Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1862

Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/3963 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid vaststelling beperkingen? Opleidingsniveau juist ingeschat gezien WSW-indicatie?


Uitspraak

06/3963 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 juni 2006, 05/2392 WAO (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 19 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben over en weer nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft voor de enkelvoudige kamer van de Raad plaatsgevonden op 21 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets. Omdat het onderzoek niet volledig was geweest is dit heropend. Bij op 3 april 2008 ingezonden rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij enige vragen van de Raad beantwoord. Appellant heeft hierop bij brief van 17 juni 2008 gereageerd. Het Uwv heeft daarop bij brief van 16 juli 2008 een commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij ingezonden. Na verwijzing naar de meervoudige kamer van de Raad is het onderzoek ter zitting hervat op 8 augustus 2008. Appellant is met schriftelijke kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Wardenburg. II. MOTIVERING 1. Voor een uitgebreid overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank, gelet op de gedingstukken met juistheid, daaromtrent heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 10 oktober 2005 het besluit van 10 juni 2005 heeft gehandhaafd. Daarbij is de eerder naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% aan appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende uitkering met ingang van 1 augustus 2005 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheidsverzekering van 25 tot 35%. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ingestemd met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant ten tijde hier in geding. De arbeidskundige onderbouwing van de arbeidsongeschiktheidsschatting heeft de rechtbank afdoende geacht. Nu deze onderbouwing eerst in de beroepsfase is gegeven heeft de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en de rechtsgevolgen ervan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand gelaten. 3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft ingestemd met de belastbaarheid van appellant, zoals deze door de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen is vastgesteld. Voorts heeft appellant betwist dat de door de arbeidsdeskundige geduide functies uit medisch oogpunt voor hem geschikt zijn en heeft hij aangevoerd dat zijn opleidingsniveau te hoog is ingeschat. Daarbij heeft appellant onder meer gewezen op de omstandigheid dat hij is geïndiceerd voor de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) en op een rapport van 12 maart 2007 van de revalidatiearts H.J.M. Vonken. 3.2. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van 21 maart 2008 heeft de Raad aan het Uwv bij brief van 26 maart 2008 vragen gesteld over de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vastgelegde beperkingen. Die vragen heeft de bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij in zijn rapport van 2 april 2008 beantwoord. 4. In de kritiek van appellant op dit rapport, geuit bij brief van 17 juni 2008, ziet de Raad, mede gelet op de reactie van 16 juli 2008 van de bezwaarverzekeringsarts, onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de in de FML vastgelegde beperkingen. Ook de overige bezwaren van appellant ziet de Raad, gelet op de toelichting van de bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij, geen doel treffen. Dat geldt ook voor de stelling van appellant dat gelet op zijn WSW-indicatie beperkingen in zijn persoonlijk en sociaal functioneren hadden moeten worden aanvaard. De bezwaarverzekeringsarts heeft in reactie hierop er terecht op gewezen dat een indicatie voor de WSW nog niet betekent dat bij appellant sprake is van psychisch disfunctioneren, dat bij eerdere beoordelingen dit nimmer naar voren is gebracht en dat hij tijdens de hoorzitting geen enkel signaal daaromtrent van appellant heeft gekregen. Bij gebreke van verdere aanwijzingen daarvoor (de Raad vindt deze ook niet in het in 3.1 vermelde rapport van de revalidatiearts Vonken) gaat de Raad hieraan voorbij. 5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten, voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 september 2008. (get.) D.J. van der Vos. (get.) A.C. Palmboom. RB