heeft beslist en dit besluit onderdeel uitmaakte van het geding bij de rechtbank. Aangezien voormeld beroep zoals is overwogen in 4.1 terecht was ingesteld, had de rechtbank op dit punt een proceskostenveroordeling moeten uitspreken. Nu dit niet is gebeurd, dient de aangevallen uitspraak in zoverre te worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding de zaak zonder terugwijzing naar de rechtbank zelf af te doen. De voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten zijn beperkt tot de kosten van verleende rechtsbijstand ter zake van het indienen van een beroepschrift. Aan het instellen van beroep bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit kent de Raad de wegingsfactor “zeer licht” (0,25) toe. Dit leidt tot een veroordeling van het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van
0,25 x € 322,- = € 80,50.
4.3. De Raad acht termen aanwezig het dagelijks bestuur met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten betreffen de verleende rechtsbijstand inzake het instellen van dit hoger beroep. De Raad hanteert de wegingsfactor “licht” (0,5). De te vergoeden proceskosten in hoger beroep bedragen 0,5 x € 322,- = € 161,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij geen proceskostenveroordeling is uitgesproken ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar;
Veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 241,50, te betalen door [naam bedrijven];
Bepaalt dat [naam bedrijven] aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 214,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 september 2008.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) M.B. de Gooijer.
HD