Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1894

Datum uitspraak2008-11-14
Datum gepubliceerd2008-11-17
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC07/104HR
Statusgepubliceerd


Indicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Geschil tussen glastuinbouwbedrijven en waterschap over kasschade wegens falend peilbeheer (81 RO).


Conclusie anoniem

Rolnr. C07/104HR mr. L. Timmerman Zitting 19 september 2008 Conclusie inzake: 1. [Eiseres 1]., 2. [Eiseres 2], 3. [Eiser 3], 4. [Eiser 4] 5. [Eiseres 5], (hierna: [eiser] c.s.) Eisers tot cassatie tegen Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland) Verweerster in cassatie 1. Feiten(1) en procesverloop 1.1 [Eiser] c.s. exploiteren elk een glastuinbouwbedrijf in de [A-]polder te [plaats]. In die polder wordt het overtollige water geloosd op polderwatergangen waardoor het water wordt afgevoerd naar de hoofdwatergang de Molentocht. De Molentocht wordt bemalen met een gemaal aan de Poelkade, waarmee het water wordt uitgemalen op de boezem de Poelwetering. De Poelpolder is gelegen binnen het gebied waarvoor Delfland is belast met het waterpeilbeheer. Op 19 september 2001 heeft het in het gebied van Delfland hevig geregend. Het slotenstelsel in de Poelpolder, alsmede de Poelwetering hebben toen het regenwater niet kunnen bergen. Daardoor zijn de kassen van [eiser] c.s. onder water komen te staan. 1.2 [Eiser] c.s. hebben in de procedure in eerste aanleg gevorderd Delfland te veroordelen hun daardoor ontstane schade (nader op te maken bij staat) te vergoeden, alsmede Delfland te bevelen op straffe van een dwangsom in de Poelpolder bepaalde voorzieningen te treffen en/of werkzaamheden uit te voeren. [Eiser] c.s. hebben deze vorderingen gebaseerd op de stelling dat Delfland, hoewel hierop tevoren aangesproken door [eiser] c.s., op verwijtbare wijze heeft nagelaten tijdig preventieve maatregelen te treffen en jegens [eiser] c.s. in zijn zorgplicht is tekortgeschoten. De rechtbank heeft bij vonnis d.d. 13 augustus 2003 de vordering tot schadevergoeding, alsmede een gedeelte van de vordering tot het treffen van maatregelen afgewezen en heeft [eiser] c.s. voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. 1.3 Bij exploot van 26 september 2003 zijn [eiser] c.s. in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank. Het hof heeft bij arrest van 21 december 2006 het bestreden vonnis bekrachtigd en [eiser] c.s. veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Hierbij heeft het hof voorop gesteld dat het antwoord op de vraag hoever de verplichtingen van Delfland die voortvloeien uit zijn waterbeheerstaak, zich uitstrekken, mede afhangt van de financiële en andere middelen die Delfland ter beschikking staan, en dat aan Delfland dienaangaande een zekere beleidsvrijheid niet kan worden ontzegd. Bij de beantwoording van de vraag of Delfland jegens [eiser] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door niet, voorafgaand aan de hevige regenval van 19 september 2001, voldoende structurele maatregelen te nemen, heeft het hof bepaalde omstandigheden in aanmerking genomen die het in de rov. 4.1 t/m 4.4 bespreekt. Gelet op deze omstandigheden was het hof van oordeel dat Delfland na de calamiteit in 1998 op voortvarende en zorgvuldige wijze zijn beleid heeft aangepast, de implementatie van het aangepaste beleid ter hand heeft genomen en overgegaan is tot de uitvoering van specifieke maatregelen op korte termijn (rov. 5). Verder was het hof van oordeel dat [eiser] c.s. de stelling, dat Delfland al voor 1998 had moeten beginnen met het aanpassen van zijn waterhuishoudingsbeleid omdat er eerder als sprake was van verhevigde regenval, onvoldoende heeft onderbouwd (rov. 6). Ter zake van het optreden van Delfland op 19 september 2001 was het hof van oordeel dat door Delfland niet zodanig verkeerde keuzes zijn gemaakt dat onrechtmatig jegens [eiser] c.s. is gehandeld (rov. 10). Dat Delfland op 19 september 2001 niet direct actie heeft ondernomen op meldingen betreffende de onderhavige polder achtte het hof evenmin onrechtmatig, gelet op het feit dat in deze calamiteuze situatie Delfland een zeer groot aantal klachten uit vele hoeken heeft ontvangen, onder deze omstandigheden diende Delfland prioriteit te stellen ter zake van de inzet van medewerkers (rov. 11). 1.4 [Eiser] c.s. hebben tijdig beroep in cassatie ingesteld van het arrest van het hof d.d. 21 december 2006.(2) Delfland heeft tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd. Beide partijen hebben hierop hun standpunten doen toelichten, waarna [eiser] c.s. nog een conclusie van repliek hebben genomen. 2. Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatieberoep bestaat uit één middel dat zich met zowel rechtsklachten als motiveringsklachten richt tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.1 t/m 5, 10 en 11van het bestreden arrest) dat Delfland haar zorgplicht jegens [eiser] c.s niet heeft geschonden. 2.2 Het cassatiemiddel betoogt dat het hof heeft miskend dat het antwoord op de vraag hoever de onderhoudsplicht van het Waterschap gaat ter vermijding van het onder water lopen van laag gelegen gronden afhangt van verschillende factoren. Verder betoogt het middel dat het hof heeft miskend dat door de rechter zal moeten worden vastgesteld welke betekenis aan die verschillende factoren moet worden toegekend, waarbij rekening moet worden gehouden met een zekere marge van beleidsvrijheid, maar dat deze beleidsvrijheid niet zo ver gaat dat het optreden van het waterschap slechts marginaal getoetst kan worden. Indien het hof voorgaande rechtsregels niet heeft miskend, zo betoogt het middel, heeft het hof niet voldoende inzichtelijk gemaakt hoe het hof die regels heeft toegepast. Ook wordt betoogd dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op essentiële stellingen van [eiser] c.s. Tenslotte betoogt het middel dat het hof ten onrechte [eiser] c.s. niet heeft toegelaten tot bewijs van hun stellingen, respectievelijk tegenbewijs van hun verweren ondanks aanbiedingen daartoe en dat het hof een ontoelaatbare prognose heeft gemaakt omtrent de uitkomst van het te leveren bewijs. Klacht I 2.3 De eerste klacht in het cassatiemiddel betreft een rechtsklacht. Verwezen wordt naar de factoren genoemd door de Hoge Raad in het arrest Waterschap Bargerbeek (HR 9 oktober 1981, NJ 1982, 332) ter beoordeling van de vraag hoever de onderhoudsplicht van een Waterschap reikt. Het middel betoogt dat het hof in het bestreden arrest heeft miskend dat het antwoord op de vraag hoever de onderhoudsplicht van het Waterschap gaat ter vermijding van het onder water lopen van laag gelegen gronden afhangt van deze (door de Hoge Raad genoemde) verschillende factoren. 2.4 Naar mening kan deze klacht niet slagen. Voor zover het middel betoogt dat het hof heeft miskend dat de reikwijdte van de onderhoudsplicht van het Waterschap afhangt van verschillende factoren, mist deze klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 4 voorop gesteld dat het antwoord op de vraag hoever de verplichtingen van Delfland die voortvloeien uit zijn waterbeheerstaak, zich uitstrekken, mede afhangt van de financiële en andere middelen die Delfland ter beschikking staan. Uit rov. 4.1-4.4 en rov. 5 blijkt voldoende duidelijk dat het hof met uiteenlopende factoren heeft rekening gehouden. 2.5 Voor zover het middel betoogt dat het hof in het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet alle factoren, genoemd in het arrest Waterschap Bargerbeek, in overweging te nemen bij de beoordeling van de vraag of Delfland tekort is geschoten in zijn onderhoudsplicht, kan deze klacht ook niet slagen. De factoren genoemd in het arrest Waterschap Bargerbeek zijn niet limitatief bedoeld en dienen dus ook niet als zodanig toegepast te worden bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van een Waterschap. De Hoge Raad heeft in het arrest zelf als volgt overwogen: "Welke betekenis aan deze en dergelijke factoren in een gegeven geval moet worden toegekend, zal veelal slechts met behulp van deskundigen kunnen worden vastgesteld, terwijl dienaangaande een zekere marge van beleidsvrijheid aan het Waterschap niet kan worden ontzegd." Ook in een later arrest betreffende de aansprakelijkheid van een Waterschap heeft de Hoge Raad bevestigd dat de factoren genoemd in het arrest Waterschap Bargerbeek niet limitatief zijn. "In het arrest van 9 oktober 1981, NJ 1982, 332 (Waterschap Bargerbeek-Juurlink) heeft de Hoge Raad, ter beantwoording van de vraag hoever de onderhoudsplicht van het desbetreffende Waterschap ging ter vermijding van het onder water lopen van laag gelegen gronden door verstopping van waterwegen, overwogen dat zulks afhing van verschillende factoren, waarvan een aantal in het arrest wordt genoemd." (3) Klacht II 2.6 De tweede klacht in het cassatiemiddel betreft ook een rechtsklacht. Betoogd wordt dat het hof heeft miskend dat door de rechter zal moeten worden vastgesteld welke betekenis aan die verschillende (door de Hoge Raad genoemde) factoren moet worden toegekend, waarbij rekening moet worden gehouden met een zekere marge van beleidsvrijheid, maar dat deze beleidsvrijheid niet zo ver gaat dat het optreden van het waterschap slechts marginaal getoetst kan worden. 2.7 Naar mijn mening mist deze klacht feitelijke grondslag. De beleidsvrijheid van een Waterschap, zoals bedoeld door de Hoge Raad in het arrest Waterschap Bargerbeek, gaat niet zover dat het optreden van een Waterschap slechts marginaal getoetst kan worden.(4) Het hof heeft echter in rov. 4 van het bestreden arrest overwogen dat aan Delfland zekere beleidsvrijheid niet kan worden ontzegd bij de allocatie van de financiële en andere middelen die Delfland ter beschikking staan bij de uitoefening van zijn waterbeheerstaak. In de rov. 4.1 t/m 4.4 heeft het hof vervolgens omstandigheden in aanmerking genomen die het hof relevant acht voor de vraag of Delfland inderdaad voldoende structurele preventieve maatregelen heeft getroffen met de middelen die hem ter beschikking stonden bij de uitoefening van zijn waterbeheerstaak. Naar mijn mening kan hieruit worden opgemaakt dat het hof niet slechts een marginale toetsing heeft toegepast op het optreden van Delfland. Klacht III 2.8 De derde klacht in het cassatiemiddel betreft een motiveringsklacht. Betoogd wordt dat, voor zover het hof de hiervoor besproken jurisprudentiële regels niet heeft miskend, het hof zijn oordeel niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Het hof is verplicht, zo wordt betoogd, bij het bespreken van de gronden die relevant zijn voor de aansprakelijkheid van het Waterschap aan te geven op welke wijze het hof zich rekenschap heeft gegeven van de relevante factoren bij het beoordelen van de vraag of het Waterschap de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. Hierbij verwijst het middel naar HR 30 januari 2004, NJ 2004, 270 (Boomkwekerij Poppelaars/Waterschap Mark en Weerijs). 2.9 Naar mijn mening kan deze motiveringsklacht niet slagen. In rov. 5 van het bestreden arrest heeft het hof geoordeeld dat Delfland na de calamiteit in 1998 op voortvarende en zorgvuldige wijze zijn beleid heeft aangepast, de implementatie van het aangepaste beleid ter hand heeft genomen en overgegaan is tot de uitvoering van specifieke maatregelen op korte termijn. Dat deze implementatie op 19 september 2001 nog niet was voltooid, acht het hof niet onrechtmatig jegens [eiser] c.s. Het hof heeft dit oordeel gemotiveerd met een verwijzing naar zijn overwegingen in rov. 4.1 t/m 4.4. Naar mijn mening heeft het hof hiermee zijn oordeel dat Delfland voorafgaand aan de hevige regenval van 19 september 2001 voldoende structurele preventieve maatregelen heeft genomen, voldoende inzichtelijk gemaakt. Klacht IV 2.10 De vierde klacht in het cassatiemiddel betreft ook een motiveringsklacht. Het middel betoogt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd is, mede gelet op essentiële stellingen van [eiser] c.s., althans dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op essentiële stellingen van [eiser] c.s. Hierbij wordt verwezen naar de stellingen van [eiser] c.s. in de paragrafen 3 t/m 6, 11 en 12, 28 t/m 31, en 37 t/m 42 van de memorie van grieven. 2.11 Naar mijn mening voldoet deze klacht niet aan de eisen die hieraan worden gesteld in art. 407 lid 2 Rv. Het middel geeft op geen enkele wijze aan welke oordelen van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd zijn in het licht van welke "essentiële" stellingen van [eiser] c.s. Het middel dient het motiveringsgebrek aan te wijzen. Het gegeven dat het middel het motiveringsgebrek moet aanwijzen, brengt mee dat het niet voldoende is ter toelichting van een motiveringsklacht in het algemeen te verwijzen naar processtukken, stellingen of producties uit eerdere instanties, omdat dit in wezen het feitelijke debat heropent.(5) Ook geeft het middel op geen enkele wijze aan waarom de stellingen in feitelijke instanties, waarnaar wordt verwezen in het middel, als "essentiële" stellingen dienen te worden aangemerkt. Klacht V 2.12 Tenslotte betoogt het middel dat het hof ten onrechte [eiser] c.s. niet heeft toegelaten tot bewijs van hun stellingen, respectievelijk tegenbewijs van hun verweren ondanks aanbiedingen daartoe, althans dat het hof een ontoelaatbare prognose heeft gemaakt omtrent de uitkomst van het te leveren bewijs. Hierbij verwijst het middel naar de paragrafen 23, 33, 34 en 60 van de memorie van grieven. 2.13 In § 23 van de MvG hebben [eiser] c.s. aangeboden te bewijzen dat de zware regenval op 21 september 2001 geen uitzonderlijk voorval is geweest waar Delfland niet op bedacht had hoeven zijn. In de paragrafen 33 en 34 van de MvG hebben [eiser] c.s. zich op het standpunt gesteld dat het aan Delfland is om te bewijzen dat de schade ook zou zijn ontstaan indien geen verwijten aan Delfland zijn te maken. In § 60 hebben [eiser] c.s. aangeboden bewijs te leveren van hun stelling dat, indien de berging aan de Poelkade zou zijn gerealiseerd, er geen schade zou zijn opgetreden. 2.14 Naar mijn mening kan deze motiveringsklacht niet slagen en heeft het hof op goede gronden en voldoende begrijpelijk gemotiveerd besloten [eiser] c.s. niet toe te laten tot bewijs van hun stellingen ondanks hun aanbiedingen daartoe. Het hof heeft in rov. 8 van het bestreden arrest overwogen dat in het midden kan blijven of de op 19 september 2001 in delen van Delfland gevallen hoeveelheid regen als uitzonderlijke gebeurtenis moet worden aangemerkt omdat, ook als de op deze dag gevallen hoeveelheid regen niet groter zou zijn dan die op vergelijkbare dagen in 1998 en 1999 en niet binnen kortere tijd zou zijn gevallen, vast staat dat het waterhuishoudkundig systeem van Delfland niet op een dergelijke regenval was berekend en daarop ook niet berekend hoefde te zijn. Hiermee is het hof gemotiveerd voorbij gegaan aan het bewijsaanbod van [eiser] c.s. in § 23. De stellingen van [eiser] c.s. in de paragrafen 33 en 34 betreffen niet een bewijsaanbod aan de zijde van [eiser] c.s. maar het standpunt dat de rechtbank had moeten overgaan tot een bewijslastomkering. Deze stelling is in cassatie niet herhaald als klacht, inhoudende dat het hof had moeten overgaan tot een omkering van de bewijslast, en kan dus in cassatie buiten beschouwing blijven. In rov. 5 heeft het hof overwogen dat Delfland na de calamiteit in 1998 op voortvarende en zorgvuldige wijze zijn beleid heeft aangepast, de implementatie van het aangepaste beleid ter hand heeft genomen en is overgegaan tot de uitvoering van specifieke maatregelen op korte termijn. Het feit dat die implementatie op 19 september 2001 nog niet was voltooid en de specifieke voor [eiser] c.s. genoemde maatregelen, te weten de waterberging ten behoeve van de Poelpolder en de verbreding van de diameter van de verbindingskoker, nog niet waren uitgevoerd, acht het hof niet onrechtmatig. Hiermee is het hof naar mijn mening ook gemotiveerd voorbij gegaan aan het bewijsaanbod van [eiser] c.s. in § 60 van de MvG. 3. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Zoals vastgesteld door het hof in rov. 1 van het arrest d.d. 21 december 2006. 2 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 21 maart 2007. 3 HR 9 november 2001, NJ 2002, 446 4 Zie HR 9 november 2001, NJ 2002, 446. 5 Zie A. ter Heide, 'Het cassatiemiddel in burgerlijke zaken', in WB der Nederlanden, WLP, 2003, p. 199


Uitspraak

14 november 2008 Eerste Kamer Nr. C07/104HR EV/EE Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1], gevestigd te [vestigingsplaats], 2. [Eiseres 2], gevestigd te [vestigingsplaats], 3. [Eiser 3], wonende te [woonplaats], 4. [Eiser 4], wonende te [woonplaats], 5. [Eiser 5], wonende te [woonplaats], 6. [Eiseres 6], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens, t e g e n HET HOOGHEEMRAADSCHAP VAN DELFLAND, gevestigd te Delft, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. D.M. de Knijff. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en Delfland. 1. Het geding in feitelijke instanties [Eiser] c.s. hebben bij exploot van 31 januari 2002 Delfland gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd, kort gezegd, Delfland te veroordelen om aan [eiser] c.s. te voldoen de schade op te maken bij staat, met rente en kosten alsmede Delfland te bevelen op straffe van een dwangsom in de Poelpolder bepaalde voorzieningen te treffen en/of werkzaamheden uit te voeren. Delfland heeft de vorderingen bestreden. De rechtbank heeft bij vonnis van 13 augustus 2003 de vordering tot schadevergoeding en een gedeelte van de vordering tot het treffen van maatregelen afgewezen en [eiser] c.s. voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit vonnis hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 21 december 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Delfland heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat, voor Delfland door mr. T. Riyazi, advocaat bij de Hoge Raad. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping. 3. Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Delfland begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 november 2008.