Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1892

Datum uitspraak2008-11-14
Datum gepubliceerd2008-11-17
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC07/106HR
Statusgepubliceerd


Indicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Geschil tussen tuinbouwbedrijf en waterschap over schade wegens falend peilbeheer (81 RO).


Conclusie anoniem

Rolnr. C07/106HR mr. L. Timmerman Zitting 19 september 2008 Conclusie inzake: 1. [Eiseres 1], 2. [Eiser 2], 3. [Eiser 3]. (hierna: [eiser] c.s.) Eisers tot cassatie tegen Het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland) Verweerster in cassatie 1. Feiten(1) en procesverloop 1.1 [Eiser] c.s. exploiteren een tuinbouwbedrijf met kassen in de [A-polder] te [plaats] aan de [a-straat]. Aan de overzijde van de [a-straat] - gezien vanuit het bedrijf van [eiser] c.s. - ligt de Kralingenpolder. Het regenwater van de percelen van [eiser] c.s. wordt afgevoerd naar een eigen beregeningsbassin en het overtollige water naar een sloot die parallel loopt aan de [a-straat]. In die sloot bevindt zich ter hoogte van ongeveer het midden van de kasbreedte een stuw. In het slootgedeelte achter de stuw wordt water van elders aangevoerd, onder andere vanuit de Kralingerpolder via een duiker onder de Burgerweg. 1.2 Op 19 september 2001 heeft het hevig geregend waardoor uiteindelijk water vanuit het slootgedeelte achter de stuw over de oever is gestroomd en de gronden van - onder meer - [eiser] c.s. heeft geïnundeerd. 1.3 [Eiser] c.s. hebben Delfland aansprakelijk gesteld voor de geleden schade en stellen dat Delfland voor onvoldoende wateropvang heeft gezorgd en de ter plaatse aanwezige afwateringssystematiek onvoldoende heeft aangepast waardoor het overtollige water van de Kralingerpolder terecht is gekomen in het slootgedeelte achter de stuw bij het bedrijf van [eiser] c.s. Voorts stellen [eiser] c.s. dat Delfland voor en op 19 september 2001 niet adequaat heeft gehandeld ter voorkoming van wateroverlast, door niet te reageren op waarschuwingen van [eiser] c.s., door te handelen in strijd met het peilbesluit en door zich niet te houden aan het door Delfland zelf opgestelde calamiteitenplan. 1.4 Delfland betwist dat het voor onvoldoende wateropvang heeft gezorgd en de ter plaatse aanwezige afwateringssystematiek onvoldoende heeft aangepast bij de bebouwing van de Kralingerpolder. De Oude Campsepolder is volgens Delfland betrokken geweest bij het reconstructieplan Midden-Delfland, deelplan Gaag, waarbij de waterhuishouding van meerdere polders op elkaar is afgestemd, (mede) in verband met de bestemming van het gehele gebied. Dit plan is in 1990 door Gedeputeerde Staten vastgesteld waarbij inspraak voor de belanghebbenden tot de mogelijkheden behoorde. Er is in het plan geanticipeerd op bebouwing van de polder, waaronder ook de glastuinbouw van de Kralingerpolder, aldus Delfland. 1.5 De rechtbank heeft bij vonnis van 13 augustus 2003 de vordering van [eiser] c.s. afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe dat niet duidelijk is waarom Delfland al vanaf 1998 op de hoogte zou zijn van problematiek in de Oude Campsepolder en actie had moeten ondernemen. Delfland heeft immers ten verwere - onweersproken - gesteld dat [eiser] c.s. voor september 2001 geen klachten hebben ingediend en dat zij bij de hevige regenval in 1998 geen wateroverlast hebben gehad, zodat Delfland op deze grond geen reden had om al na 1998 maatregelen te nemen (rov. 3.1). Vervolgens heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of Delfland voor en op 19 september adequaat heeft gehandeld, hetgeen [eiser] c.s. betwisten. Delfland heeft ten verwere gesteld dat de regenval op 19 september 2001 een unieke gebeurtenis betrof, waarbij in 13 uur 106 mm regen viel, hetgeen nog niet eerder was voorgekomen. De rechtbank overwoog dat, nu [eiser] c.s. de door Delfland gestelde neerslaggegevens niet heeft weersproken, zij het ervoor moet houden dat het inderdaad een qua regenval uitzonderlijke gebeurtenis is geweest en dat Delfland daarop, alle omstandigheden in aanmerking genomen, adequaat heeft ingespeeld (rov. 3.3). De rechtbank overwoog verder dat zelfs met het gereedkomen van het totale pakket aan structurele maatregelen die Delfland heeft uitgewerkt na 1998, de verwerkingscapaciteit in de boezem ongeveer 95 mm per 48 uur wordt. Volgens Delfland blijft dit te weinig om een extreme regenval in relatief korte tijd zoals zich op 19 september 2001 heeft voorgedaan, te verwerken. Naar het oordeel van de rechtbank moet het ervoor worden gehouden dat inundatie van de terreinen van [eiser] c.s. op 19 september 2001 niet te voorkomen was geweest en dat Delfland in deze een beroep op overmacht toekomt (rov. 3.4). Naar het oordeel van de rechtbank stuiten ook de stellingen van [eiser] c.s. dat Delfland niet heeft gereageerd op waarschuwingen van [eiser] c.s., het heeft gehandeld in strijd met het peilbesluit en zijn eigen calamiteitenplan niet zou hebben gevolgd, eveneens af op voornoemde overmachtsituatie (rov. 3.5). 1.6 Bij exploot van 26 september 2003 zijn [eiser] c.s. in hoger beroep gekomen van het vonnis van 13 augustus 2003. 1.7 Bij arrest van 21 december 2006 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Het hof heeft daartoe als volgt overwogen. Het hof heeft voorop gesteld dat het antwoord op de vraag hoever de verplichtingen van Delfland, die voortvloeien uit zijn waterbeheerstaak, zich uitstrekken, mede afhangt van de financiële en andere middelen die Delfland ter beschikking staan, en dat aan Delfland dienaangaande een zekere beleidsvrijheid niet kan worden ontzegd (rov. 4). Gelet op de overwegingen in rov. 4.1 t/m 4.4 was het hof van oordeel dat Delfland na de calamiteit in 1998 op voortvarende en zorgvuldige wijze zijn beleid heeft aangepast, de implementatie van het aangepaste beleid ter hand heeft genomen en is overgegaan tot de uitvoering van specifieke maatregelen op korte termijn. Dat die implementatie op 19 september 2001 nog niet was voltooid, acht het hof niet onrechtmatig, waarbij bedacht moet worden dat het gaat om omvangrijke programma's van maatregelen, waarvan een aantal een grote investering vergt, dat ingrepen in het waterhuishoudkundig systeem in onderlinge samenhang dienen te worden genomen en dat ook bij de inzet van ambtelijke capaciteit prioriteit moet worden gesteld (rov. 5). Dat Delfland al voor 1998 had moeten beginnen met aanpassen van zijn waterhuishoudingsbeleid omdat er eerder al sprake was van verhevigde regenval, hebben [eiser] c.s. onvoldoende onderbouwd, naar het oordeel van het hof (rov. 6). Ter zake van het optreden van Delfland op 19 september 2001 heeft Delfland in den brede onder verwijzing naar evaluatierapporten uiteengezet hoe de opschaling van de activiteiten heeft plaatsgevonden en hoe met de inzet van noodmateriaal en bergingen is omgegaan. Het hof was van oordeel dat op deze punten door Delfland niet zodanige verkeerde keuzes zijn gemaakt dat onrechtmatig jegens [eiser] c.s. is gehandeld (rov. 11). Met betrekking tot de stelling van [eiser] c.s. dat Delfland al jarenlang het slootonderhoud had verwaarloosd door de sloten niet te baggeren en niet op breedte te houden, was het hof van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat Delfland ter zake van het onderhoud van de sloten in de Oude Campse polder onrechtmatig is tekort geschoten (rov. 13). 1.8 [Eiser] c.s. hebben tijdig beroep in cassatie ingesteld van het arrest van het hof d.d. 21 december 2006.(2) 2. Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 8 van het bestreden arrest) dat Delfland niet aansprakelijk is voor de door [eiser] c.s. geleden schade als gevolg van het onder water lopen van het bedrijf van [eiser] c.s. door water uit de naastgelegen polder via de duiker naar de sloot naast het bedrijf van [eiser] c.s. te laten stromen omdat [eiser] c.s. hun stellingen dat Delfland nalatig is geweest onvoldoende hebben onderbouwd. Het cassatiemiddel is onderverdeeld in drie onderdelen. Onderdeel a betoogt dat het hof ten onrechte het beroep van Delfland op eigen schuld respectievelijk nalatigheid van [eiser] c.s. heeft gehonoreerd ten aanzien van de schending van de vergunningvoorschriften voor de duiker. Onderdeel b betoogt dat het oordeel van het hof dat alle aansprakelijkheid voor wat betreft het niet nakomen van het vergunningvoorschrift op [eiser] c.s. rust rechtens onjuist is, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is. Onderdeel c betoogt dat het hof heeft miskend dat in geval een duiker en/of andere waterstaatswerk aangelegd is door particulieren met vergunning van het waterschap dit gegeven Delfland niet ontheft van haar zorgplicht ten aanzien van die werken. Onderdeel a 2.2 Onderdeel a betoogt dat het hof in rov. 8 van het bestreden arrest ten onrechte dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, het beroep van Delfland op de eigen schuld, althans de schadebeperkingplicht van [eiser] c.s. heeft gehonoreerd. Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat een vergunning voor het hebben van een duiker verleend aan een rechtsvoorganger van [eiser] c.s. nog niet maakt dat [eiser] c.s. gebonden is aan die vergunning. Betoogd wordt dat het hof heeft miskend dat overgang van een onderneming geen overgang van een schuld of verplichting van die onderneming inhoudt. Het onderdeel betoogt dat indien het hof voorgaande rechtsregels niet heeft miskend, het oordeel van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd is mede gelet op essentiële stellingen van [eiser] c.s. op dit punt. 2.3 Het hof heeft in rov. 8 van het bestreden arrest als volgt overwogen: "Delfland heeft er voorts op gewezen dat voor de duiker onder de Burgerweg in het verleden vergunning is verleend aan onder meer het bedrijf van [eisers] met het voorschrift dat daarin een afsluiter aanwezig diende te zijn en dat ter plaatse van een betonnen schut een elektrische pomp aanwezig moest zijn. Delfland heeft een afschrift van de betreffende stukken als producties overgelegd. Na 19 september 2001 heeft Delfland geconstateerd dat in strijd met dat voorschrift deze voorzieningen niet aanwezig waren; hij stelt dat daardoor op 19 september 2001 het water uit de sloot naast het perceel van [eiser] c.s. niet tijdig kon worden afgevoerd en water vanuit de Kralingerpolder in de Oude Campse polder heeft kunnen stromen. Volgens Delfland zou de schade zijn voorkomen, althans zijn beperkt als [eiser] c.s. zouden hebben voldaan aan deze voorschriften. [eiser] c.s. hebben op deze verweren met niet meer gereageerd dan met de herhaling van hun stellingen ter zake van de Kralingerpolder en de betwisting dat de vergunning aan hen is verleend. Dat is naar het oordeel van het hof onvoldoende. (...) Tegenover de stelling dat de vergunning onder meer aan een rechtsvoorganger van de vennootschap onder firma [eiseres 1] is verleend, volstaat niet het verweer dat dat een voorval in de jaren '80 van de vorige eeuw betreft en dat zij van de vergunning geen weet hebben." 2.4 Bij de bespreking van de rechts- en motiveringsklacht tegen bovenstaand oordeel van het hof met betrekking tot de stelling van Delfland dat de schade zou zijn voorkomen althans zou zijn beperkt indien [eiser] c.s. aan de vergunningvoorschriften hadden voldaan, dient voorop te worden gesteld dat de uitleg die het hof geeft aan processtukken en de vaststelling van de strekking van een stelling of verweer een feitelijke beslissing betreft die in cassatie slechts marginaal getoetst kan worden op begrijpelijkheid. Hetzelfde geldt voor de waardering van bewijsmiddelen.(3) Naar mijn mening kunnen de klachten in onderdeel a niet slagen. Het oordeel van het hof dat, tegenover de stelling dat de vergunning onder meer aan een rechtsvoorganger van de vennootschap onder firma [eiseres 1] is verleend, niet volstaat het verweer dat dat een voorval in de jaren '80 van de vorige eeuw betreft en dat [eiser] c.s. van de vergunning geen weet hebben, berust op een feitelijke waardering van de bewijsmiddelen en is naar mijn mening niet onbegrijpelijk in het licht van de verdere overwegingen van het hof in rov. 8. Het hof heeft in rov. 8 gewezen op een afschrift van de door Delfland bedoelde vergunning met betrekking tot de duiker en de daarin vermelde voorschriften (prod. 2 CvA). In deze door Delfland afgegeven vergunning op 6 augustus 1981 is onder meer vermeld dat de vergunning is verleend aan [betrokkene 1], [a-straat 1] te [plaats] als eigenaar van het kadastrale perceel gemeente Maasland, sectie [A], nr. [001] en zijn rechtverkrijgenden. Naar mijn mening is, in het licht van de inhoud van de vergunning uit 1981, het oordeel van het hof, dat het verweer van [eiser] c.s. op dit punt niet volstaat, niet onbegrijpelijk. Het had op de weg van [eiser] c.s. gelegen om aan te tonen dat zij niet gebonden waren aan deze vergunning omdat zij niet tot de rechtverkrijgenden van de oorspronkelijke vergunninghouder behoren. 2.5 Ten overvloede kan opgemerkt worden dat de rechtsklacht gericht tegen het bovenstaande oordeel van het hof niet kan slagen. De stelling dat een publiekrechtelijke vergunning in beginsel alleen gericht is tot degene op wiens naam die vergunning staat en niet van rechtswege over gaat op rechtsopvolgers gaat in zijn algemeenheid niet op. Een vergunning kan immers ook inrichtingsgebonden zijn, zoals bedoeld in art. 8.20 Wet Milieubeheer, en geldt dan voor een ieder die de inrichting drijft, en dus ook van rechtswege voor de rechtsopvolgers van de vergunninghouder(4). Onderdeel b 2.6 Onderdeel b betoogt dat het hof heeft miskend dat in het geval een schadeveroorzakend feit mede te wijten is aan eigen schuld het hof "een afweging" moet wijden aan de verdeling van de mate van causaliteit en aan de billijkheidscorrectie. Verder betoogt het onderdeel dat het hof heeft miskend dat het feit dat een aansprakelijke persoon (in casu Delfland) in een positie was om de schade te voorkomen of te beperken, maar de aansprakelijke persoon dit niet heeft gedaan, kan meebrengen dat de aansprakelijke partij zich niet kan beroepen op eigen schuld van de benadeelde ([eiser] c.s.), bestaande in het niet nakomen van een schadebeperkingplicht door de benadeelde. Ook betoogt het onderdeel dat het hof heeft miskend dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van een beroep op eigen schuld door het niet nakomen van de plichten omschreven in de vergunning uit 1981 op Delfland rust en niet op [eiser] c.s. Het onderdeel betoogt verder dat het hof heeft miskend dat wanneer een vergunning wordt verleend aan meerdere partijen, niet nakoming van de voorwaarden door één of meerdere of alle vergunninghouders, dit gegeven Delfland niet ontheft van haar zorgplicht ten opzichte van de individuele vergunninghouders. Tenslotte betoogt het onderdeel dat, indien het hof de bovengenoemde rechtsregels niet heeft geschonden, het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe het hof deze regels heeft toegepast en zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd is omdat het hof niet is ingegaan op essentiële stellingen van [eiser] c.s. ter zake. 2.7 Naar mijn mening missen alle klachten in onderdeel b feitelijke grondslag. De klachten in onderdeel b zijn alle gebaseerd op de vooronderstelling dat het hof in rov. 8 een beroep van Delfland op eigen schuld van [eiser] c.s. heeft gehonoreerd en de schadevergoedingsplicht van Delfland daarop heeft aangepast. Naar mijn mening berust deze vooronderstelling op een onjuiste lezing van de overwegingen van het hof in rov. 8 van het bestreden arrest. Het hof heeft in rov. 8 niet tot uitdrukking gebracht dat er sprake zou zijn van een situatie van eigen schuld aan de zijde van [eiser] c.s., zoals bedoeld in art. 6:101 lid 1 BW, zodat de schadevergoedingsplicht van Delfland verminderd moet worden met de mate van eigen schuld van [eiser] c.s. Het hof is niet toegekomen aan een beoordeling van de eigen schuld in casu omdat het van oordeel was dat er geen sprake was van enig nalaten en dus van aansprakelijkheid aan de zijde van Delfland. 2.8 Het uiteindelijke oordeel van het hof in rov. 8 is dat niet voldoende onderbouwd is dat Delfland jegens [eiser] c.s. onrechtmatig nalatig is geweest. De overwegingen van het hof in rov. 8 hebben betrekking op de stelling van [eiser] c.s. dat Delfland aansprakelijk is voor de door [eiser] c.s. geleden schade omdat Delfland nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de schade te voorkomen. Het hof heeft echter overwogen dat [eiser] c.s. niet geslaagd zijn in de onderbouwing van deze stelling zodat niet is komen vast te staan dat Delfland nalatig is geweest en dus ook niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de door [eiser] c.s. geleden schade. Naar het oordeel van het hof is er dus geen sprake van een situatie waar de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, maar van een situatie waar de schade in het geheel niet kan worden toegerekend aan de aansprakelijk gestelde persoon, zodat het hof niet toekomt aan de beoordeling van een eventuele mate van eigen schuld. Naar mijn mening gaan alle klachten in onderdeel b uit van een onjuiste lezing van de overwegingen in rov. 8 van het bestreden arrest en missen om deze reden feitelijke grondslag. Onderdeel c 2.9 Onderdeel c betoogt dat het hof heeft miskend dat in het geval van een duiker en/of andere waterstaatswerken aangelegd door particulieren met een vergunning van het waterschap dit gegeven Delfland niet ontheft van haar zorgplicht ten aanzien van het aan haar zorg toevertrouwde gebied. Verder betoogt het onderdeel dat voorzover het hof de voorgaande rechtsregel niet heeft miskend, het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe het deze rechtsregel heeft toegepast, dan wel het oordeel van het hof onbegrijpelijk is gemotiveerd in het licht van essentiële stellingen van [eiser] c.s. 2.10 Naar mijn mening missen ook de klachten in onderdeel c feitelijke grondslag. Uit de overwegingen van het hof in rov. 8 kan niet opgemaakt worden dat het hof van mening is dat het verlenen van de vergunning aan onder meer [eiser] c.s. voor het aanleggen van de duiker Delfland ontheft van de zorgplicht voor de waterhuishouding in de Kralingerpolder. Het hof heeft in rov. 8 ondermeer als volgt overwogen: "Volgens Delfland zou de schade zijn voorkomen, althans zijn beperkt als [eiser] c.s. zouden hebben voldaan aan deze voorschriften. [Eiser] c.s. hebben op deze verweren met niet meer gereageerd dan met de herhaling van hun stellingen ter zake van de Kralingerpolder en de betwisting dat de vergunning aan hen is verleend. Dat is naar het oordeel van het hof onvoldoende. Van [eiser] c.s. mocht verwacht worden dat zij hun stelling dat de waterbergings- en afvoercapaciteit van de Kralingerpolder onvoldoende was, als reactie op het verweer nader zouden substantiëren en dat zij zouden specificeren wanneer en hoe zij over dit tekort bij Delfland hebben geklaagd. Tegenover de stelling dat de vergunning onder meer aan een rechtsvoorganger van de vennootschap onder firma [eiseres 1] is verleend, volstaat niet het verweer dat dat een voorval in de jaren '80 van de vorige eeuw betreft en dat zij van de vergunning geen weet hebben." Naar mijn mening kan uit de onderstreepte overweging van het hof opgemaakt worden dat het hof van oordeel is dat, onafhankelijk van de vergunningverlening voor de duiker onder de Burgerweg, Delfland een zorgplicht heeft voor de waterhuishouding in de Kralingerpolder en dat het oordeel van het hof omtrent de aansprakelijkheid van Delfland wellicht anders zou zijn geweest in het geval de stellingen van [eiser] c.s. met betrekking tot de nalatigheid van Delfland nader onderbouwd zouden zijn geweest. De in cassatie bestreden beslissing van het hof betreft in de kern een feitelijke beslissing omtrent de substantiëringsplicht van [eiser] c.s. Naar mijn mening heeft het hof in rov. 8 geoordeeld dat [eiser] c.s. niet geslaagd zijn in het aannemelijk maken van hun stelling dat Delfland nalatig is geweest ten aanzien van haar zorgplicht voor de waterhuishouding in de Kralingerpolder en het treffen van voldoende maatregelen om de schade te voorkomen, zoals deze door [eiser] c.s. is geleden. De klachten in onderdeel c zijn echter gebaseerd op de stelling dat het hof (in rov. 8) van oordeel is geweest dat Delfland na de vergunningverlening geen zorgplicht meer had voor de waterhuishouding in de Kralingerpolder. De klachten berusten hiermee op een onjuiste lezing van het arrest en kunnen naar mijn mening niet tot cassatie leiden. 3. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Zoals vastgesteld door de rechtbank in het vonnis d.d. 13 augustus 2003. 2 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 20 maart 2007. 3 Zie Asser, 'Civiel Cassatie', Ars Aequi Libri (2003), p. 49 en Asser procesrecht/Veegens-Korthals Altes- Groen (2005), nr. 103. 4 Zie bijv. Hof 's-Hertogenbosch, 5 september 2006, AB 2007, 43.


Uitspraak

14 november 2008 Eerste Kamer Nr. C07/106HR RM/EE Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1], gevestigd te [vestigingsplaats], alsmede haar vennoten: 2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats], 3. [Eiser 3], wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens, t e g e n HET HOOGHEEMRAADSCHAP VAN DELFLAND, gevestigd te Delft, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. D.M. de Knijff. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en Delfland. 1. Het geding in feitelijke instanties [Eiser] c.s. hebben bij exploot van 16 september 2002 Delfland gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage en gevorderd, kort gezegd, Delfland te veroordelen om aan [eiser] c.s. schadevergoeding te voldoen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met rente en kosten. Delfland heeft de vordering bestreden. De rechtbank heeft bij vonnis van 13 augustus 2003 de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 21 december 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Delfland heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat en voor Delfland door mr. T. Riyazi, advocaat bij de Hoge Raad. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping. 3. Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Delfland begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 november 2008.