Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1861

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers272229 CV EXPL 07-6706 (2)
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Indicatie

Duur dienstverband bij privatisering gemeentelijke dienst en betekenis Sociaal Statuut; (te) korte opzegtermijn; kennelijk onredelijk ontslag. (eindvonnis, zie tussenvonnis zie BF1860)


Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT Sector Kanton Locatie Heerlen rolno: 07-6706 zaakno: 272229 typ: M.L. coll: Vonnis van de kantonrechter d.d. 17 september 2008 inzake [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde mr. R.P.H.W. Haas te Heerlen, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CBB B.V., gevestigd en kantoorhoudende te 6412 PE Heerlen aan de Beersdalweg 56, gedaagde, gemachtigde mr. E.V.C. Savelkoul te Heerlen. 1 VERDER PROCESVERLOOP De bij het tussenvonnis van 9 april 2008 gelaste comparitie van partijen heeft op 14 mei 2008 plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. [eiser] heeft vervolgens een akte genomen, waarbij producties zijn overgelegd. Daarop heeft CBB een antwoordakte genomen en producties in het geding gebracht. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden. 2 VERDERE BEOORDELING 1 [eiser] was in de periode voor de privatisering van CBB in 1998 ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet, zodat hij zich niet kan beroepen op artikel 7:662 e.v. BW. Vervolgens ligt de vraag voor of [eiser] - waar het gaat om de duur van het dienstverband - rechten kan ontlenen aan het Sociaal Statuut. Anders dan CBB betoogt is aan [eiser] geen “afkoopsom” verstrekt bij de overgang in 1998. In het Sociaal Statuut is geregeld dat de diensttijd bij de gemeente Heerlen meetelt voor de bepaling (door CBB) van een jubileum van de werknemer. Verder is daarin vastgelegd dat bij onvrijwillige werkloosheid ook na de garantieperiode van 5 jaar nog gedurende (maximaal) 5 jaar aanvullend wachtgeld wordt verstrekt door de gemeente, waarbij de tijd bij CBB ook als diensttijd bij de gemeente Heerlen wordt beschouwd. Gelet op deze bepalingen, het gegeven dat de werkzaamheden van het verzelfstandigde CBB geen andere waren dan van CBB als onderdeel van de gemeente, de functie van [eiser] dezelfde is gebleven en voor hem de verplichting bestond om mee te gaan bij de privatisering van CBB (zie Sociaal Statuut algemene uitgangspunten sub 3) had CBB het dienstverband bij de gemeente Heerlen mee dienen te tellen bij de berekening van de duur van het dienstverband en de opzegtermijn. Het standpunt van CBB dat de arbeidsovereenkomst op 1 april 2001 is gewijzigd, dat daarmee sprake is van twee opvolgende, op zich staande, arbeidsovereenkomsten en dat bij beëindiging van de voorgaande arbeidsovereenkomst de opzegtermijn wordt geacht te zijn “verbruikt” wordt verworpen. Het ging bij [eiser] immers niet om het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst, maar om een wijziging van de bestaande arbeidsovereenkomst, die is vastgelegd in een aanhangsel bij die arbeidsovereenkomst. Dit leidt tot de conclusie dat CBB bij de opzegging - met inachtneming van de CWI-procedure – een opzegtermijn had moeten hanteren van drie maanden in plaats van één maand. 2 CBB stelt zich met betrekking tot het verwijt dat zij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd tijdens ziekte op het standpunt dat [eiser] de nietigheid van het ontslag had kunnen inroepen, dat hij dat niet heeft gedaan en dat hij daarom geen rechten aan het opzegverbod kan ontlenen. Dit neemt echter niet weg dat dit een omstandigheid is, die zal worden meegewogen bij de belangafweging op basis van artikel 7:681 BW. 3 Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag spelen de volgende omstandigheden een rol. 3.1 Ten aanzien van (de achteruitgang in) het inkomen van [eiser] staat vast dat CBB hem vanaf 12 juni 2007 niet langer 100%, maar 70% van zijn laatste salaris verschuldigd was. Daarnaast ontving [eiser] een uitkering op grond van de WAO en een aantal toelages. CBB wijst op de mogelijkheid voor [eiser] om een uitkering te vragen op grond van het Sociaal Statuut, maar laat na aan te geven of [eiser] daarvoor in aanmerking zou zijn gekomen en wat de hoogte van die uitkering zou zijn geweest. Daarom zal aan dit argument, dat overigens pas voor het eerst bij akte na comparitie naar voren is gebracht, worden voorbij gegaan. Aanvankelijk waren partijen het erover eens dat het laatstelijk genoten bruto maandsalaris van [eiser] € 1.731,50 bedroeg, zoals in het vonnis van 9 april 2008 is overwogen. Bij akte na comparitie stellen beide partijen zich echter op het standpunt dat zijn bruto maandsalaris in 2006 € 1.696,50 bedroeg. Mede gelet op de door [eiser] bij akte na comparitie overgelegde salarisstrook zal verder van dat laatste bedrag worden uitgegaan. Het inkomen dat [eiser] van CBB zou hebben ontvangen indien hij niet zou zijn ontslagen zou vanaf 1 juli 2007 70% van zijn maandsalaris van € 1.696,50 hebben bedragen, derhalve € 1.187,55 bruto. [eiser] heeft een inkomensoverzicht van de UWV overgelegd d.d. 24 mei 2006 waarop staat dat hij een WAO-uitkering ontvangt ten bedrage van € 932,99, een invaliditeitspensioen van € 521,12 en een herplaatsingstoelage van € 656,20, alsmede een vergoeding bijdrage ZVW, derhalve in totaal een bedrag van € 2.170,95 bruto. CBB stelt zich op het standpunt dat [eiser] vanaf 12 juni 2006 niet langer recht had op de herplaatsingstoelage. Dat standpunt strookt echter niet met het gegeven dat de UWV [eiser] tot aan de datum van zijn ontslag een herplaatsingstoelage is blijven uitkeren. CBB voert verder aan dat [eiser] geen recht meer had op de herplaatsingstoelage omdat deze inmiddels is afgeschaft, maar laat na aan te geven op welk moment dat zou zijn geschied. Derhalve moet worden aangenomen dat het totale bruto maandinkomen van [eiser] € 3.358,50 zou zijn geweest indien hij na 1 juli 2007 bij CBB in dienst zou zijn gebleven. Zijn werkelijk inkomen vanaf 1 juli 2007 bedraagt € 3.209,25 bruto per maand, bestaande uit een WAO uitkering van € 2.241,76, een invaliditeitspensioen van € 646,33, vergoeding bijdrage ZWV van € 143,36 en een IPAP- uitkering ter hoogte van € 177,80 bruto per maand. [eiser] is er door het ontslag per 1 juli 2007 dus € 149,25 bruto per maand in inkomen op achteruitgegaan. 3.2 [eiser] voert voorts aan dat hij door het ontslag pensioenschade heeft geleden en berekent deze op € 3.608,00 per jaar vanaf zijn pensioengerechtigde leeftijd. CBB betwist de pensioenschade en stelt dat [eiser] daarmee ook zou zijn geconfronteerd als hij bij CBB in dienst zou zijn gebleven, dat de IPAP-regeling waarvoor [eiser] in aanmerking komt voorziet in een gedeeltelijke continuering van de pensioenopbouw en dat [eiser] anders mogelijk gebruik zou hebben gemaakt van de FPU-regeling, hetgeen een neerwaarts effect op zijn pensioen zou hebben gehad. De berekening van [eiser] is gebaseerd op een toekomstige situatie, waarvan niet zeker is dat deze zich zo voor zal doen als [eiser] thans stelt. Daarom zal de pensioenschade worden berekend op het bedrag van € 1.868,25 dat CBB bij voortzetting van het dienstverband gedurende de resterende periode van de twee jaar arbeidsongeschiktheid zou hebben betaald. 3.3 Volgens [eiser] creëerde CBB willens en wetens een ziekmakende situatie door hem bij cliëntgebonden werkzaamheden in te schakelen. Gebleken is echter dat er voor [eiser] binnen CBB in maart 2006 geen acquisitiemogelijkheden meer bestonden, zodat hij de functie van acquisiteur niet langer kon uitoefenen. Op CBB rustte, anders dan [eiser] veronderstelt, niet de verplichting om deze functie speciaal voor hem te handhaven of te scheppen. [eiser] heeft ondermeer tevens werkzaamheden verricht als trajectbegeleider en dat was een van de functies, die hij in het najaar van 2005 (zie het verslag van 12 september 2005) juist ambieerde. Volgens CBB hebben deze werkzaamheden ook een cliëntgebonden karakter hetgeen door [eiser] niet is weersproken. Op grond van het vorenstaande is derhalve niet gebleken van enige kwade opzet van CBB. Een causaal verband tussen de ziekte van [eiser] en zijn werkzaamheden voor CBB is evenmin aangetoond. [eiser] heeft in de periode dat hij bij de gemeente gedetacheerd was op verschillende functies gesolliciteerd. Dat dit voor hem niet tot resultaten heeft geleid is te betreuren, maar kan CBB niet worden verweten. Wel staat vast dat CBB [eiser] in het kader van de reïntegratie een niet passende functie heeft aangeboden, die volgens de UWV zeker drie niveaus onder het oorspronkelijk niveau lag met een salarisniveau dat zes niveaus onder het oorspronkelijk salarisniveau lag en waarbij de belastbaarheid van de functie de belastbaarheid van [eiser] zowel qua taken als qua uren werd overschreden (rapport UWV van 13 december 2006). De arbeidsdeskundige zag tenslotte in januari 2007 zowel intern als extern geen mogelijkheden meer voor een reïntegratie van [eiser] en [eiser] heeft zelf geen functies binnen CBB genoemd, die voor hem als passend zijn aan te merken en ook niet op (een) bepaalde functie(s) gesolliciteerd. 3.4 De conclusie is dat het aan [eiser] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is, aangezien de gevolgen voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van CBB bij de opzegging op 1 juli 2007. Daarvoor is - behalve de hiervoor weergegeven omstandigheden - relevant dat [eiser] sinds 1989, derhalve bijna 18 jaar, in dienst was, dat hij op het moment van ontslag 54 jaar was en een eenzijdig arbeidsverleden had. Voorts genoot [eiser] op het moment van opzegging van het dienstverband ontslagbescherming, omdat hij op dat moment nog geen twee jaar (voor de resterende 50%) arbeidsongeschikt was. Voor [eiser] zijn, gezien zijn arbeidsongeschiktheid, nauwelijks mogelijkheden aanwezig om elders aan de slag te komen. Voorts is van belang dat CBB een opzegtermijn heeft gehanteerd van één maand in plaats van de vereiste drie maanden en dat zij verder geen voorzieningen voor [eiser] heeft getroffen. [eiser] berekent de gevorderde schadevergoeding aan de hand van de kantonrechtersformule. Voor een onverkorte toepassing daarvan is hier echter geen plaats, aangezien [eiser] tien jaar van de pensioengerechtigde leeftijd verwijderd is en niet in een betere positie hoeft komen te verkeren dan bij voortzetting van het dienstverband het geval zou zijn geweest. De kantonrechter acht, alle omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, een schadevergoeding van € 20.000,00 bruto passend. 4 [eiser] heeft, na de door CBB bij herhaling uitgevoerde herberekeningen en aanpassingen, steeds duidelijk en consistent aangegeven hoe hij de hem nog uit te betalen verlofuren heeft berekend en deze berekening komt de kantonrechter juist voor. Wel staat vast dat CBB aan [eiser] inmiddels 83,1 uur heeft voldaan, zodat nog resteert 54,4 uur à € 22,11 bruto, derhalve het netto equivalent van € 1.202,78, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2007. 5 CBB zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden verwezen. 3 UITSPRAAK De kantonrechter: verklaart voor recht dat het aan [eiser] door CBB met ingang van 1 juli 2007 verleende ontslag kennelijk onredelijk is; veroordeelt CBB om ex artikel 7:681 BW aan [eiser] te betalen een schadevergoeding van € 20.000,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2007; veroordeelt CBB om aan [eiser] te betalen het netto equivalent van een bedrag van € 1.202,78, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2007; veroordeelt CBB in de aan de zijde van [eiser] gerezen proceskosten, tot op heden begroot op in totaal € 1.183,31, waarin begrepen € 199,00 vastrecht, € 84,31 explootkosten en € 900,00 terzake salaris en noodzakelijke kosten van de gemachtigde. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Oosterman-Meulenbeld, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.