Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1893

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6478 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Urenbeperking?


Uitspraak

06/6478 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2006, 06/1004 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. T. Voortman-Foppen, werkzaam bij De Unie te Culemborg, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Voortman-Foppen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael. II. OVERWEGINGEN 1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende. 1.2. Bij beslissing op bezwaar van 16 februari 2006 (bestreden besluit) heeft het Uwv appellante met ingang van 16 oktober 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. 2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit wegens een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. 2.2. Ten aanzien van appellantes grief dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv afdoende heeft gemotiveerd waarom daar in het geval van appellante geen sprake van hoeft te zijn. De omstandigheid dat de door het Uwv als deskundige geraadpleegde neuroloog J.F.L.M. van Kemenade in zijn rapport van 1 mei 2001 heeft vermeld dat het niet verstandig zou zijn om appellante zwaarder te belasten dan de 20 uren die zij op dat moment werkte, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om ten aanzien van dit punt anders te oordelen. In dat verband acht de rechtbank van belang dat deze opmerking van de deskundige is gedaan buiten het kader van de aan hem voorgelegde vraagstelling, die inhield of er bij appellante als gevolg van de depressie/burnout nog objectiveerbare beperkingen, zoals concentratiestoornissen, vergeetachtigheid en het werken onder grote tijdsdruk bestonden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsarts – en niet de psycholoog – bij uitstek de deskundigheid bezit om te beoordelen wat de gevolgen zijn van het bestaan van bepaalde medische beperkingen voor de mogelijkheid om arbeid te verrichten. Ten aanzien van appellantes grief dat zij niet geschikt is voor de functie statistisch analist/statistisch onderzoeker (FB-code 0852, functienummer 8464-0012-003) heeft de rechtbank geoordeeld dat deze functie terecht geschikt is geacht, nu appellante voldoet aan het vereiste opleidingsniveau en nu kennis van wiskunde en sociologie gewenst zijn, doch volgens de Arbeidsmogelijkhedenlijst niet gelden als een vereiste. 3. Appellante heeft in hoger beroep haar tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde medische en arbeidskundige grieven herhaald. Daarnaast stelt zij zich op het standpunt dat ten onrechte is voorbijgegaan aan de brief van de neuroloog J.W. Stenvers van 7 mei 2004, die volgens appellante heeft aangegeven dat zij niet langer dan 2,5 uur per dag achter een computer kan werken. Tenslotte heeft appellante in hoger beroep informatie van de behandelend sector ingebracht, waaruit volgens haar dient te worden afgeleid dat in 2004 de diagnose fibromyalgie is gesteld en dat de gewrichtsklachten ook in 1993 al bestonden. 4. De Raad kan met de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van de schatting onderschrijven en maakt haar overwegingen tot de zijne. 4.2. Met betrekking tot de grief van appellante ten aanzien van de brief van neuroloog Stenvers stelt de Raad vast dat bezwaarverzekeringsarts Koek in reactie op deze brief in haar rapport van 21 juni 2007 heeft aangegeven dat Stenvers appellante pas in 2004 heeft gezien, nadat appellantes klachten blijkens deze brief in 2003 waren toegenomen. Koek is dan ook van mening dat de brief van Stenvers informatie betreft ten aanzien van een gewijzigd medisch ziektebeeld en dat deze informatie voor de beperkingen en functionele mogelijkheden bij de beoordeling in 2000 niet konden worden meegenomen. De Raad kan zich vinden in hetgeen bezwaarverzekeringsarts Koek terzake heeft gesteld. 4.3. Tot slot is de Raad van oordeel dat ook de door appellante in hoger beroep ingebrachte informatie van de behandelend sector niet leidt tot de conclusie dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met haar beperkingen. 5. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. 6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008. (get.) C.P.M. van de Kerkhof. (get.) A.C. Palmboom. JL