
Jurisprudentie
BF1921
Datum uitspraak2008-09-18
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers22-004357-07a
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers22-004357-07a
Statusgepubliceerd
Indicatie
De vraag of een enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, valt niet in zijn algemeenheid te beantwoorden. Bezien dienen te worden de aard en ernst van de verkeersovertreding, het geheel van gedragingen van de verdachte en de overige omstandigheden van het geval.
De verdachte heeft in de zich hier voordoende situatie aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gehandeld door het oversteken van een gevaarlijke, deels onoverzichtelijke kruising van gelijkwaardige wegen zonder behoorlijk naar rechts te hebben gekeken. Dit brengt met zich dat verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet aan het door haar rijgedrag ontstane ongeval, bij welk ongeval iemand om het leven is gekomen.
Uitspraak
Rolnummer: 22-004357-07
Parketnummer: 09-611665-06
Datum uitspraak: 18 september 2008 (bij vervroeging)
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 24 juli 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van
5 september 2008.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.
Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. 1
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zij op 22 oktober 2005 te Nieuwerkerk aan den IJssel als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de [weg A], zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend als volgt te handelen:
- zij bij het naderen van de gelijkwaardige kruising van de [weg A] met de [weg B] onvoldoende heeft gekeken;
-zij (vervolgens) op die kruising geen voorrang heeft verleend aan een voor haar van rechts komende bestuurder van een bestelauto;
ten gevolge van welke onvoorzichtigheid en onoplettendheid zij met die personenauto tegen die bestelauto is gebotst, waardoor:
-[slachtoffer] werd gedood.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft ter zitting vrijspraak gevorderd van het primair tenlastegelegde op grond dat – zakelijk weergegeven – een enkele verkeersovertreding in dit geval niet kan leiden tot een veroordeling krachtens artikel 6 van de Wegenverkeerswet. De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte van het primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken. Hij heeft daartoe – zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte weliswaar het verwijt gemaakt kan worden dat zij verzuimd heeft verkeer van rechts voorrang te verlenen, doch dat deze enkele verkeersovertreding op zichzelf in dit geval niet kan leiden tot een veroordeling krachtens artikel 6 van de Wegenverkeerswet.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat de vraag of een enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet niet in zijn algemeenheid valt te beantwoorden. Bezien dienen te worden de aard en ernst van de verkeersovertreding, het geheel van gedragingen van de verdachte en de overige omstandigheden van het geval.
Bij de beoordeling in de onderhavige zaak wordt uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden ten tijde van het ongeval:
-de verdachte reed als bestuurster van een personenauto over de [weg A] te Nieuwerkerk aan den IJssel in de richting van Zevenhuizen;
-zij naderde een kruising met o.m. de voor haar van rechts komende [weg B] te Zevenhuizen-Moerkapelle en was van plan haar weg rechtdoor te vervolgen;
-over de [weg B] in de richting van de kruising kwam een bestelbus aanrijden die werd bestuurd door het latere slachtoffer [slachtoffer];
-beide wegen liggen buiten de bebouwde kom; voor beide wegen was door de wegbeheerders een snelheidsbeperking vastgesteld van 60 km/u;
-niet uit te sluiten valt dat op het moment van de aanrijding er feitelijk geen verkeersborden aanwezig waren ter aanduiding daarvan, in welk geval als maximumsnelheid 80 km/u zou gelden;
-het ongeval vond plaats bij daglicht, er viel geen neerslag, het wegdek was droog en niet noemenswaardig bevuild;
-het betrof een kruising van gelijkwaardige wegen, hetgeen betekende dat bestuurders voorrang dienden te verlenen aan van rechts komende bestuurders;
-voor de kruising passeerde de verdachte een verkeersbord(bord J-8 uit de bijlage van het R.V.V. 1990) dat waarschuwde voor het naderen van een gevaarlijke kruising; vlak voor de kruising waren op het wegdek witte zigzag-strepen aangebracht;
-de verdachte had bij nadering van de kruising een onbelemmerd uitzicht naar links; het uitzicht naar rechts, dus in de richting van de [weg B], werd beperkt door de aanwezigheid van bebouwing en bomen en struiken;
-de verdachte heeft verklaard dat zij de kruising naderde met een snelheid van zo’n 40 km/u, dat zij ter hoogte van de kruising iets rustiger is gaan rijden en dat zij niet heeft stilgestaan;
-de verdachte heeft bij haar verhoor door de politie op 24 oktober 2005 verklaard – zakelijk weergegeven - dat zij, bij de kruising aangekomen, naar links keek om te kijken of er verkeer aankwam, dat zij door een boom en een huis niet gelijk naar rechts de [weg B] kon inkijken en dat zij, voordat ze dat kon doen een enorme klap voelde en hoorde; de verdachte heeft verklaard dat zij het bestelbusje voor de botsing niet heeft gezien;
-het door [slachtoffer] bestuurde bestelbusje is tegen de door de verdachte bestuurde auto gebotst; uit de op het wegdek aangetroffen sporen valt op te maken dat de botsing plaatsvond op het midden van het kruisingsvlak;
-[slachtoffer] is als gevolg van de bij het ongeval opgelopen verwondingen overleden.
De hiervoor opgesomde feiten en omstandigheden laten geen andere conclusie toe dan dat de verdachte niet, althans niet voldoende, naar rechts heeft gekeken voordat zij de kruising opreed en midden op die kruising in botsing kwam met het bestelbusje. Als zij dat wel had gedaan had zij immers het bestelbusje zien aankomen en voorrang kunnen verlenen. Haar uitzicht op de van rechts komende [weg B] was weliswaar beperkt, maar zeker niet afwezig, zoals in het bijzonder ook blijkt uit fotoblad 5 behorende bij het zich in het dossier bevindende proces-verbaal verkeersongevalsanalyse.
Het niet opgemerkt hebben van het bestelbusje door de verdachte kan bovendien niet verklaard worden uit het met zeer hoge snelheid komen aanrijden van het busje, zoals door de verdachte is gesuggereerd. In het ter zake opgemaakte deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut is geconcludeerd dat er een kans van 99% bestaat, dat de botssnelheid van het busje lager was dan circa 54 km/u. Er zijn geen aanwijzingen dat de snelheid van het busje bij het naderen van de kruising veel hoger was.
Het hof is van oordeel dat de verdachte in de zich hier voordoende situatie aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld door het oversteken van een gevaarlijke, deels onoverzichtelijke kruising van gelijkwaardige wegen zonder behoorlijk naar rechts te hebben gekeken. Dit brengt met zich dat verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet aan het door haar rijgedrag ontstane ongeval, bij welk ongeval iemand om het leven is gekomen.
Het primair tenlastegelegde is dan ook bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het primair bewezenverklaarde:
Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag zoals in de bewijsoverweging omschreven, als gevolg waarvan een ongeval heeft plaatsgevonden en een dodelijk slachtoffer te betreuren is. Dit ongeval heeft bij de nabestaanden onherstelbaar leed teweeggebracht, zoals is gebleken uit de ter terechtzitting in hoger beroep door de voorzitter voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring van de echtgenote van het overleden slachtoffer.
Blijkens een haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 augustus 2008, is de verdachte reeds 2 maal eerder met justitie in aanmerking gekomen ter zake van Wegenverkeerswetfeiten. Ter terechtzitting in hoger beroep is anderzijds gebleken dat de verdachte zeer gebukt gaat onder het feit dat zij een dodelijk slachtoffer heeft gemaakt.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van navermelde duur alsmede een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van navermelde duur een passende en geboden reactie vormen. Deze straffen zijn zwaarder dan gevorderd door de advocaat-generaal omdat het hof, anders dan de advocaat-generaal, het primair tenlastegelegde bewezen acht.
Het hof acht - als signaal naar de samenleving dat het deelnemen aan gemotoriseerd verkeer een zware verantwoordelijkheid met zich mee brengt en dat bij veronachtzaming van die verantwoordelijkheid een sanctie dient te volgen die de verdachte direct raakt in haar hoedanigheid als verkeersdeelnemer – een deels onvoorwaardelijk ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op zijn plaats, niettegenstaande het belang van de verdachte bij het behoud van haar rijbewijs.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9(oud), 14a(oud), 14b(oud), 14c, 22c(oud) en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175(oud) en 179(oud) van de Wegenverkeerswet 1994.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 40 (veertig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.
Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid voor de tijd van 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein,
mr. J.W. Klein Wolterink en mr. M. Moussault, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Bongaerts.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 september 2008.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.