
Jurisprudentie
BF1908
Datum uitspraak2008-09-18
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2358 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2358 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Reorganisatie. Opheffing onderzoeksgroep en functie. Toetsingsmaatstaf. Berust besluitvorming op zakelijke en objectieve gronden? Zorgvuldige voorbereiding? Afbouwbepaling t.a.v. werkzaamheden tot pensionering in goed onderling overleg aanvaardbaar? Dat van goed overleg nadien kennelijk geen sprake is geweest,speelt hier geen rol.
Uitspraak
07/2358 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 maart 2007, 05/9444 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van bestuur van de Universiteit Leiden (hierna: college)
Datum uitspraak: 18 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2008. Appellant is in persoon verschenen en het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Oosterom, advocaat te ’s-Gravenhage, en prof. dr. G.J. Mulder, werkzaam bij de Universiteit Leiden.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was werkzaam als [functie] in de onderzoeksgroep [onderzoeksgroep] van het centrum voor [centrum] van de faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen van de Universiteit Leiden.
1.2. Bij besluit van 24 november 2005 heeft het college de besluitvorming over de reorganisatie binnen het [centrum], waarbij (onder meer) de onderzoeksgroep [onderzoeksgroep] en de functie van appellant worden opgeheven, gehandhaafd. Bij die besluitvorming was ook bepaald dat appellant in staat werd gesteld zijn werkzaamheden in onderling overleg met de wetenschappelijk directeur op gepaste wijze af te bouwen en af te ronden tot aan zijn pensionering in februari 2005.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 24 november 2005 ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij, kort samengevat, overwogen dat het besluit tot reorganisatie en opheffing op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en op zakelijke gronden berust. Voorts was zij van oordeel dat het college in redelijkheid kon komen tot het aanbod aan appellant om in overleg tot afronding van zijn werkzaamheden te komen.
3.1. In hoger beroep heeft appellant in hoofdzaak zijn standpunt herhaald dat de opheffing van zijn onderzoeksgroep en functie is ingegeven door (de nasleep van) een conflict rondom het peer review rapport uit 1995, waarover de Raad heeft beslist bij zijn uitspraak van 3 mei 2001, TAR 2001, 120. Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij feitelijk niet in staat is gesteld zijn werkzaamheden af te bouwen nu hij niet meer kon beschikken over een analist en hem geen concreet voorstel voor ondersteuning van zijn werkzaamheden is gedaan. Appellant acht zich daardoor geschaad in zijn (internationale) carrière en wenst die schade vergoed te zien.
3.2. Het college heeft de stellingen van appellant gemotiveerd weersproken.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Hij stelt allereerst vast dat de rechtbank bij haar beoordeling van het bestreden besluit blijkens rechtsoverweging 4.2 in de aangevallen uitspraak een juiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd en terecht als uitgangspunt heeft genomen dat het college vrij is zijn organisatie naar eigen inzicht in te richten. De stelling van appellant dat de rechtbank een te marginale toetsing heeft uitgevoerd, kan niet worden onderschreven.
4.2. Aan de stukken ontleent de Raad dat het college, gesteld voor de taak een bezuiniging door te voeren, in het kader van de reorganisatie van de faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen heeft besloten tot opheffing van - onder meer - de onderzoeksgroep [onderzoeksgroep]. Dit is gebeurd aan de hand van een strategisch plan en de uitwerking daarvan in een fijnmazige invulling door het faculteitsbestuur, waarbij alle medewerkers in de gelegenheid zijn gesteld te reageren op de in een interne discussienota “Herstructurering [centrum]” neergelegde voorgenomen keuzes. Uit die discussienota komt naar voren dat als kernleerstoelen van het [centrum] de centrale gebieden van het geneesmiddelenonderzoek gelden en dat nog slechts een beperkt aantal secties kan overblijven om tot een bedrijfsvoering te komen die zowel onderwijs als onderzoek van hoog niveau bij die secties mogelijk maakt. Het alternatief van de kaasschaaf zou leiden tot een onaanvaardbare verzwakking van alle secties. De onderzoeksgroep [onderzoeksgroep] wordt gezien als superspecialistisch en niet tot de kernactiviteiten van het instituut gerekend omdat het onderzoek in verhouding tot andere onderzoeksvelden niet van centraal belang is voor de werking en verwerking van geneesmiddelen. De discussienota is ook voorgelegd aan het bestuur van het LACDR (een samenwerkingsverband tussen het [centrum] en de Vrije Universiteit), de wetenschappelijke raad van het [centrum], een afvaardiging van jonge wetenschappers en aan een klankbordgroep bestaande uit medewerkers van het [centrum]. Al deze gremia hebben met de voorgestelde keuzes ingestemd.
4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat uit deze gang van zaken genoegzaam blijkt dat de besluitvorming op zakelijke en objectieve gronden berust en niet is ingegeven door persoonlijke grieven tegen appellant. Niet onbelangrijk is daarbij dat behalve de onderzoeksgroep [onderzoeksgroep] ook enkele andere activiteiten en functies werden opgeheven. Dat de besluitvorming zo breed gedragen werd, geeft voorts geen steun aan de stelling van appellant dat de opheffing van zijn functie is terug te voeren op persoonlijk ingrijpen van de voormalig wetenschappelijk directeur met wie appellant in het verleden een conflict had. Dat [onderzoeksgroep], naar appellant heeft gesteld, tot de farmacochemie behoort en daarmee zijns inziens deel uitmaakt van de kernleerstoel betekent naar het oordeel van de Raad niet dat het college gezien het uitgangspunt genoemd in 4.1 niet vrij zou staan tot de gemaakte keuze te komen.
4.4. De stelling van appellant dat de besluitvormingsprocedure onzorgvuldig is geweest, nu is nagelaten om overeenkomstig de uitspraak van de Raad genoemd in 3.1 met hem in overleg te treden, berust op een onjuiste lezing van die uitspraak, waarin een dergelijke opdracht niet is vervat of kan worden afgeleid. Appellant is voorts net als ieder ander in de gelegenheid geweest om zijn visie op de voorgenomen besluitvorming kenbaar te maken, en heeft dat blijkens zijn brief van 2 mei 2001 overigens ook gedaan, zodat ook in dit opzicht niet valt in te zien dat van onzorgvuldige voorbereiding sprake zou zijn.
4.5. Dat appellant in het besluit van 25 november 2002 in staat werd gesteld om in onderling overleg zijn werkzaamheden op gepaste wijze af te bouwen en af te ronden, kan de Raad niet betitelen als “onaanvaardbaar zweven” zoals appellant in de loop van de procedure heeft gedaan. De Raad merkt in de eerste plaats op dat de keuze van het college voor deze constructie in plaats van appellant aan te merken als herplaatsingskandidaat, in het belang van appellant moet worden geacht. Voorts acht de Raad gezien aard en niveau van de functie van appellant niet onaanvaardbaar de bepaling dat de afbouw van de werkzaamheden in goed onderling overleg met de wetenschappelijk directeur diende te geschieden in plaats van dat aan appellant voor de resterende periode een aantal concrete werkzaamheden werd opgedragen. Tot slot heeft de Raad niet kunnen vaststellen dat het college op voorhand aan die bepaling geen inhoud zou hebben willen geven, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat door de wetenschappelijk directeur al bij brief van 14 januari 2003 concrete voorstellen aan appellant zijn gedaan en faciliteiten zijn aangeboden met betrekking tot onderwijs- en onderzoeksactiviteiten en consulting.
4.6. Dat van goed onderling overleg over de afbouw van de werkzaamheden nadien kennelijk geen sprake is geweest, kan, wat daar verder ook van zij en aan wie dat zou kunnen worden toegerekend, bij de beoordeling van het bestreden besluit geen rol spelen. Aan al hetgeen partijen daarover naar voren hebben gebracht, inclusief het aanbod om als getuige onder ede te worden gehoord, gaat de Raad daarom voorbij.
5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gebleven, moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 september 2008.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) M.B. de Gooijer.
HD
Q