
Jurisprudentie
BF1906
Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/90 WAO + 07/6529 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/90 WAO + 07/6529 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking WAO-uitkering. Na heropening opnieuw intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Intelligentieniveau. Urenbeperking? Kennelijke misslag in uitspraak rechtbank.
Uitspraak
07/90 WAO
07/6529 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraken van de rechtbank Roermond van 29 november 2006, 06/1015 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 16 oktober 2007, 07/630 (hierna: aangevallen uitspraak 2),
in de gedingen tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2008. Voor appellante is mr. Verkoeijen voornoemd verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 12 oktober 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 13 december 2005 ingetrokken.
Met ingang van 28 februari 2006 is de uitkering heropend omdat de arbeidsongeschiktheid was toegenomen.
Bij besluit van 21 november 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 22 januari 2007 wederom ingetrokken.
2. Namens appellante is tegen de besluiten van 12 oktober 2005 en 21 november 2006 bezwaar gemaakt.
2.1. Bij besluit van 19 april 2006 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 12 oktober 2005 ongegrond verklaard. Bij besluit van 22 maart 2007 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 21 november 2006 eveneens ongegrond verklaard.
2.2. De bestreden besluiten berusten op het standpunt dat appellante op 13 december 2005, respectievelijk op 22 januari 2007, de in geding zijnde data, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv niet in enig verlies aan verdiencapaciteit.
3. Bij de aangevallen uitspraak 1 is het namens appellante ingestelde beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en is dit besluit vernietigd, waarbij met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Het Uwv is veroordeeld tot het vergoeden van het door appellante betaalde griffierecht en de door haar gemaakte proceskosten. Bij de aangevallen uitspraak 2 is het namens appellante ingestelde beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
4. Hierna zal de Raad een oordeel geven over achtereenvolgens de aangevallen uitspraken 1 en 2.
4.1. Aangevallen uitspraak 1
De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden om de bevindingen van de verzekeringsartsen van het Uwv in twijfel te trekken. Met de psychische en lichamelijke klachten is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate rekening gehouden. Namens appellante is aangegeven dat er voor haar een urenbeperking zou moeten gelden. Die stelling is echter niet onderbouwd met medische gegevens. De arbeidsdeskundige heeft voor appellante functies geselecteerd uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). De rechtbank heeft, onder verwijzing naar een aantal uitspraken van de Raad over het CBBS (onder meer LJN AY9971), overwogen dat alle door dit systeem aangebrachte signaleringen van een afzonderlijke toelichting moeten worden voorzien. De rechtbank heeft overwogen dat de vereiste toelichting pas ter zitting is gegeven en dat daarom het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
Er bestaat echter, aldus de rechtbank, voldoende reden om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De schatting is gebaseerd op de functies machinebediende, soldering technician en coupeuse. Naar het oordeel van de rechtbank is met de ter zitting gegeven toelichting komen vast te staan dat de belasting in deze functies in overeenstemming is met de voor appellante geldende belastbaarheid. Met het verrichten van deze functies is er geen sprake van enig verlies aan verdiencapaciteit.
4.1.1. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank. Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd bevat, in vergelijking met de stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak 1 neergelegde oordeel van de rechtbank.
De passage op bladzijde 4 van die uitspraak, waarin de rechtbank overweegt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, beschouwt de Raad als een kennelijke misslag. De rechtbank heeft immers bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.
4.1.2. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten - dat wil zeggen: voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten -, dient te worden bevestigd.
4.2. Aangevallen uitspraak 2
Zoals al onder 1 is aangegeven, is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 28 februari 2006 heropend. Dit hield verband met een operatie aan haar enkel en een daaruit voortvloeiende toename van haar arbeidsongeschiktheid. Op basis van een nieuwe arbeidsongeschiktheidsschatting is de uitkering met ingang van 22 januari 2007 weer ingetrokken. Volgens de verzekeringsarts verkeerde appellante op die datum weer in dezelfde situatie als voor de operatie. De operatie heeft geen verbetering gebracht in de enkelklachten. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak 2 overwogen dat niet is gebleken dat de klachten van appellante zijn onderschat dan wel onjuist geïnterpreteerd of dat de informatie van de behandelende sector in de omschrijving van de medische beperkingen en mogelijkheden onjuist zou zijn uitgelegd. De arbeidsdeskundige heeft uit het CBBS de functies monteur loopwerken, coupeuse en soldeerder geselecteerd. De rechtbank heeft overwogen dat in de rapporten van de arbeidsdeskundige en bezwaararbeidsdeskundige alle door het systeem aangebrachte signaleringen zijn voorzien van een afzonderlijke toelichting. Die toelichting heeft de rechtbank als voldoende geaccepteerd en het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond verklaard.
4.2.1. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. In hoger beroep is aangevoerd dat appellante met een kruk moet lopen en alleen met steun kan staan. Dit komt echter niet overeen met de waarneming van de verzekeringsarts T.P.M. Grubben bij het medisch onderzoek op 12 oktober 2006. Appellante maakte toen gebruik van een wandelstok maar bij het looppatroon werd niet duidelijk het lichaamsgewicht op de wandelstok gezet. Ook bleek appellante bij het in de auto stappen met haar volle gewicht op haar (geopereerde) rechterenkel te kunnen staan. Er zijn geen medische gegevens ingebracht waaruit blijkt dat dit op de datum in geding 22 januari 2007 anders was. In hoger beroep is tevens aangevoerd dat uit een psychologisch rapport van 25 april 2007 blijkt dat er voor appellante een urenbeperking zou moeten gelden. Naar het oordeel van de Raad kan dit evenwel niet uit dit rapport worden afgeleid.
Het Uwv heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat het rapport niet relevant is voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling omdat het is toegespitst op de thuissituatie.
Het geconstateerde intelligentieniveau van appellante is geen nieuw gegeven voor het Uwv. Bij de selectie van functies is er rekening mee gehouden dat appellante is aangewezen op eenvoudige productiefuncties en dat haar persoonlijk en sociaal functioneren beperkt is. De Raad kan zich met die stelling van het Uwv verenigen.
4.2.2. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak 2 dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten;
Bevestigt de aangevallen uitspraak 2.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 september 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W.R. de Vries.
RB