Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1904

Datum uitspraak2008-07-09
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers85355 HA ZA 07-344
Statusgepubliceerd


Indicatie

aansprakelijkheid asbestverwerkende fabriek


Uitspraak

RECHTBANK ALMELO Sector Civiel zaaknummer: 85355 HA ZA 07-344 datum vonnis: 9 juli 2008 (vdv) Vonnis van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van: 1. X, wonende te Beilen, 2. Y, wonende te Ommen, 3. Y, wonende te Beilen, 4. Y, wonende te Beilen, 5. Y, wonende te Beilen, eisers, verder te noemen erven Y, procureur: mr. R. Kroon, advocaat: mr. R.F. Ruers, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NEFALIT B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Goor, gedaagde, verder te noemen Nefalit B.V., procureur: mr. E.M.M. van de Loo, advocaat: mr. J.W. Bruidegom. Procesverloop Erven Y hebben Nefalit B.V. gedagvaard tegen de zitting van 25 april 2007. Nefalit B.V. heeft een conclusie van antwoord genomen, de erven Y een conclusie van repliek en Nefalit B.V. een conclusie van dupliek. De erven Y hebben vervolgens een akte uitlating producties tevens akte overlegging producties genomen, waarna Nefalit B.V. pleidooi heeft gevraagd. Ter gelegenheid van dat pleidooi op 17 juni 2008 hebben erven Y en Nefalit B.V. ieder een akte overlegging producties genomen, aan de hand van pleitnotities hun standpunt toegelicht en vervolgens vonnis gevraagd. De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing Feiten (kort samengevat) 1. Eiseres X is gehuwd geweest met Pieter Albert Hendrik Y, geboren op 21 september 1950, die op 3 maart 2000 aan de gevolgen van de asbestziekte mesothelioom is overleden. De overige eisers zijn kinderen uit dat huwelijk geboren. 2. In 1999 werd bij Y een ernstige longaandoening geconstateerd, die in de loop van 2000 als mesothelioom is gediagnosticeerd. 3. Volgens de erven Y heeft Y slechts éénmaal in zijn leven te maken gehad met een relevante blootstelling aan asbest, toen hij in oktober 1979 668 asbestcement-golfplaten heeft gekocht via aannemersbedrijf Gaasbeek te Beilen, welke platen geproduceerd zouden zijn door Nefalit B.V. Y heeft met deze platen het dak van een door hem gebouwde loods gedekt, waartoe hij die platen zonodig heeft verspaand. Bij die bewerking is hij aan vrijkomend asbeststof blootgesteld volgens de erven Y, ten gevolge waarvan Y de ziekte mesothelioom heeft ontwikkeld en aan de gevolgen waarvan hij in 2000 op vijftigjarige leeftijd is overleden. 4. In 2003 hebben de erven Y een klein stukje van één van die dakplaten door een laboratorium op de aanwezigheid van asbest laten onderzoeken. Het rapport daarvan gedateerd 20 mei 2003 toonde aan dat in het materiaal 5-10% chrysotiel (wit asbest) aanwezig was (productie 6 dagvaarding). Omdat de erven Y in de veronderstelling verkeerden dat de asbestcementgolfplaten waarmede Y in 1979 het dak van de schuur had gedekt, van Eternit Fabrieken B.V. afkomstig waren, hebben de erven Y Eternit bij brief van 30 mei 2003 aansprakelijk gesteld (productie 7 dagvaarding). Eternit heeft bij brief van 3 juli 2003 aansprakelijkheid afgewezen, in de eerste plaats omdat onvoldoende zou zijn aangetoond de diagnose mesothelioom en tevens betwist werd dat de platen van Eternit afkomstig waren (productie 8 dagvaarding). 5. Eerst op 13 juni 2006 is de discussie omtrent de juistheid van de diagnose mesothelioom beslecht in de zin dat Eternit die als juist erkende, maar bleef Eternit zich op het standpunt stellen dat zij niet aansprakelijk was omdat niet was aangetoond dat de bewuste asbestcementgolfplaten van Eternit afkomstig waren. De erven Y hebben toen Roulaux Asbestonderzoek B.V. te Kockengen onderzoek laten verrichten, hetgeen heeft geleid tot een rapport van 23 september 2006 (productie 9 dagvaarding) waaruit bleek dat de platen afkomstig waren van het bedrijf Asbestona, destijds gevestigd te Harderwijk, waarvan Nefalit B.V. de rechtsopvolgster is. Naar aanleiding hiervan heeft aansprakelijkstelling van Nefalit B.V. door de erven Y op 27 september 2006 plaatsgevonden (productie 10 dagvaarding). De vordering 6. De erven Y verwijten Nefalit B.V. dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door in 1979 na te laten, bij het in het verkeer brengen van haar producten, te waarschuwen tegen de gevaren van bewerking van de golfplaten, terwijl Nefalit B.V. wist althans behoorde te weten dat deze platen gevaarlijk waren. Volgen de erven Y heeft Nefalit B.V. daarmede het risico geschapen dat afnemers c.q. gebruikers van haar producten schade zouden lijden in de vorm van een asbestaandoening. Dit risico heeft zich bij Y gemanifesteerd zodat Nefalit B.V. jegens Y en zijn erven onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor schadeplichtig is geworden. 7. De erven Y vorderen: I. een verklaring voor recht dat Nefalit B.V. jegens Y en diens erven onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor jegens de erven Y schadeplichtig is geworden. II. vergoeding van de door de erven Y geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat, krachtens de artikelen 6:95 en 6;96 iuncto 6:107 en 6:108 BW te vermeerderen met wettelijke rente. III. vergoeding voor buitengerechtelijke kosten ad € 4.032,38 te vermeerderen met wettelijke rente. IV. vergoeding van de geliquideerde proceskosten. Het verweer (kort samengevat) 8. Nefalit B.V. erkent dat zij in 1979 (en de daaraan voorafgaande jaren) onder de naam Asbestona asbestcementgolfplaten heeft geproduceerd en op de markt gebracht. Bij gebrek aan wetenschap betwist Nefalit B.V.: - dat Y destijds asbestcementgolfplaten die van Nefalit B.V. afkomstig waren heeft gekocht. -Y deze asbestcementgolfplaten heeft bewerkt en vervolgens met deze platen het dak van de loods heeft bedekt. - dat bij het bewerken van deze asbestcementgolfplaten asbestdeeltjes zijn vrijgekomen die vervolgens in significante relatie hebben gestaan tot het mesothelioom van Y. Nefalit B.V. neemt als juist aan dat bij Y in 1999 mesothelioom is geconstateerd en dat hij aan (de gevolgen van) die ziekte op 3 maart 2000 is overleden. Nefalit B.V. betwist dat van mesothelioom maar één enkele oorzaak bekend is, te weten asbest. Nefalit B.V. betwist bij gebrek aan wetenschap dat de mesothelioom van Y is toe te schrijven aan blootstelling aan asbest, laat staan aan van Nefalit B.V. afkomstig asbestcement. Nefalit B.V. neemt aan dat Y ten gevolge van zijn ziekte materiële schade heeft geleden en de erven Y ten gevolge van de ziekte van Y eveneens materiële schade hebben geleden. Verjaring 9. Voor alles beroept Nefalit B.V. zich op verjaring van de vorderingen ex artikel 3:310 BW. Nefalit B.V. acht de 30-jarige termijn van artikel 3:310 lid 2 juncto 6:175 BW ten deze niet van toepassing en de 20-jarige vanwege aansprakelijkstelling bij brief van 27 september 2006 verstreken. Dat laatste geldt volgens Nefalit B.V. vanwege de in 2000 vastgestelde mesothelioom ook voor de korte 5-jaarstermijn. De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing 10. Gezien de door partijen overgelegde producties en ingenomen standpunten acht de rechtbank vaststaand, dat: a. Y in oktober 1979 via aannemersbedrijf Gaasbeek te Beilen 668 asbestcement- golfplaten heeft betrokken, die op de markt waren gebracht door Asbestona B.V. te Harderwijk, waarvan Nefalit B.V. rechtsopvolgster is. b. Y met deze platen het dak van een door hem gebouwde loods heeft gedekt, waartoe hij die platen, teneinde die passend te maken, zonodig heeft verspaand (bestaande uit zagen, slijpen etc). c. bij dat verspanen asbeststof is vrijgekomen en door Y is ingeademd althans in zijn longen terechtgekomen. d. Y op 3 maart 2000 is overleden aan (de gevolgen van) de ziekte mesothelioom, ontstaan bij hem door besmetting met asbeststof. e. in de loop van het jaar 2006 de erven Y en Nefalit B.V. het eens zijn geworden over mesothelioom als doodsoorzaak en de erven Y naar aanleiding van het rapport van Roulaux Asbestonderzoek van 23 september 2006 op de hoogte zijn gekomen dat die asbestcementgolfplaten van Asbestona B.V. afkomstig waren en bij brief van 27 september 2006 Nefalit B.V. als rechtsopvolgster aansprakelijk is gesteld. 11. Voorts acht de rechtbank vaststaand dat het verspanen van de asbestcementplaten teneinde die als dakbedekking passend te maken een destijds in 1979 redelijkerwijs te verwachten gebruik daarvan was, het (risico van) vrijkomen van asbesthoudend stof bij die verspaning zonder meer te verwachten is (geweest) en dit vrijgekomen asbeststof mesothelioom kan veroorzaken. Dit laatste gevaar was aan Nefalit B.V. in 1979 bekend althans had dat moeten zijn, waarbij de rechtbank volstaat met verwijzing naar eerdere jurisprudentie in soortgelijke zaken, waarin de discussie zich met name toespitst op (stand van) de wetenschap (van Eternit B.V.) op dit punt in de periode 1969, 1970 en 1971 (b.v. arresten Van Hese/De Schelde en Eternit/ErvenHorsting). In die arresten is aangenomen dat (reeds) in die jaren wetenschap omtrent het gevaar van asbeststof aanwezig was of had moeten zijn bij De Schelde respectievelijk Eternit B.V., hetgeen de rechtbank á fortiori aanneemt voor het jaar 1979. 12. Hetgeen partijen –voorzover van belang voor afdoening van deze zaak- verdeeld houdt, is, volgend op de verjaringsdiscussie, de vraag in welke mate chrysotiel (i.e. wit asbest) gevaarlijk is c.q. in 1979 gevaarlijk werd geacht zomede in hoeverre vaststaat dat Y mesothelioom heeft gekregen ten gevolge van (ingeademd) asbeststof afkomstig van de door hem in 1979 verspaande asbestcementplaten afkomstig van Nefalit B.V. Verjaring 13. Uitgaande van blootstelling aan asbeststof van Y in oktober 1979, overlijden van Y op 3 maart 2000 aan mesothelioom en aansprakelijkstelling van Nefalit B.V. op 27 september 2006, was de twintigjarige verjaring ex artikel 3:310 lid 1 BW op dat laatste moment reeds verstreken in tegenstelling tot de dertigjarige ex artikel 3:310 lid 2 BW, zodat die laatste allereerst dient te worden bezien. 14. Uitgaand van de vaststelling hiervoor dat verspaning (i.e. zagen, slijpen etc.) van de asbestcementplaten in 1979 een redelijkerwijs te verwachten gebruik ervan was en dientengevolge vrijkomend asbeststof een gegeven zekerheid, zomede dit asbeststof als veroorzaker van mesothelioom ook in 1979 al als gevaarlijk was te beschouwen, is naar het oordeel van de rechtbank de dertigjarige verjaring van artikel 3:310 lid 2 BW van toepassing op de onderhavige situatie, waarvan de rechtbank overigens ook bevestiging vindt in de al meer aangehaalde arresten Van Hese/De Schelde en Erven Horsting/Eternit. Dienvolgens was op 27 september 2006 op welk moment Nefalit B.V. zegt met de aanspraken van de erven Y te zijn geconfronteerd, nog geen absolute verjaring uit hoofde van genoemd artikel ingetreden. 15. Ook de subjectieve of korte verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW van vijf jaren is naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. Enige discussie omtrent het moment waarop de erven Y (definitief) op de hoogte zijn gekomen van de diagnose mesothelioom als doodsoorzaak van Y –te weten eind 1999/begin 2000, dan wel 13 februari 2004 (productie 2 dagvaarding)- is mogelijk, daarnaast staat vast dat de erven Y eerst met het rapport van 23 september 2006 van Roulaux Asbestonderzoek B.V. op de hoogte zijn gebracht dat de onderhavige asbestcementgolfplaten afkomstig waren van Asbestona B.V. Eerst op dit moment was aan beide eisen als in artikel 3:310 lid 1 gesteld, voldaan en is de aansprakelijkstelling van 27 september 2006 tijdig gedaan. 16. Het betoog van Nefalit B.V. dat de erven Y veel eerder hadden kunnen constateren van wie de asbestcementgolfplaten afkomstig waren en mitsdien die korte verjarings-termijn eerder is gaan lopen, wordt verworpen. Allereerst gaan de eisen van de in dit artikel geregelde subjectieve verjaring niet zover, dat de vijfjaarstermijn al gaat lopen op het moment dat de erven Y als schuldeisers op de hoogte hadden kunnen of moeten zijn van de identiteit van Nefalit B.V. als aansprakelijke persoon. In dat kader acht de rechtbank mede van belang dat de betrokken asbestplaten zich niet (meer) in de macht van de erven Y bevonden maar inmiddels in een dak op een manege te Veendam waren verwerkt en daarnaast van enig opzettelijk handelen/nalaten gericht op het uitstellen van de vaststelling van voornoemde identiteit niet is gesteld of gebleken. 17. De conclusie van het voorgaande is dat een beroep op verjaring door Nefalit B.V. niet wordt gehonoreerd. Asbest-gevaar 18. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de beoordeling van het (on)rechtmatig handelen van Nefalit B.V. in 1979 niet doorslaggevend de door Nefalit B.V. opgeworpen vraag in hoeverre c.q. in welke mate en na welke blootstelling ingeademd stof afkomstig van witte asbest alstoen gevaarlijk voor de gezondheid werd geacht, maar of in 1979 (het risico van inademing) vrijkomend asbeststof als zodanig gevaarlijk werd beschouwd, waarbij het afkomstig zijn van wit, bruin of blauw asbest, in oplopende gevaarlijkheid, slechts een volgend en niet een eerste probleem is. 19. Op basis van eerdergenoemde arresten van de Hoge Raad, maar ook andere uitspraken als aangehaald door de erven Y in punt 9 van de conclusie van repliek, is de bekendheid met de gevaren van asbesthoudende stof voor de gezondheid in 1970-1971 binnen de kring van producenten waarin Nefalit B.V. (althans Asbestona B.V.) verkeerde al aan te nemen, zulks dus zeker in 1979. Vanaf het moment dat Nefalit B.V. in voornoemde zin bekend moet worden geacht te zijn geweest met het feit dat werken met asbest gevaren voor de gezondheid opleverde, gold een verhoogde zorgvuldigheidsnorm met het oog op de belangen van degenen die, als Y, zich bezighielden met het verspanen van die asbestcementgolfplaten en dientengevolge blootgesteld werden aan daarbij vrijkomend asbeststof. 20. Terecht wijzen de erven Y (punt 22 CvR) op de memorie van toelichting bij het ontwerp uit 1949 van de Silicosewet waaruit al blijkt van het gevaar van verspreiding van asbesthoudende stof bij het vervaardigen en het verzagen van asbestcementplaten en daarnaast in voornoemde procedures is vastgesteld dat Eternit B.V., het moederbedrijf van Nefalit B.V., een internationaal opererend bedrijf was en dat in 1970-1971 in elk geval onder deskundigen bekend was dat vrijkomend asbeststof mesothelioom kon veroorzaken. 21. Onder die omstandigheden kon en mocht van Nefalit B.V. in 1979 worden verwacht dat zij bij het in het verkeer brengen van asbestcementgolfplaten het publiek, en zeker verwerkers van die platen als Y, zou waarschuwen voor de aan haar bekende gezondheidsrisico’s, die aan bij verspaning vrijkomend asbeststof zijn verbonden. Nefalit B.V. heeft een dergelijke waarschuwing destijds in 1979 –bijvoorbeeld middels waarschuwingsetiketten- niet uitgebracht (aan Y) en mitsdien heeft Nefalit B.V. een gevaarlijk en dus gebrekkig product in het verkeer gebracht en dienvolgens onrechtmatig gehandeld jegens Y en ook de erven Y. Van Nefalit B.V. had immers mogen worden verwacht dat zij gegeven het vastgestelde redelijkerwijs te verwachten gebruik en haar kennis aangaande de daaraan verbonden ernstige gevaren de voor de hand liggende en weinig kostbare maatregel van een waarschuwing had moeten nemen. Van het feit dat Nefalit B.V. dit niet heeft gedaan, valt haar een ernstig verwijt te maken. Causaal verband 22. de erven Y hebben gesteld dat de ziekte mesothelioom bij Y is veroorzaakt door blootstelling aan bij verspaning in 1979 van van Nefalit B.V. afkomstige asbestcementgolfplaten vrijgekomen asbeststof. 23. Het betrekken van de asbestcementgolfplaten en het verwerken ervan door Y acht de rechtbank aan de hand van de producties 3, 4 en 5 bij dagvaarding voldoende vast te staan en de betwisting daarvan zijdens Nefalit B.V. bij gebrek aan wetenschap wordt gepasseerd. Aan de hand van productie 6 dagvaarding staat eveneens vast dat die platen (wit) asbest bevatten en middels het rapport van Roulaux Asbestonderzoek B.V. staat ook vast dat die platen van Nefalit B.V. afkomstig waren. 24. Betreffende de betwisting door Nefalit B.V. dat van mesothelioom maar één enkele oorzaak bekend zou zijn respectievelijk de betwisting bij gebrek aan wetenschap door Nefalit B.V. dat de mesothelioom van Y is toe te schrijven aan blootstelling aan asbest, laat staan aan van Nefalit B.V. afkomstig asbest, overweegt de rechtbank in de zin van rechtsoverweging 4.19 Jansen/Eternit het volgende: Blootstelling aan asbest wordt als veruit de belangrijkste oorzaak van de ziekte mesothelioom beschouwd. Het hof (en in casu de rechtbank) vindt daarvoor steun in veel beschikbare (medische) literatuur, waaronder het AVM colloquium van 3 november 1999 van J. van Kessel, de publicatie van H.T. Planteyd, het in de zaak Rouwhof en Van Gemert opgemaakte deskundigenrapport van oktober 1997, het “Report of the Advisory Committe on Asbestos Cancers to the Director of the International Agency for Research on Cancer”en de publicatie uit 1988 van P.H.J.J. Swuste, A. Burdorf en J.A.M. Klaver, “Asbest, het inzicht in de schadelijke gevolgen in de periode 1930-1969 in Nederland”. Volgens voornoemd deskundigenrapport van oktober 1997 worden niet alle mesotheliomen door asbest veroorzaakt, maar wordt thans “algemeen aangenomen dat 80 á 85% van de diffuse maligne mesotheliomen door asbest worden veroorzaakt”, is van de resterende 15 á 20% vrijwel nooit een oorzaak gevonden. 25. De erven Y hebben als productie 2 bij dagvaarding overgelegd medische stukken, waaruit blijkt dat Y aan de gevolgen van een maligne mesothelioom is overleden. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat blootstelling aan asbest in ieder geval als veruit de belangrijkste oorzaak van mesothelioom heeft te gelden, hetgeen door Nefalit B.V. in feite niet, althans onvoldoende is weersproken. In ieder geval is erdoor Nefalit B.V. niets concreets aangvoerd, waaruit kan volgen dat enige andere concrete oorzaak tot de ziekte van Y kan hebben geleid en Nefalit B.V. heeft in reactie op de stelling van de erven Y dat Y in zijn verdere leven nimmer anderszins aan asbest is blootgesteld evenmin feiten gesteld waaruit kan volgen dat Y is ziek geworden van asbest dat niet van Nefalit B.V. afkomstig is. Dit houdt in dat de kans dat de gezondheidsschade van Y is veroorzaakt door blootstelling aan asbeststof, vrijgekomen bij de verspaning in 1979 door Y van asbestcementgolfplaten afkomstig van Nefalit B.V. zodanig groot is, dat daarmede het causaal verband voldoende vaststaat. 26. Voor zoveel nodig voegt de rechtbank hieraan toe dat de regeling van artikel 6:99 Burgerlijk Wetboek, anders dan Nefalit B.V. tracht te betogen, gezien het vorenstaande omtrent mogelijke oorzaken van het mesothelioom van Y van toepassing is en Nefalit B.V. ook in geval van een andere of meerdere veroorzakers tot vergoeding van de schade gehouden is. 27. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Nefalit B.V. daartegenover niet voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel op deze punten zouden kunnen leiden, zodat aan het leveren van tegenbewijs door Nefalit B.V. niet wordt toegekomen. Het bewijsaanbod van Nefalit B.V., voorzover al niet te ongespecificeerd gedaan, wordt derhalve als niet ter zake dienend gepasseerd. Conclusies 28. Uit het vorenoverwogene volgt dat Nefalit B.V. jegens (wijlen)Y onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de dientengevolge optredende schade. De erven Y vorderen vergoeding van de door hen geleden en nog te lijden schade krachtens de artikelen 6:95 en 6:96 juncto 6:107 en 6:108 BW, op te maken bij staat. De mogelijkheid dat de erven Y dergelijke schade hebben geleden is genoegzaam aannemelijk en deze vordering is mitsdien toewijsbaar. 29. Wat betreft de vordering tot vergoeding van redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b en c, ad € 4.032,38, geldt het volgende. Ter onderbouwing daarvan is door de erven Y als productie 11 bij inleidende dagvaarding een concept-declaratie overgelegd alsmede een specificatie van de gewerkte uren, gedateerd 15 maart 2007, maar zij hebben geen duidelijke onderbouwing gegeven van die specificatie, zodanig dat daaruit helder wordt wat de aard van de verrichte werkzaamheden is geweest, anders dan dat brieven zijn geschreven en stukken zijn bestudeerd. Meer in het bijzonder is niet aangegeven welke kosten zien op werkzaamheden ter verkrijging van voldoening buiten rechte en welke kosten zien op werkzaamheden in verband met het vaststellen van schade en aansprakelijkheid. Een en ander wordt niet duidelijk op basis van de overgelegde specificatie. Zulks klemt temeer gelet op het door Nefalit B.V. opgeworpen en onvoldoende door de erven Y weersproken bezwaar dat een deel van de declaratie betrekking heeft op het concipiëren van de dagvaarding. De daarmede gemoeide kosten zien immers op verrichtingen waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv een vergoeding plegen in te sluiten. Deze vordering dient derhalve te worden afgewezen. 30. Nu de schadevordering van de erven Y uitdrukkelijk is beperkt tot vergoeding van de materiële schade krachtens de artikelen 6:95 en 6:96 iuncto 6:107 en 6:108 BW, valt niet in te zien welk belang de erven Y hebben bij de daarnaast gevorderde verklaring voor recht, zodat die wordt afgewezen. Slotsom 31. De vorderingen van de erven Y worden als na te melden toegewezen en Nefalit B.V. wordt als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De beslissing De rechtbank rechtdoende: I. Veroordeelt Nefalit B.V. tot vergoeding van de door de erven Y geleden en nog te lijden schade krachtens de artikelen 6:95 en 6:96 juncto 6:107 en 6:108 BW te vermeerderen met de wettelijke rente hierover, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. II. Veroordeelt Nefalit B.V. in de kosten van de procedure aan de zijde van de erven Y gevallen en tot op deze uitspraak begroot op € 84,31 aan dagvaardingskosten, € 251,-- aan griffierechten en € 1.808,-- aan salaris voor de procureur. III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad. IV. Wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Van der Veer, Inden en Van der Winkel en op 9 juli 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.