Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1932

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAlmelo
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/30858
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vreemdelingenbewaring / Afghanistan / geen zicht op uitzetting
De rechtbank is, onder verwijzing naar twee door eiser overgelegde brieven van het Afghaanse consulaat d.d. 11 augustus 2008 en 9 september 2008, van oordeel dat er geen zicht bestaat op uitzetting naar Afghanistan. In de brief van 11 augustus 2008 heeft het Afghaanse consulaat-generaal aangegeven dat de Islamitische Republiek Afghanistan tegen een onvrijwillige terugkeer is. Hieraan wordt door de autoriteiten van dat land geen enkele medewerking verleend. In dergelijke gevallen mag evenmin een stilzwijgend ‘geen bezwaar’ van de zijde van de Afghaanse autoriteiten worden aangenomen. Daarnaast staat in de brief van het Afghaanse consulaat-generaal van 9 september 2008 dat, indien verweerder de rechter tracht te overtuigen dat er zicht bestaat op uitzetting door te verwijzen naar eerdere gevallen waarin men stelt daarin ook geslaagd te zijn, dit iets circulairs heeft en daar vraagtekens bij kunnen worden geplaatst, zolang niet feitelijk vaststaat of dit dan echt uitzettingen betrof die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en zulks dan ook met de ondubbelzinnig verkregen instemming van de Afghaanse overheid. Indien men de Afghaanse autoriteiten voor voldongen feiten wist en weet te plaatsen, dan is dit nog niet hetzelfde als een werkelijke instemming of een ‘geen bezwaar’ van de zijde van de Afghaanse overheid, zo blijkt uit deze brief. Het MoU noemt een eventuele onvrijwillige terugkeer enkel als ‘last resort’. Daarbij wordt echter wel uitdrukkelijk het belangrijke beding vermeld van een ‘fair consideration of all humanitarian aspects’. Dit maakt niet dat die ‘consideration’ unilateraal door Nederland kan plaatsvinden. Indien humanitaire aspecten aan de orde zijn, is dan ook nader overleg met de Afghaanse overheid gewenst. De EU-Staat wordt niet in het MoU genoemd, gebruik ervan maakt het wel strijdig met het MoU en zijn bedoeling, indien het enkel een methode blijkt om onwenselijk geachte onvrijwillige terugkeer te forceren, aldus de brief van 9 september 2008.


Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE Sector Bestuursrecht vreemdelingenkamer nevenzittingsplaats Almelo regnr.: Awb 08/30858 VRONTN/CM uitspraak van de enkelvoudige kamer op het beroep tegen het voortduren van de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende: [eiser], geboren op […] te […], van Afghaanse nationaliteit, thans verblijvende aan boord van de detentieboot te Dordrecht, justitienummer: […], eiser, gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij, advocaat te Amsterdam; tegen DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.B. Rijpma, ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). 1. Procesverloop Op 1 april 2008 is eiser met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld. Bij brief van 26 augustus 2008 is beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiser en aan de rechtbank toegezonden. Eiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Bij brief van 29 augustus 2008 heeft eiser van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Het beroep is behandeld ter zitting van 8 september 2008. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Ter zitting was een tolk aanwezig. Ter zitting is door eiser een brief d.d. 11 augustus 2008, gepubliceerd op Vluchtweb, van het Afghaanse consulaat in Den Haag overgelegd. Teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om op deze brief te reageren, is het onderzoek ter zitting geschorst. Voorts is eiser in de gelegenheid gesteld om op de reactie van verweerder te reageren. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Tevens is door eiser een brief van het Afghaanse consulaat-generaal in Den Haag d.d. 9 september 2008 overgelegd. Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege blijven van een nadere zitting. Vervolgens heeft de rechtbank op 17 september 2008 het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen Op 1 april 2008 is eiser in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 25 juli 2008 heeft de rechtbank een eerder tegen de bewaring gericht beroep ongegrond verklaard. Thans staat ter beoordeling of het voortduren van de bewaring gerechtvaardigd is. Eiser heeft de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren, de opheffing van de bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de maatregel onrechtmatig is, omdat deze in strijd met de wet moet worden geacht. Daarnaast meent eiser dat de bewaring bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet is gerechtvaardigd. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat de vrijheidsbenemende maatregel hem enkel is opgelegd en voortduurt voor een doel waarvoor deze niet is bedoeld. Bovendien stelt eiser dat geen sprake is van een tijdelijke belemmering om tot uitzetting over te gaan en dat er geen zicht is op uitzetting naar Afghanistan. Tevens meent eiser dat er door verweerder onvoldoende voortvarend is gehandeld. Verweerder heeft de rechtbank verzocht het beroep ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van schadevergoeding af te wijzen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het voortduren van de bewaring is gerechtvaardigd en dat er voldoende voortvarend is gehandeld. Verweerder is van mening dat er zicht op uitzetting bestaat voor gedwongen terugkeer naar Afghanistan. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Door eiser is, onder verwijzing naar brieven van het Afghaanse consulaat d.d. 11 augustus 2008 en 9 september 2008, aangevoerd dat de Afghaanse autoriteiten zich verzetten tegen gedwongen terugkeer van Afghaanse onderdanen naar Afghanistan. Verweerder stelt dat het Memorandum of Understanding (MoU) tussen de Nederlandse autoriteiten, de Afghaanse autoriteiten en de UNHCR van 18 maart 2003 gedwongen terugkeer mogelijk maakt met een EU-Staat. In eerdergenoemde brief van 11 augustus 2008 heeft het Afghaanse consulaat-generaal aangegeven dat de Islamitische Republiek Afghanistan tegen een onvrijwillige terugkeer is. Hieraan wordt door de autoriteiten van dat land geen enkele medewerking verleend. In dergelijke gevallen mag evenmin een stilzwijgend ‘geen bezwaar’ van de zijde van de Afghaanse autoriteiten worden aangenomen. Het is de Afghaanse autoriteiten bekend dat verweerder in gedingen rondom voorgenomen uitzettingen beweringen doet omtrent aantallen personen die onvrijwillig naar Afghanistan zouden zijn uitgezet en dat ook andere landen dat zouden doen. Het ontbreekt de Afghaanse autoriteiten aan informatie om de waarheid van die bewering en de juistheid van de daarbij genoemde aantallen te bevestigen dan wel te weerspreken, aldus deze brief. Voorts staat in de brief van het Afghaanse consulaat-generaal van 9 september 2008 dat, indien verweerder de rechter tracht te overtuigen dat er zicht bestaat op uitzetting door te verwijzen naar eerdere gevallen waarin men stelt daarin ook geslaagd te zijn, dit iets circulairs heeft en daar vraagtekens bij kunnen worden geplaatst, zolang niet feitelijk vaststaat of dit dan echt uitzettingen betrof die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en zulks dan ook met de ondubbelzinnig verkregen instemming van de Afghaanse overheid. Indien men de Afghaanse autoriteiten voor voldongen feiten wist en weet te plaatsen, dan is dit nog niet hetzelfde als een werkelijke instemming of een ‘geen bezwaar’ van de zijde van de Afghaanse overheid, zo blijkt uit deze brief. Het MoU noemt een eventuele onvrijwillige terugkeer enkel als ‘last resort’. Daarbij wordt echter wel uitdrukkelijk het belangrijke beding vermeld van een ‘fair consideration of all humanitarian aspects’. Dit maakt niet dat die ‘consideration’ unilateraal door Nederland kan plaatsvinden. Indien humanitaire aspecten aan de orde zijn, is dan ook nader overleg met de Afghaanse overheid gewenst. De EU-Staat wordt niet in het MoU genoemd, gebruik ervan maakt het wel strijdig met het MoU en zijn bedoeling, indien het enkel een methode blijkt om onwenselijk geachte onvrijwillige terugkeer te forceren, aldus de brief van 9 september 2008. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser weigert om zijn medewerking te verlenen aan zijn (gedwongen) terugkeer naar Afghanistan. De rechtbank is van oordeel dat eiser, de informatie uit eerdergenoemde brieven van 11 augustus 2008 en 9 september 2008 mede in aanmerking genomen, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen zicht bestaat op uitzetting naar Afghanistan. Daarbij moet ook betekenis worden gehecht aan het feit dat de bewaring thans bijna zes maanden heeft geduurd. Hetgeen in dit verband door verweerder is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en dient de bewaring te worden opgeheven met ingang van heden, 17 september 2008. Voor het toekennen van schadevergoeding bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroorde¬len tot vergoeding van de door de eiser gemaakte proceskosten ad € 966,-- (één punt voor het indienen van een beroepschrift, ½ punt voor het indienen van een reactie op de voortgangsrapportage, één punt voor het verschijnen ter zitting en ½ punt voor het indienen van een reactie naar aanleiding van het schorsen van het onderzoek) onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden. 3. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van heden, 17 september 2008; - wijst het verzoek om schadevergoeding af; - veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bloebaum en in tegenwoordigheid van A.G.A. Velnaar als griffier in het openbaar uitgesproken op 17 september 2008 De rechter is buiten staat te tekenen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Afschrift verzonden: 17 september 2008