
Jurisprudentie
BF1884
Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/222 WAZ
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/222 WAZ
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag? Raadpleging behandelend artsen?
Uitspraak
07/222 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 november 2006, 06/739 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft J.H.J. Wiegman hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De heer Wiegman heeft nadere gronden ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2008. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.M. Snippe.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was werkzaam als zelfstandig judoleraar toen hij uitviel met vermoeidheidsklachten en suikerziekte.
1.2. Op 3 mei 2005 heeft appellant een (herhaalde) aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).
2.1. Bij besluit van 27 juli 2005 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 30 juni 2002 een WAZ-uitkering toe te kennen, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25% is.
2.2. Bij besluit van 12 mei 2006, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het onder 2.1. vermelde besluit ongegrond verklaard.
3.1. De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat er onvoldoende medisch onderzoek is gedaan. Evenmin is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsartsen, door geen MRI-scan te laten maken, onzorgvuldig dan wel onrechtmatig hebben gehandeld. De rechtbank concludeert dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant geen tekortkomingen heeft en dat ook anderszins geen twijfel bestaat aan de juistheid van de vaststelling van de beperkingen.
3.2. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de arbeidskundige grondslag van de schatting voor onjuist te houden, zodat de rechtbank tot de conclusie komt dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft geweigerd appellant met ingang van 30 juni 2002 in aanmerking te brengen voor een WAZ-uitkering. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep heeft appellant in essentie dezelfde grieven als in bezwaar en in eerste aanleg naar voren gebracht. Deze grieven komen erop neer dat het Uwv volledig voorbij is gegaan aan de mededeling van appellant dat zij in contact moesten treden met de behandelende arts(en) en specialist(en) en dat er een MRI-scan gemaakt had moeten worden van de nek tot en met de onderkant van de rug.
5.1. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. De Raad overweegt dat hij zich stelt achter het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsartsen door het niet laten maken van een MRI-scan, niet onzorgvuldig dan wel onrechtmatig hebben gehandeld. De Raad merkt daarbij nog op dat van de zijde van appellant ook in hoger beroep geen medische gegevens zijn overgelegd die kunnen dienen ter onderbouwing van zijn eigen opvatting inzake de ernst van zijn gezondheidssituatie en de daaruit voor hem voortvloeiende arbeidsbeperkingen.
5.2. Met betrekking tot de grief dat de (bezwaarverzekerings)arts geen contact heeft opgenomen met de behandelende sector, merkt de Raad op dat een medisch oordeel inzake de beperkingen van een verzekerde dient te zijn gebaseerd op een volledig en voldoende medisch onderzoek. Volgens vaste jurisprudentie - verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 12 mei 2000, gepubliceerd in RSV 2000/147 - kan het niet inwinnen van informatie bij de (voorheen) behandelende arts(en) meebrengen dat het onderzoek niet aan deze eis voldoet, maar het niet inwinnen van deze informatie brengt niet zonder meer, in alle gevallen mee dat het onderzoek als onzorgvuldig moet worden beoordeeld.
5.3. Zoals de Raad reeds meermaals als zijn oordeel te kennen heeft gegeven (verwezen wordt naar zijn uitspraak van 16 september 2003, gepubliceerd in AB 2003/449) is raadpleging van de behandelende sector aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelende sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over diens beperkingen.
5.4. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, zodat appellant niet kan worden gevolgd in zijn opvatting dat de bezwaarverzekeringsarts gehouden was tot het inwinnen van meerbedoelde informatie. Onduidelijk is overigens bij welke behandelende artsen en specialisten om informatie gevraagd had moeten worden, nu niet gebleken is dat appellant ten tijde van de in geding zijnde datum onder behandeling is geweest.
6. Ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant zorgvuldig zijn vastgesteld en voorts niet zijn onderschat, staat ook voor de Raad ten slotte genoegzaam vast dat appellant ten tijde hier van belang in staat was de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.
7. Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
8. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 september 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W.R. de Vries.