Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1928

Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/7370 WAO + 07/6389 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-schattingen. Is de opvatting van de verzekeringsarts, die afwijkt van het oordeel van de behandelend specialist voldoende gemotiveerd?


Uitspraak

06/7370 WAO 07/6389 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv) en [Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2006, 06/1196 (hierna: de aangevallen uitspraak), in het geding tussen: betrokkene en het Uwv. Datum uitspraak: 19 september 2008 I. PROCESVERLOOP Op bij aanvullend beroepschrift van 6 maart 2007 aangevoerde gronden heeft het Uwv hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. M.A.C. Vijn een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft ingezonden een gewijzigde beslissing van 15 november 2007 op het bezwaar van betrokkene. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2008. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Vijn. II. OVERWEGINGEN 1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende. 1.2. Betrokkene ontving sinds 1997 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. 1.3. Bij besluit van 10 november 2005 heeft het Uwv per 5 januari 2006 de WAO-uitkering van betrokkene ingetrokken, omdat hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO wordt geacht. Bij besluit van 9 maart 2006 (hierna: bestreden besluit 1) zijn de bezwaren van betrokkene tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan de intrekking van de uitkering ligt ten grondslag dat hij weer in staat wordt geacht om met zijn beperkingen in voor hem geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat zijn verlies aan verdiencapaciteit is afgenomen naar minder dan 15%. 2.1. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, met de opdracht aan het Uwv een nieuw besluit op de bezwaren van betrokkene te nemen en met bepalingen met betrekking tot de vergoeding van proceskosten en griffierecht. 2.2. De rechtbank kan zich volgens de overwegingen van de aangevallen uitspraak niet verenigen met de medische grondslag van het besluit, waarbij zij met name belang heeft gehecht aan de verklaringen van betrokkene’s revalidatiearts C.A.J. Smit. “In de kern komt de beoordeling van betrokkene’s revalidatiearts er immers op neer dat het chronisch pijnsyndroom zich inmiddels zodanig heeft ontwikkeld dat eiser eenhandig (links) functioneert, terwijl de (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv als uitgangspunt heeft genomen dat de rechterhand wel bruikbaar is, zij het niet optimaal. Vastgesteld moet worden dat niet is gebleken van een op medische gronden steunende onderbouwing van deze, van de behandelend revalidatiearts afwijkende opvatting”, aldus de rechtbank. 3.1. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het Uwv de arbeidsbeperkingen van betrokkene niet juist heeft vastgesteld. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de visie van de medisch specialist volledig naast zich heeft neergelegd en zelf een medisch standpunt heeft ingenomen. 3.2. De Raad kan het Uwv hierin niet volgen en onderschrijft de conclusies van de rechtbank. Hoewel de Raad niet zo ver gaat om betrokkene zonder meer op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, functioneel eenarmig te noemen, wijkt het standpunt van de behandelend revalidatie-arts Smit over de belastbaarheid van de rechter-elleboog blijkens diens rapportages dermate af van dat van het Uwv, dat een uitgebreide(re) motivering met betrekking tot betrokkene’s belastbaarheid, in het bijzonder die van zijn beide armen, aangewezen wordt geacht. Ook in de bij het hoger beroepschrift gevoegde rapportage van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 20 februari 2007 heeft de Raad een dergelijke motivering evenwel niet aangetroffen. 3.3. In het verlengde daarvan overweegt de Raad, ten overvloede, voorshands nog niet overtuigd te zijn van het feit dat, indien al zou moeten worden uitgegaan van de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), betrokkene in staat kan worden geacht om de werkzaamheden verbonden aan de geduide functies te verrichten. 4.1. Bij het besluit van 15 november 2007 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene alsnog gegrond verklaard en per 5 januari 2006 de WAO-uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. 4.2. Het bestreden besluit 2 is genomen naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 2 maart 2007 (LJN: AZ9652) betreffende de maximering van de omvang van de maatman. De mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene is herberekend en door de bezwaararbeidsdeskundige G.J.W. van der Hulst nader vastgesteld op 23,55%, zodat indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25% aangewezen is. De medische onderbouwing van het bestreden besluit 2 is dezelfde als die van het - door de rechtbank vernietigde - bestreden besluit 1. 4.3. Met het afgeven van het bestreden besluit 2 geeft het Uwv te kennen de in bestreden besluit 1 neergelegde grondslag van de schatting - voor wat betreft de arbeidskundige onderbouwing - niet langer te handhaven. Omdat met het bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet is gekomen aan het inleidende beroep van betrokkene, dient de Raad met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit besluit in de procedure te betrekken. Dit betekent dat betrokkene geacht wordt beroep te hebben ingesteld tegen het bestreden besluit 2. 4.4. Nu het bestreden besluit 2 voor wat betreft de medische grondslag niet op een andere motivering steunt dan het - blijkens het voorgaande terecht - door de rechtbank vernietigde bestreden besluit 1, deelt het bestreden besluit 2 dat lot. 5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, zal worden bevestigd. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 wordt gegrond verklaard. 6. Het verzoek van betrokkene om vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de door het besluit van het Uwv geleden renteschade. Het Uwv zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden. 7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. 7.1. Voor wat betreft de geclaimde kosten in bezwaar volstaat de Raad met de opmerking dat partijen elkaar ter zitting hebben gevonden in de vergoeding daarvoor van een bedrag van € 644,-. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep voor zover dit moet worden geacht ingesteld te zijn tegen het besluit van 15 november 2007 gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,- wordt geheven. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 september 2008. (get.) D.J. van der Vos. (get.) A.C. Palmboom. RB