Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1900

Datum uitspraak2007-11-02
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 06/3668 WW44 en AWB 06/4953 WET
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering vrijstelling art. 19 lid 3 Wro en bouwvergunning voor bijgebouw (garage). Verzoek om schadevergoeding vanwege herroepen bouwvergunning. Vrijstelling ex artikel 19, derde lid, van de Wro omdat de uitwegvergunning is geweigerd en de garage dus niet daadwerkelijk dienst zal kunnen doen als stalling van motorvoertuigen. Omwomenden maken bezwaar omdat de garage ondanks de weigering van de uitwegvergunning toch als grage zal worden gebruikt, hetgeen ten koste zal gaan van de parkeermogelijkheden aan de openbare weg. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling voor de nieuwe garage te verlenen vanwege het verlies aan parkeerplaatsen op de openbare weg. De schade die eisers hebben geleden als gevolg van het verrichten van sloop- en bouwwerkzaamheden voordat het besluit tot vergunningverlening onherroepelijk was geworden, komt voor eigen risico.


Uitspraak

Rechtbank Amsterdam Sector Bestuursrecht Algemeen meervoudige kamer UITSPRAAK in de gedingen met reg.nrs. AWB 06/3668 WW44 en AWB 06/4953 WET tussen: [eisers], beiden wonende te [woonplaats], eisers, vertegenwoordigd door mr. P.D. Kolfschoten, en: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen, verweerder, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger]. 1. PROCESVERLOOP De rechtbank heeft op 14 juli 2006 en 10 oktober 2006 beroepschriften ontvangen van eisers gericht tegen de besluiten van verweerder van respectievelijk 7 juni 2006 (hierna: bestreden besluit I) en 26 september 2006 (hierna: bestreden besluit II). Het onderzoek is gesloten ter zitting van 4 oktober 2007. 2. OVERWEGINGEN Bij besluit van 22 juni 2004 heeft verweerder aan eisers bouwvergunning en vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend voor het verbouwen van de aangebouwde garage tot woonruimte en voor het bouwen van een vrijstaande garage op het perceel [perceel 1] (hierna: het perceel). Hiertegen hebben omwonenden bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 december 2004 (hierna: besluit op bezwaar I) heeft verweerder de bezwaren van de omwonenden gegrond verklaard en het besluit van 22 juni 2004 herroepen. Daartoe is – voor zover hier van belang – overwogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat het verlenen van een vrijstelling op grond van artikel 19 WRO niet mogelijk is. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld. Bij besluit van 7 juli 2004 heeft verweerder geweigerd een uitwegvergunning te verlenen, omdat hiervoor één of twee parkeerplaatsen op de openbare weg, de Antilope, moeten wijken. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt. Bij besluit van eveneens 14 december 2004 (hierna: besluit op bezwaar II) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en het besluit van 7 juli 2004 gehandhaafd. Hiertegen hebben eisers eveneens beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank van 10 oktober 2005 (reg.nrs. AWB 05/505 WW44 en AWB 05/508 WW44) zijn de beroepen van eisers gevoegd behandeld, is het beroep tegen besluit op bezwaar I gegrond verklaard en is het beroep tegen besluit op bezwaar II niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – kort weergegeven – overwogen, dat eisers inmiddels de woning op het perceel hebben verkocht en bij het verkrijgen van de gevraagde vergunningen derhalve geen belang meer hebben. Wel hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank nog belang bij een rechtmatigheidsoordeel ten aanzien van besluit op bezwaar I, nu zij vergoeding hebben gevraagd van de als gevolg van dat besluit geleden schade. Besluit op bezwaar I dient voorts te worden vernietigd, nu daarin door verweerder ten onrechte is overwogen dat een vrijstelling voor het bouwplan op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO niet mogelijk is. Bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar dan wel bij een apart besluit dient door verweerder te worden beslist op het verzoek van eisers om schadevergoeding. Tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen besluit op bezwaar II is door eisers geen hoger beroep ingesteld, zodat dit besluit inmiddels rechtens onaantastbaar is geworden. Bij bestreden besluit I heeft verweerder, naar aanleiding van voornoemde uitspraak van deze rechtbank, een nieuwe beslissing genomen op het bezwaar van de omwonenden ten aanzien van de bouwvergunning. Verweerder heeft opnieuw de bezwaren gegrond verklaard en het besluit van 22 juni 2004 tot verlening van de bouwvergunning herroepen. Daartoe heeft verweerder – kort weergegeven – overwogen dat een afweging van alle bij het besluit betrokken belangen ertoe leidt dat geen vrijstelling dient te worden verleend. Bij besluit van 12 januari 2006 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding van eisers afgewezen. Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt. Bij bestreden besluit II heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en het besluit van 12 januari 2006 gehandhaafd. In beroep hebben eisers – samengevat – aangevoerd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel door het onrechtmatig intrekken van de reeds verleende vergunning. Voorts is het vertrouwensbeginsel geschonden, nu de gewekte verwachting dat de verleende bouwvergunning niet zou worden ingetrokken, niet gehonoreerd is. Aangezien de uitwegvergunning onherroepelijk geweigerd is en het uitrijden bovendien door beplanting onmogelijk is, is de vrees van omwonenden voor het verlies van parkeerplaatsen alsmede de vrees van verweerder voor het handhavend moeten optreden ongegrond. Er is dan ook sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel alsmede het motiveringsbeginsel. De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van bestreden besluit I Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning). Ingevolge artikel 44 van de Woningwet mag en moet een reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft niet voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit, de Bouwverordening, indien het bouwwerk in strijd is met het geldende bestemmingsplan, het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met de redelijke eisen van welstand of indien voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend. Het geschil spitst zich toe op de bouw van de nieuwe garage. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan [bestemmingsplan] (hierna: het bestemmingsplan). Zoals door deze rechtbank overwogen in de uitspraak van 12 oktober 2005 is de nieuwe garage in strijd met het bestemmingsplan, omdat deze de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte voor bijgebouwen overschrijdt, maar kan daarvoor vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (BRO) worden verleend. Verweerder heeft overwogen dat voor de garage vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO kan worden verleend, maar dat dit niet wenselijk is, omdat de uitwegvergunning is geweigerd en de garage dus niet daadwerkelijk dienst zal kunnen doen als stalling van motorvoertuigen. De bezwaren van omwonenden hebben betrekking op de mogelijkheid dat de garage desondanks toch als zodanig zal worden gebruikt, hetgeen ten koste zal gaan van de parkeermogelijkheden aan de Antilope. De omwonenden vrezen dat handhaving in een dergelijk geval moeilijk zal zijn. Verweerder acht deze bezwaren gegrond. De vergroting van het woongenot dat daar voor eisers tegenover staat weegt tegen het voorgaande volgens verweerder niet op. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het verlenen of weigeren van de vrijstelling beleidsvrijheid toekomt zodat de rechtbank het besluit van verweerder slechts terughoudend kan beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid op de hiervoor genoemde gronden heeft kunnen weigeren vrijstelling voor de nieuwe garage te verlenen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder het belang van de omwonenden in de belangafweging mag betrekken. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 3 maart 2004, (LJN: AO4776, te raadplegen via www.rechtspraak.nl), waarin het ging om een privaatrechtelijke belemmering op grond van het burenrecht. Bovendien staat het verweerder vrij om in de belangenafweging te betrekken het risico dat bij verlening van de vergunning voor de garage, in strijd met het recht een uitweg zal worden gemaakt en gebruikt. Nu er geen vrijstelling behoefde te worden verleend heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij bestreden besluit I op goede gronden de bouwvergunning herroepen. Het voorgaande leidt ertoe dat bestreden besluit I in rechte stand kan houden. Het beroep tegen bestreden besluit I zal ongegrond worden verklaard. Ten aanzien van bestreden besluit II Eisers stellen schade te hebben geleden omdat de aan hen verleende bouwvergunning door verweerder is herroepen. De schade bestaat uit de kosten van het maken van bouwtekeningen en berekeningen, leges en procedurekosten, bouwmateriaal en waardevermindering van de woning. De rechtbank overweegt dat eisers zijn begonnen met de sloop- en bouwwerkzaamheden, voordat het besluit tot vergunningverlening onherroepelijk is geworden. Volgens vaste jurisprudentie komt in een dergelijk geval eventuele schade, veroorzaakt door het na bezwaar en/of beroep alsnog weigeren van de vergunning, voor risico van de vergunninghouder (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 3 juli 2002, LJN: AE4854, te raadplegen via www.rechtspraak.nl). Dit zou slechts anders kunnen zijn, indien eisers een beroep op het vertrouwensbeginsel kunnen doen. Nu echter niet is gebleken van een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging door een beslissingsbevoegd bestuursorgaan inhoudend dat de bouwvergunning niet zou worden herroepen, is hiervan geen sprake. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek om schadevergoeding door verweerder terecht is afgewezen. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat bestreden besluit II eveneens stand kan houden. Het daartegen ingestelde beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding. 3. BESLISSING De rechtbank: - verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 2 november 2007 door mr. Y.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. P.H.A. Knol en M.L. van Emmerik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Dutrieux, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum. De griffier, De voorzitter, Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. Afschrift verzonden op: DOC: B