
Jurisprudentie
BF1912
Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/852 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/852 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag?
Uitspraak
07/852 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 december 2006, 06/941 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met als bijlagen rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige van respectievelijk 18 april 2007 en 24 april 2007.
In aanvulling daarop heeft het Uwv rapporten ingezonden van zijn bezwaarverzekeringsarts en van zijn bezwaararbeidsdeskundige van respectievelijk 2 mei 2007 en 15 mei 2007.
Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2008. Voor appellant is verschenen mr. Verkoeijen. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.G.M. Huijs.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij het bestreden besluit van 18 april 2006 heeft het Uwv in bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 29 september 2005 tot herziening met ingang van 30 november 2005 van de naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
2.1. De rechtbank was van oordeel dat de verzekeringsgeneeskundige advisering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, in overeenstemming is met de eisen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de overigens daaraan te stellen zorgvuldigheidsvereisten. Voorts heeft de rechtbank, gelet op alle voorhanden medische gegevens, geen aanknopingspunten gevonden om de conclusies waartoe de verzekeringsartsen zijn gekomen in twijfel te trekken. De informatie van de behandelend sector, waaronder de bevindingen van de behandelaars bij het Regionaal Centrum Geestelijke Gezondheidszorg - in de onderhavige procedure is de nadruk komen te liggen op de psychische klachten van appellant - is naar het oordeel van de rechtbank nadrukkelijk en in voldoende mate in de beoordeling meegenomen. De rechtbank heeft voorts laten wegen dat van de zijde van appellant geen gegevens zijn overgelegd waaruit medische beperkingen zijn te herleiden die ernstiger zijn dan de beperkingen die door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn aangenomen.
2.2. De rechtbank heeft zich ook - ten materiƫle - kunnen verenigen met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Alle signaleringen die voorkomen bij de drie voor de onderhavige schatting gebruikte functies zijn naar het oordeel van de rechtbank - uiteindelijk - voldoende toegelicht. Omdat een deugdelijke motivering van de passendheid van de functies evenwel eerst in de fase van het beroep is verstrekt, heeft de rechtbank aanleiding gezien om het bestreden besluit te vernietigen, met in stand lating van de rechtsgevolgen ervan.
3.1. Het hoger beroep van appellant keert zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Appellant voert in de eerste plaats aan dat hij gelet op de ernst van zijn psychische stoornis - een aanpassingsstoornis - in het geheel niet in staat is tot het verrichten van reguliere loonvormende arbeid. Daarnaast is hij de opvatting toegedaan dat ook zijn overige - lichamelijke - klachten, in het bijzonder zijn arm-, rug- en migraineklachten, onvoldoende zijn erkend. Voorts meent appellant dat hij niet beschikt over het voor de functies vereiste opleidingsniveau. In dit verband stelt hij met name dat hij niet kan lezen en schrijven op eind basisschool niveau. Hij stelt de Nederlandse taal in het geheel niet te beheersen.
3.2. De Raad komt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. Appellant heeft ook in hoger beroep geen gegevens overgelegd die steun bieden aan zijn opvatting dat hij ernstiger is beperkt, psychisch dan wel lichamelijk, dan waarvan de verzekeringsartsen zijn uitgegaan.
3.3. In het bijzonder kan de Raad appellant niet volgen in zijn opvatting dat hij vanwege zijn aanpassingsstoornis ten tijde hier van belang in het geheel niet in staat was tot het verrichten van arbeid op de vrije arbeidsmarkt. Onder de gedingstukken bevindt zich een expertiserapport, gedateerd 31 maart 2005, van de psychiater prof. dr. G.F. Koerselman, opgesteld in het kader van een letselschadeprocedure. In dat rapport, waarin wordt geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag, wordt tevens geoordeeld dat bij appellant geen sprake is van beperkingen bij het verrichten van de in het dagelijks leven voorkomende activiteiten, geen dan wel milde beperkingen in het sociale functioneren en - slechts - enkele beperkingen in het persoonlijke functioneren. Er wordt voorts enige discrepantie gezien tussen de vastgestelde beperkingen en de subjectief beleefde belemmeringen.
3.4. Deze bevindingen van de psychiater Koerselman bieden geen steun aan de eigen opvatting van appellant dat zijn aanpassingsstoornis in de weg staat aan het verrichten van loonvormende arbeid. Voor zover appellant betoogt dat zijn psychische gezondheidssituatie tussen het tijdstip waarop het onderzoek door Koerselman plaatsvond - in februari 2005 - en de datum in geding in relevante mate is verslechterd, merkt de Raad op dat de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten bieden om appellant daarin te kunnen volgen. De bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp heeft in zijn rapport van 18 april 2007 aangegeven dat de klachtentoename waarop appellant zich beroept, niet aantoonbaar heeft geleid tot een wezenlijke wijziging van zijn gezondheidssituatie ten tijde in dit geding van belang. Er is geen sprake van een progressie van appellants aandoening in de richting van een meer ernstige psychiatrische stoornis. De Raad heeft geen aanleiding om die zienswijze in twijfel te trekken.
3.5. Ten slotte merkt de Raad nog op dat ook de in hoger beroep ingediende stukken betreffende een door het Centrum voor Werk en Inkomen aan appellant afgegeven indicatie tot het verrichten van arbeid in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), evenmin twijfel oproepen aan de juistheid van de in aanmerking genomen beperkingen. Bedoelde indicatie dateert van ver na de datum in geding. Voorts zijn geen onderliggende medische stukken zijn meegezonden. Daarnaast stelt de Raad vast dat de blijkens de WSW-stukken voor appellant van toepassing geachte beperkingen ook - naast nog andere beperkingen - door de verzekeringsartsen van het Uwv van toepassing zijn geacht. De Raad vermag niet in te zien - dit wordt ook in het geheel niet toegelicht - dat deze beperkingen in de weg zouden staan aan het verrichten van werkzaamheden op de vrije arbeidsmarkt.
3.6. Ook overigens, dat wil zeggen wat betreft de overige klachten van appellant, is aan de Raad niet kunnen blijken van objectief-medische aanknopingspunten om de vastgestelde beperkingen niet juist te achten.
3.7. Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat, staat voor de Raad tevens genoegzaam vast dat de bij de schatting in aanmerking genomen functies passend zijn voor appellant. Met de reeds verstrekte arbeidskundige toelichtingen, zoals deze naderhand in hoger beroep nog zijn aangevuld met de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 24 april en 15 mei 2007, acht de Raad alleszins genoegzaam aangetoond dat de functies in medisch opzicht geschikt zijn te achten voor appellant.
3.8. Tevens is de Raad van oordeel dat de functies geacht kunnen worden ook in arbeidskundig opzicht binnen het bereik van appellant te liggen. Het gaat om eenvoudige productiematige functies, in het verlengde liggend van de functie die appellant voorafgaande aan zijn uitval bekleedde. Het gevraagde opleidingsniveau is maximaal basisonderwijs. Er is daarbij geen sprake van een strikte diploma-eis. Zoals door de bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten wordt aangegeven in zijn rapport van 24 april 2007, worden ook geen specifieke schoolse vaardigheden gevraagd. Mede in het licht hiervan is er geen toereikende grond om ervan uit te gaan dat de functies voor appellant te hoog gegrepen zouden zijn. Dat geldt in het bijzonder ook voor de vereiste beheersing in woord en geschrift van de Nederlandse taal. De ter zake gestelde eisen zijn, in lijn met het eenvoudige en productiematige karakter van de functies waar het om gaat, ook slechts van zeer beperkte aard. Er is niet kunnen blijken van een overtuigende reden om het ervoor te houden dat appellant daaraan niet zou kunnen voldoen.
3.9. Tot slot merkt de Raad nog op, naar aanleiding van hetgeen dienaangaande van de zijde van appellant ter zitting naar voren is gebracht, dat er geen enkele grond bestaat om appellant te kunnen volgen in de stellingname dat - mogelijkerwijs - sprake is van een volgens de rechtspraak van de Raad niet toegestane zogeheten maximering van de maatman, daargelaten nog of zulks, ware dat anders, in het onderhavige geval zou leiden tot indeling in een andere klasse.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit door de rechtbank op goede gronden in stand zijn gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 september 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W.R. de Vries.
JL