Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1879

Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGemeensch. Hof van Justitie v.d. Ned. Antillen en Aruba
ZaaknummersHAR 13/08
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoeker was niet 'op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig' als bedoeld in art. 5 Rw Ned. Deze bepaling kan niet aldus worden uitgelegd dat een (buitenwettelijke) adoptie in Aruba van een ten tijde van het verzoek (of ten tijde van de uitspraak) meerderjarig kind tot Nederlanderschap leidt. Geen sprake van discriminatie of schending art. 8 EVRM


Uitspraak

Registratienr. HAR 13/08 Uitspraak: 16 september 2008 BESCHIKKING GEGEVEN DOOR HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA In de zaak van: 1. [naam verzoeker], wonende in Aruba, verzoeker, gemachtigde: mr. D.G. Kock, belanghebbenden: 2. de Minister van Justitie van Aruba, 3. het Openbaar Ministerie van Aruba, 4. het Hoofd Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister van Aruba. 1. Het verloop van de procedure 1.1. Bij op 12 maart 2008 ingekomen verzoekschrift ingevolge artikel 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna ook: RwNed), met producties, heeft verzoeker het Hof verzocht vast te stellen dat hij sedert 1 november 2007, in ieder geval sedert 1 februari 2008, dan wel met ingang van een door het Hof te bepalen datum, de Nederlandse nationaliteit bezit. 1.2. De waarnemend Procureur-Generaal van Aruba heeft op 14 augustus 2008 een schriftelijke conclusie ingediend bij het Hof. 1.3. Op 16 september 2008 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn verzoeker, vergezeld van zijn gemachtigde en zijn ouders, alsmede de waarnemend Procureur-Generaal. Door de waarnemend Procureur-Generaal zijn stukken overgelegd waarnaar in diens conclusie was verwezen. 1.4. Ter zitting is een heden uit te spreken beschikking aangezegd. 2. Beoordeling 2.1. Verzoeker, die op [datum] 1989 geboren is in Colombia en niet de Nederlandse nationaliteit had, is samen met twee broers, bij in kracht van gewijsde gegane beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (GEA) van 1 november 2007 (EJ 2237/07; hersteld op 27 november 2007) geadopteerd door een Nederlandse man, echtgenoot van zijn moeder (‘stiefouderadoptie’). Ten tijde van het verzoek was verzoeker meerderjarig, maar het GEA heeft met toepassing van art. 8 EVRM (recht op respect voor ‘family life’) het in art. 1:228 lid 1 aanhef en onder a BW gestelde vereiste ‘dat het kind op de dag van het verzoek minderjarig is’ buiten toepassing gelaten. De vraag is of verzoeker door deze adoptie Nederlander is geworden. 2.2. Art. 5 RwNed luidt: ‘Nederlander wordt het kind dat in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba bij rechterlijke uitspraak is geadopteerd, indien het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was en ten minste één der adoptiefouders op de in de volgende zin bedoelde dag Nederlander is. Het kind verkrijgt het Nederlanderschap op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in eerste aanleg (…).’ 2.3. Voorts bepaalt art. 1 aanhef en onder b RwNed: ‘meerderjarige: hij die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt of voordien in het huwelijk is getreden.’ 2.4. Verzoeker was niet ‘op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig’ als bedoeld in art. 5 RwNed. Deze bepaling kan niet aldus worden uitgelegd dat een (buitenwettelijke) adoptie in Aruba van een ten tijde van het verzoek (of ten tijde van de uitspraak) meerderjarig kind tot Nederlanderschap leidt. Aan art. 8 EVRM noch aan enige andere bepaling van het EVRM kan het recht worden ontleend op de verkrijging van een bepaalde nationaliteit (HR 1 februari 2008, NJ 2008, 82, rov. 3.5). Van discriminatie is geen sprake aangezien in verband met de nationaliteitswetgeving minderjarige en meerderjarige kinderen niet in een relevant vergelijkbare positie verkeren. Overigens geldt dat de wijzen waarop het Nederlanderschap wordt verkregen limitatief zijn voorzien in de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (HR 11 april 1997, NJ 1997, 705). 2.5. De slotsom is dat het verzoek moet worden afgewezen. 3. Beslissing Het Hof wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, E.P. van Unen en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2008 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.