
Jurisprudentie
BF1870
Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGemeensch. Hof van Justitie v.d. Ned. Antillen en Aruba
ZaaknummersEJ 3187/07; H-45/08
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGemeensch. Hof van Justitie v.d. Ned. Antillen en Aruba
ZaaknummersEJ 3187/07; H-45/08
Statusgepubliceerd
Indicatie
Werknemer komt vaak te laat, werkgever wilde dat gedrag niet langer accepteren. Na opgelegde schorsing en waarschuwing in brief diende werknemer er rekening mee te houden dat ontslag zou kunnen volgen indien zij wederom (substantieel) te laat zou komen. Belang van de werkgever in de zorg dat werknemer op tijd moet komen is evident. Persoonlijke omstandigheden maakt dit niet anders.
Uitspraak
Registratienummers: EJ 3187/07; H-45/08
Uitspraak: 16 september 2008
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA
Beschikking in de zaak van:
[naam werkneemster],
wonende in Aruba,
oorspronkelijk verzoekster, thans appellante,
gemachtigde: mr. E. Duijneveld,
- tegen -
de stichting
STICHTING ZIEKENVERPLEGING ARUBA,
gevestigd in Aruba,
oorspronkelijk verweerder, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. J.L. Peterson.
Partijen worden hierna [werkneemster] en de stichting genoemd.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Op 29 november 2007 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna te noemen: GEA) in de zaak tussen partijen een beschikking gegeven. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar die beschikking.
1.2 [werkneemster] is in hoger beroep gekomen van die beschikking door op 10 januari 2008 een beroepschrift in te dienen. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen, kosten rechtens.
1.3 De stichting heeft een verweerschrift ingediend, ertoe strekkende dat het hoger beroep wordt afgewezen, kosten rechtens.
1.4 Op de voor pleidooi bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities overgelegd. Beschikking is bepaald op heden.
2. De beoordeling
2.1 De grieven, die het geschil in volle omvang aan het Hof voorleggen, falen. Het Hof verenigt zich met het oordeel van het GEA en de daaraan ten grondslag gelegde vaststaande feiten en overwegingen. Door [werkneemster] is in hoger beroep niets naar voren gebracht dat tot een ander oordeel zou moeten leiden.
2.2 Het verweer van [werkneemster] dat zij pas in 2004 voor het eerst te laat op het werk is verschenen, wordt verworpen. Anders dan [werkneemster] ter onderbouwing van dit verweer heeft gesteld, betreft de brief van 26 juni 2001 blijkens de aanhef en inhoud daarvan geen standaardbrief maar een persoonlijk aan [werkneemster] gerichte brief waarin zij concreet wordt aangesproken op de omstandigheid dat zij regelmatig te laat op het werk verschijnt. Bovendien zou, indien het verweer van [werkneemster] al feitelijk juist zou zijn, nog altijd vaststaan dat [werkneemster] ondanks vele waarschuwingen vanaf 2004 regelmatig te laat op het werk is verschenen. De stichting heeft haar stellingen terzake uitdrukkelijk gemotiveerd en mede onderbouwd met door [werkneemster] zelf ondertekende brieven en formulieren. In de - op zichzelf door [werkneemster] niet betwiste - formulieren en brieven zoals door het GEA weergegeven in r.o. 2.3, wordt melding gemaakt van “vaak te laat komen”, “regelmatig te laat komen”, “vele malen te laat komen” of gelijksoortige bewoordingen waaruit volgt dat het te laat komen door [werkneemster] allerminst incidenten betrof maar een bij herhaling terugkerend probleem was. [werkneemster] heeft bij pleidooi in hoger beroep ook erkend vaak te laat te zijn gekomen. Gelet op dit alles heeft [werkneemster] haar betwisting dat zij structureel te laat kwam, onvoldoende onderbouwd.
2.3 Met het GEA is het Hof van oordeel dat het voor [werkneemster] duidelijk heeft kunnen en moeten zijn dat de stichting haar gedrag niet langer wenste te accepteren. Zij diende er, zeker gelet op de in april 2007 opgelegde schorsing en de waarschuwing in de schorsingsbrief dat bij het eerstvolgende plichtsverzuim stringentere maatregelen zouden worden getroffen, rekening mee te houden dat, indien zij wederom (substantieel) te laat op het werk zou verschijnen, voor de stichting de maat vol zou zijn en ontslag op staande voet zou volgen. Dat haar dit niet met zoveel woorden is aangezegd, maakt het gegeven ontslag niet nietig.
2.4 Het belang van de stichting bij het op tijd op het werk verschijnen door de ziekenverzorgenden, zoals [werkneemster], is evident. Het telkens terugkerende te laat komen door [werkneemster] rechtvaardigde op 7 augustus 2007, toen [werkneemster] opnieuw (aanzienlijk) te laat op het werk verscheen, een ontslag op staande voet. Dat dit sinds februari 2007 pas weer de eerste keer zou zijn geweest dat [werkneemster] te laat kwam, zoals zij in hoger beroep heeft gesteld, wordt gelogenstraft door de in april 2007 opgelegde schorsing en het daaraan ten grondslag gelegde door Gody niet betwiste te laat komen op 13 en 14 april 2007. Aan dit verweer wordt daarom voorbij gegaan.
2.5 Dat [werkneemster] moeder is van twee kinderen maakt het bovenstaande niet anders. Dat rechtvaardigt immers niet dat [werkneemster] systematisch te laat op het werk komt. Het is aan [werkneemster] zelf om haar werk niet onder de zorgtaken voor haar kinderen te laten lijden. Dat geldt ook voor de andere door [werkneemster] gestelde persoonlijke omstandigheden; deze liggen alle binnen de risicosfeer van [werkneemster]. Van een overmacht- of noodsituatie was geen sprake. Onder de gegeven omstandigheden en het daarbij door de stichting jarenlang jegens [werkneemster] beoefende geduld, behoefde de stichting de belangen van [werkneemster] bij behoud van haar dienstbetrekking zoals die ook in hoger beroep door [werkneemster] zijn aangevoerd, niet langer te laten prevaleren boven de belangen van de stichting die aan voorzetting van het dienstverband met [werkneemster] in de weg stonden.
2.6 De bestreden beschikking zal daarom worden bevestigd. [werkneemster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van de stichting.
BESLISSING:
Het Hof:
bevestigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [werkneemster] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van de stichting gevallen en tot op heden begroot op Afl. 5.100,00 aan gemachtigdensalaris.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Unen, Wattel en Lock, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Aruba uitgesproken op 16 september 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.