
Jurisprudentie
BF1882
Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/778 WAZ + 07/779 WAZ
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/778 WAZ + 07/779 WAZ
Statusgepubliceerd
Indicatie
WAZ-uitkering. Anticumulatie. Terugvordering onverschuldigd betaalde uitkering.
Uitspraak
07/778 WAZ
07/779 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 december 2006, 05/2937 en 06/301 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.J. Vereijken, advocaat te Veldhoven, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.A.G.T. Heijmans.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar wat de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Bij besluit van 17 augustus 2005 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen een besluit van 19 april 2005 betreffende zijn aanspraken op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ongegrond verklaard.
Met laatstgenoemd besluit heeft het Uwv beslist dat de inkomsten uit arbeid van appellant vanaf 1 januari 2003 van invloed zijn op de uitbetaling van zijn uitkering, in die mate dat zijn uitkering vanaf genoemde datum wordt uitbetaald op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
1.3. Bij besluit van 14 december 2005 heeft het Uwv gehandhaafd het besluit van 11 augustus 2005, waarbij van appellant is teruggevorderd het bedrag dat naar het oordeel van het Uwv aan appellant over de periode van 1 januari 2003 tot 1 mei 2005 onverschuldigd aan WAZ-uitkering is betaald ter hoogte van € 6.438,26.
2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 17 augustus 2005 gegrond verklaard en het besluit vernietigd voorzover het betreft de periode waarover de inkomsten van appellant op zijn WAZ-uitkering zijn gekort. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de WAZ-uitkering in verband met de genoten inkomsten over de periode van 1 januari 2003 tot 26 maart 2005 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% aan appellant dient te worden uitbetaald, waarbij de rechtbank tevens heeft bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft tevens gelast dat aan appellant het betaalde griffierecht dient te worden vergoed.
2.2. Het beroep van appellant tegen het terugvorderingsbesluit van 14 december 2005 is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat alleen over de periode van 1 januari 2003 tot 26 maart 2005 sprake is van onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering in verband met de korting van de inkomsten van appellant. Aangezien het Uwv echter per abuis het bedrag waarmee het terugvorderingsbedrag in verband met de aanpassing van de periode diende te worden gecorrigeerd, dat nog niet door appellant aan het Uwv was voldaan, op de rekening van appellant heeft gestort en daarmee (alsnog) onverschuldigd aan appellant heeft betaald, is de hoogte van het in het primaire besluit opgenomen terugvorderingsbedrag ongewijzigd gebleven.
3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de korting van zijn inkomsten met terugwerkende kracht op zijn WAZ-uitkering in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en dat zich in dit geval niet de uitzondering voordoet, dat appellant wist of redelijkerwijs geacht kon worden te weten, dat de hoogte van zijn inkomsten van invloed konden zijn op zijn uitkering.
4.1. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak in overweging 16. heeft overwogen. Ook de Raad is van oordeel dat het Uwv niet in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel door de inkomsten van appellant met terugwerkende kracht bij de bepaling van de hoogte van zijn WAZ-uitkering te betrekken. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige B. van Dijk van 27 augustus 2001 en uit zijn brief aan appellant van dezelfde datum, komt naar voren dat de arbeidsdeskundige met appellant heeft besproken dat maximaal 10 uur doorwerken in zijn eigen bedrijf naar verwachting geen invloed zal hebben op zijn mate van arbeidsongeschiktheid. Blijkens deze stukken is deze verwachting ook gerelateerd aan de lage bedrijfswinst van appellant en is door de arbeidsdeskundige niet aangegeven dat hogere verdiensten of minder dan 10 uren werken in loondienst niet van invloed zullen zijn op de hoogte van de uitkering van appellant. Dat appellant mogelijk zelf hieruit heeft geconcludeerd dat inkomsten uit werkzaamheden als zelfstandige en in loondienst, zolang hij maar minder dan 10 uren per week zou werken, zijn uitkering niet zullen beïnvloeden, komt naar het oordeel van de Raad voor zijn rekening. Appellant had redelijkerwijs moeten beseffen dat de inkomsten van zijn werkzaamheden bij [naam bedrijf] in [vestigingsplaats], al dan niet in loondienst, gevolgen zouden kunnen hebben voor de hoogte van zijn WAZ-uitkering, ook nu appellant op de hoogte was van de hoogte van zijn maatmaninkomen. Dat appellant wel alle loongegevens altijd tijdig aan het Uwv heeft gezonden en het Uwv sneller had kunnen reageren dan in casu is gebeurd, kan hieraan niet afdoen. Het Uwv heeft daarom de betaling van de WAZ-uitkering terecht over de periode van 1 januari 2003 tot 26 maart 2005 gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
4.2. Appellant heeft tegen de beslissing van de rechtbank omtrent het terugvorderingsbesluit geen zelfstandige grieven in hoger beroep aangevoerd.
5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover deze door appellant is aangevochten.
6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 september 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.C. Palmboom.
RB