
Jurisprudentie
BF1869
Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/225 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/225 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening WAO-uitkering. Juistheid vastgestelde beperkingen. Betrokkene terecht in staat geacht tot het verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.
Uitspraak
07/225 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2006, 06/1903 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2008. Voor appellante is verschenen mr. De Jonge. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is in maart 2000 wegens psychische klachten uitgevallen voor haar in een omvang van 32 uur per week verrichte werkzaamheden als medewerkster bij een tankstation. Ingaande 14 maart 2001 is zij in verband hiermee in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Bij besluit van 9 december 2005 is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 10 februari 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Dat besluit berust op een beoordeling volgens welke appellante per laatstgenoemde datum in staat is in een maximum omvang van gemiddeld ongeveer 4 uur per dag en gemiddeld ongeveer 20 uur per week diverse functies te vervullen.
1.3. Bij besluit van 24 maart 2006, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 december 2005 ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medische onderzoek van de verzekeringsartsen op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de zienswijze van de bezwaarverzekeringsarts, als vervat in een tweetal rapporten van respectievelijk 27 juni 2006 en 3 augustus 2006, dat hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten bevat om het medische oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat van de zijde van appellante in bezwaar noch in beroep nieuwe medische informatie, afkomstig van de behandelend sector, naar voren is gebracht waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat het standpunt van het Uwv onjuist is. Aldus is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de functionele mogelijkheden van appellante correct zijn vastgesteld. Daarvan uitgaande, heeft de rechtbank zich ook kunnen verenigen met de bij de schatting in aanmerking genomen functies. De bij die functies voorkomende signaleringen zijn naar het oordeel van de rechtbank door de bezwaararbeidsdeskundige voldoende toegelicht. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard.
3.1. De namens appellante in hoger beroep aangevoerde grieven betreffen de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij meent dat haar vermoeidheidsklachten onvoldoende zijn meegewogen. Zij acht zich op de in geding zijnde datum niet in staat tot het verrichten van arbeid in de genoemde omvang van 4 uur per dag en 20 uur per week. Appellante is voorts van mening dat de rechtbank op ontoereikende dan wel onjuiste gronden tot de conclusie is gekomen dat die grondslag rechtens juist is te achten.
4.1. De Raad ziet het hoger beroep van appellante niet slagen. Appellante is ook in hoger beroep niet erin geslaagd aan de hand van medische gegevens aannemelijk te maken dat met haar beperkingen, in het bijzonder de beperkingen die voortvloeien uit haar vermoeidheidsklachten, onvoldoende rekening is gehouden. Hetgeen appellante ter zake in hoger beroep heeft doen aanvoeren bevat geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Ook de bij het aanvullend beroepschrift gevoegde brief, gedateerd 14 februari 2007, van Instituut Psychosofia bevat geen objectieve medische gegevens die doen twijfelen aan het medische oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv.
4.2. De Raad ziet in het bijzonder, gelet ook op hetgeen de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer nog eens heeft aangegeven in de bij het verweerschrift gevoegde rapportage van 14 juli 2008, geen objectief-medische aanknopingspunten om de voor appellante reeds aangenomen urenbeperking tot 4 uur per dag en 20 uur per week niet voldoende te achten. In dit kader merkt de Raad nog op dat uit de stukken naar voren komt dat appellante enkele maanden na de in geding zijnde datum, te weten per 7 augustus 2006, feitelijk in die omvang is gaan werken. Appellante heeft niet aannemelijk kunnen maken waarom zij daartoe op de in geding zijnde datum 10 februari 2006 nog niet in staat was, zoals zij stelt.
4.3. De Raad komt aldus - met de rechtbank - tot de slotsom dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is te achten. De Raad merkt hierbij nog op dat hij, in het licht van de waarde die volgens vaste jurisprudentie van de Raad in procedures als de onderhavige toekomt aan de rapporten van het Instituut Psychosofia, appellante niet kan volgen in haar grief dat de rechtbank ten onrechte meer waarde heeft toegekend aan de bevindingen en de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv en aldus op ontoereikende en onjuiste gronden de medische grondslag van het bestreden besluit heeft onderschreven.
4.4. De Raad gaat er aldus van uit dat de beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld, althans in elk geval niet zijn onderschat. Voor de Raad staat tevens genoegzaam vast dat appellante op en na de datum in geding terecht in staat is geacht tot het verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de bij de schatting als voor appellante passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 september 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W.R. de Vries.
JL