Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1913

Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGemeensch. Hof van Justitie v.d. Ned. Antillen en Aruba
ZaaknummersAR 925/2004 en H-359/2007
Statusgepubliceerd


Indicatie

Werknemer wordt op staande voet ontslagen. Naar objectieve maatstaven, mede gelet op de opsomming van dringende redenen voor ontslag in art. 1615p lid 2 BW, rechtvaardigen de gedragingen van de werknemer het ontslag op staande voet. De persoonlijke omstandigheden maken dit niet anders.


Uitspraak

Zaaknummers: AR 925/2004 en H-359/2007 Datum uitspraak: 16 september 2008 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van de NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA VONNIS in de zaak van ARUBA CARIBBEAN HOTEL LIMITED PARTNERSHIP, h.o.d.n. RADISSON ARUBA RESORT & CASINO, gevestigd en kantoorhoudende in Aruba , voorheen gedaagde, thans appellant, verder ook te noemen: de werkgever of Radisson, gemachtigde: de advocaat mr. A.A.D.A. Carlo, tegen [naam werknemer], wonende in Aruba, voorheen eiser, thans geïntimeerde, verder ook te noemen: de werknemer, gemachtigde: de advocaat mr. H.G. Figaroa. 1. Verloop van de procedure 1.1 Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba (verder: het GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen gewezen vonnissen van 25 mei 2005, 11 oktober 2006 en 7 maart 2007. De inhoud van die vonnissen geldt als hier ingevoegd. 1.2 De werkgever is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 11 oktober 2006 (verder ook te noemen: het tweede tussenvonnis) en het vonnis van 7 maart 2007 (verder ook te noemen: het eindvonnis) door indiening van een verklaring van hoger beroep ter griffie van het GEA op 12 april 2007. De werkgever heeft bij afzonderlijk ingediende memorie van grieven twee grieven aangevoerd en toegelicht, en gevorderd dat het Hof het tweede tussenvonnis en het eindvonnis zal vernietigen en de vorderingen van de werknemer alsnog zal afwijzen, met veroordeling van de werknemer in de kosten van beide instanties. De werknemer heeft een memorie van antwoord ingediend waarbij hij de grieven heeft bestreden en heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek in hoger beroep, met veroordeling van de werkgever in de kosten van deze procedure. Op de voor pleidooi bepaalde datum heeft de werkgever een pleitnota ingediend en heeft de werknemer van pleidooi afgezien. 1.3 De uitspraak van het vonnis in hoger beroep is nader bepaald op heden. 2. Ontvankelijkheid Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de werknemer daarin kan worden ontvangen. 3. Grieven De werkgever kan zich met de overwegingen van het tweede tussenvonnis en het eindvonnis, en met het dictum van het eindvonnis niet verenigen en voert daartegen twee grieven aan. De grieven komen erop neer dat het GEA ten onrechte seksuele intimidatie door de werknemer van zijn vrouwelijke collega [naam vrouwelijke collega] niet bewezen heeft geacht, en ten onrechte heeft geoordeeld dat de overige gedragingen van de werknemer, die mede aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd en die het GEA wél bewezen heeft geacht, het aan de werknemer op 23 oktober 2003 gegeven ontslag op staande voet niet rechtvaardigen. 4. Beoordeling 4.1 Aan het ontslag op staande voet heeft de werkgever in zijn brief aan de werknemer van 23 oktober 2003 (productie A bij conclusie van antwoord), door het Hof in het Nederlands vertaald, ten grondslag gelegd: (1) dat de werknemer zonder toestemming en zonder reden op 21 oktober 2003 niet op zijn werkplek was maar aanwezig was in het Sunset Grille restaurant terwijl hem kamer 1419 als werkplek was aangewezen; (2) dat de werknemer een vrouwelijke collega (met woorden) seksueel heeft geïntimideerd in het bijzijn van getuigen; (3) dat de werknemer agressief gedrag heeft vertoond waarvoor hij naar buiten het restaurant moest worden begeleid; (4) dat de werknemer ervan werd verdacht onder invloed van alcohol te zijn en heeft geweigerd duidelijkheid te geven over zijn toestand door een alcoholtest te ondergaan. 4.2 In het tweede tussenvonnis heeft het GEA vastgesteld dat de werknemer op 23 oktober 2003 zonder toestemming niet op de hem aangewezen werkplek aanwezig was, zoals in ontslagreden (1) omschreven. Deze vaststelling komt het Hof juist voor, zodat ook in hoger beroep van dit feit wordt uitgegaan. Het Hof zal deze ontslaggrond meewegen in zijn oordeel of van een dringende reden sprake is. 4.3 Het Hof acht bewezen dat ook ontslagreden (2) zich heeft voorgedaan. Weliswaar heeft de getuige [naam getuige] verklaard dat de “very vulgar sexual remark regarding [naam vrouwelijke collega]” waarop hij in zijn schriftelijke verklaring van 21 oktober 2003 (productie C bij conclusie van antwoord) doelt, slechts bestond uit de woorden “mira mucha dushi” (vrij vertaald: “kijk, wat een lekker ding”) maar aannemelijk is, mede gelet op de verdere inhoud van zijn verklaring als getuige waarin hij de inhoud van zijn schriftelijke verklaring van 21 oktober 2003 met inbegrip van de verwijzing naar het gesprek van dezelfde datum in het kantoor van de Human Resources Director [naam directeur] (productie F bij conclusie van antwoord) bevestigt, dat [getuige] zich heeft gegeneerd om in de rechtszaal het vervolg op deze woorden te herhalen. In genoemde schriftelijke verklaring, opgemaakt vlak na het incident en zonder enige aanwijzing van overleg tussen hem en [naam vrouwelijke collega] over de inhoud van hun verklaringen, derhalve geloofwaardig, heeft [getuige] verklaard dat de “very vulgar sexual remark” luidde “like mentioned by [naam vrouwelijke collega] in the HR office”. Daar heeft [naam vrouwelijke collega], in het bijzijn van en bevestigd door [getuige], verklaard dat de werknemer tegen haar heeft gezegd: “Mira e mucha dushi ey. Con e lo bay chingami. Con e lo cohemi sin stop” (vrij vertaald: “Kijk, wat een lekker ding. Wat ga ik haar neuken. Wat gaat zij mij eindeloos pakken!”). Dat de werknemer aldus tegen [vrouwelijke collega] heeft gesproken wordt door haar eigen verklaring als getuige bevestigd en het Hof ziet geen grond om aan de geloofwaardigheid van haar verklaring te twijfelen. De laatst geciteerde woorden zijn zonder meer seksueel intimiderend. 4.4 Het Hof acht voorts bewezen dat ook ontslagreden (3) zich heeft voorgedaan. Uit de verklaringen van de getuigen [vrouwelijke collega], [getuige] en [directeur] (die het uit de eerste hand, kort na het incident, van [getuige] heeft gehoord) en hetgeen kort na het incident uit hun mond is opgetekend, blijkt dat de werknemer na de reactie van [vrouwelijke collega] op zijn eerdere woorden haar heeft toegevoegd: “Bo ta stroba Rubiano trabou, bai Haïti yu’i puta” (vertaald: “Je pikt werk van Arubanen in, ga terug naar Haïti, hoerenkind”). Deze woorden dienen, in het kader van ontslagreden (3), te worden aangemerkt als agressief gedrag. Bovendien heeft de getuige [getuige] verklaard dat hij de werknemer gevraagd heeft te stoppen en naar buiten heeft meegenomen. Ook daaruit kan worden afgeleid dat van de werknemer voor de overige aanwezigen, in het bijzonder voor zijn collega [vrouwelijke collega] die heeft verklaard dat de werknemer “hysterisch” werd, een zekere dreiging uitging. 4.5 Het Hof volgt het GEA in zijn oordeel dat de werkgever er op grond van de weigering van de werknemer zich aan een alcoholtest te onderwerpen van mocht uitgaan dat zijn vermoeden over alcoholgebruik juist was. Ontslagreden (4) heeft zich dus ook voorgedaan. In dit verband acht het Hof nog van belang dat in het ook op de werknemer toepasselijke “Colleague Handbook” (productie G bij conclusie van antwoord) is vastgelegd dat de aanwezigheid van een werknemer op het werk onder invloed van alcohol kan resulteren in disciplinaire maatregelen, ontslag op staande voet inbegrepen. 4.6 Naar objectieve maatstaven, mede gelet op de (overigens niet limitatieve) opsomming van dringende redenen voor ontslag op staande voet in art. 1615p lid 2 BW, rechtvaardigen de gedragingen van de werknemer zoals die thans zijn komen vast te staan het ontslag op staande voet. Subjectief, gelet op de door Radisson als zorgvuldig en met inachtneming van de gerechtvaardigde belangen van de werknemer handelend werkgever te maken afweging, konden de gedragingen van de werknemer evenzeer de beslissing tot het geven van ontslag op staande voet dragen. De persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals door het GEA in rechtsoverweging 2.6 van het eindvonnis samengevat, maken dit oordeel niet anders. Slotsom dient derhalve te zijn dat de vonnissen waarvan beroep worden vernietigd en dat de vorderingen van de werknemer alsnog worden afgewezen, met zijn veroordeling in de door de werkgever gemaakte proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep. Beslissing Het Hof: vernietigt de vonnissen tussen partijen van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba van 11 oktober 2006 en 7 maart 2007 en, opnieuw rechtdoende: wijst de vorderingen van de werknemer af; veroordeelt de werknemer in de proceskosten aan de zijde van de werkgever gemaakt en tot de datum van dit vonnis begroot op Afl. 4.950,- aan salaris voor de gemachtigde in eerste aanleg, Afl. 4.400,- aan salaris voor de gemachtigde in hoger beroep en Afl. 901,- aan verschotten , de griffierechten daaronder begrepen. Dit vonnis is gewezen door mrs. G.E.M. Polkamp, E.P. van Unen en L.J de Kerpel-van de Poel, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba op 16 september 2008.