Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1859

Datum uitspraak2008-09-09
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAWB 07/4125
Statusgepubliceerd


Indicatie

Omvang van het geding na vernietiging van een uitspraak in hoger beroep en het, naar aanleiding van het zelf voorzien door de AbRS, nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar.
Beroep gericht tegen voorschrift van vergunningen dat niet expliciet in eerdere procedure aan de orde is gesteld.
Andere voorschriften dan het expliciet aan de orde gestelde voorschrift zijn na de indiening van zienswijzen tegen de concept-vergunningen nooit meer voorwerp van geschil geweest. Van een onbesproken beroepsgrond, die zijn grondslag vindt in het - eerdere - beroepschrift en het bezwaarschrift, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.


Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 07/4125 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2008 inzake Horeca Vereniging Sint Anthonis, te Sint Anthonis, eiseres, gemachtigde mr. B. de Haan, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint Anthonis, verweerder, gemachtigde W.M.A. Engbers. Aan het geding hebben als partij deelgenomen: Stichting Multifunctioneel Centrum Oelbroeck, te Sint Anthonis, en Stichting Gemeenschapshuis Wanroij, te Wanroij, gemachtigde J. Poodt (hierna te noemen: vergunninghoudsters). Procesverloop Verweerder heeft, bij besluiten van 21 september 2004 en 9 november 2004, aan onder meer de in de aanhef van deze uitspraak - in die volgorde - vermelde vergunninghoudsters een vergunning tot het uitoefenen van het horecabedrijf verleend. Bij afzonderlijke besluiten van 30 oktober 2007 heeft verweerder, naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 29 augustus 2007 met zaaknummer 200701840/1, het tegen die besluiten gemaakte bezwaar van eiseres alsnog gegrond verklaard en die besluiten herroepen, respectievelijk opnieuw de gevraagde vergunningen verleend met gewijzigde voorschriften en beperkingen. Eiseres heeft tegen deze beslissing op haar bezwaar op 5 december 2007 beroep ingesteld. De rechtbank heeft verweerder, naar aanleiding van dit beroep, bij brief van 13 december 2007, onder verwijzing naar artikel 7:11, tweede lid, van de Awb, medegedeeld het beroep te beschouwen als mede te zijn gericht tegen de verlening van een drank- en horecavergunning. De zaak is behandeld ter zitting van 3 september 2008, waar eiseres is vertegenwoordigd door [naam A] en [naam B], bijgestaan door eiseres' gemachtigde. Verweerder en de Stichting Gemeenschapshuis Wanroij zijn beide bij gemachtigde verschenen. Overwegingen 1. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 17 januari 2007, zaaknummer AWB 06/138, overwogen dat eiseres bezwaren heeft tegen het derde voorschrift van de aan de vergunningen verbonden voorschriften. De rechtbank heeft het beroep van eiseres ongegrond verklaard. 2. De Afdeling heeft in haar in het procesverloop genoemde uitspraak, naar aanleiding van de grieven van eiseres tegen het oordeel van de rechtbank over dit voorschrift, overwogen dat zij niet inziet dat de omstandigheid dat de bar, ingevolge dit voorschrift, tijdens een bijeenkomst als bedoeld in voorschrift 1 van de vergunning mag worden geëxploiteerd door iedere commerciële horecaondernemer binnen en buiten de gemeente, oneerlijke concurrentie uitsluit. Dit voorschrift voorkomt volgens de Afdeling niet dat sprake is van mededinging door het verstrekken van alcoholhoudende drank die uit het oogpunt van ordelijk economisch verkeer als onwenselijk moet worden beschouwd. 3. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling heeft verweerder het gewraakte voorschrift in de op 30 oktober 2007 verleende vergunningen niet meer opgenomen. 4. Eiseres kan zich niet verenigen met de verschillende onderdelen van het aan de nieuwe vergunning verbonden voorschrift 3, waarvan de tekst geheel overeenkomt met die van artikel 4, verbonden aan de op 21 september 2004 en 9 november 2004 verleende vergunningen. Verder richt het beroep zich tegen de wijze van totstandkoming van de nieuwe beslissing op bezwaar. 5. De rechtbank ziet zich, in aanmerking nemende dat de vergunningen waarin het thans gewraakte voorschrift is opgenomen reeds voorwerp zijn geweest van hoger beroep bij de Afdeling, gesteld voor de vraag of de daartegen gerichte gronden nieuw zijn, dan wel voortbouwen op hetgeen in de vorige procedure is aangevoerd. 6. De Afdeling heeft in haar in het procesverloop genoemde uitspraak van 29 augustus 2007 zelf voorzien, door het inleidende beroep van eiseres gegrond te verklaren en de in dat beroep bestreden beslissing op bezwaar van 22 november 2005 te vernietigen. Daardoor was verweerder genoodzaakt opnieuw op het bezwaar te beslissen. 7. De Afdeling heeft in de loop der jaren diverse uitspraken gedaan over de omvang van het geding na uitspraak in hoger beroep. De rechtbank wijst, bij wijze van voorbeeld, op de uitspraken van 23 maart 2005, LJN AT3336 (te vinden op www.rechtspraak.nl), en van 28 maart 2008, LJN BD2687 (gepubliceerd in AB 2008,171). Uit die uitspraken kan worden afgeleid dat de afdoening van het geding, zowel in het geval dat de Afdeling met toepassing van artikel 42 van de Wet op de Raad van State zelf in de zaak voorziet, als in het geval dat de Afdeling de zaak met toepassing van artikel 44 van die wet voor hernieuwde afdoening verwijst naar een rechtbank, dient te blijven binnen de grenzen van dat geding zoals dat was afgebakend in eerste aanleg, eventueel gecorrigeerd in hoger beroep en met inachtneming van de oordelen van de Afdeling aangaande de aangevoerde beroepsgronden en omtrent de te verrichten ambtshalve toetsing. 8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat van nieuwe beroepsgronden geen sprake is, omdat het verweerder is geweest die zich, naar aanleiding van het algemeen geformuleerde bezwaar van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften, op het standpunt heeft gesteld dat deze zich met name richten tegen het onder 3 van het bestreden besluit opgenomen voorschrift. Verweerder oordeelt volgens eiseres als volgt: "Nu er naar het oordeel van de commissie geen sprake is van paracommerciële activiteiten, komt de commissie aan een verdere beoordeling van het geschil niet toe". Eiseres ontleent dit citaat aan het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 9 november 2005. Vervolgens is er volgens eiseres bij de rechtbank en bij de Afdeling slechts nog geprocedeerd over vergunningsvoorschrift 3 en hebben de rechtbank en de Afdeling geen oordeel gegeven over de andere voorschriften, ondanks dat eiseres zowel in bezwaar als in beroep haar pijlen had gericht op de drank- en horecavergunning en de daaraan verbonden voorschriften in haar geheel, met het algemene bezwaar dat burgemeester en wethouders met de vergunningen een te ruime mogelijkheid boden om in een dorpshuis een feest te verzorgen. De nu ingediende grieven betreffen volgens eiseres dan ook een onbesproken beroepsgrond die zijn grondslag vindt in het - eerdere - beroepschrift en het bezwaarschrift. 9. De rechtbank deelt eiseres' visie niet. Zij overweegt in dat verband als volgt. 10. Uit de gedingstukken kan worden opgemaakt dat eiseres, naar aanleiding van de terinzagelegging van de concepten van de later verleende vergunningen, zienswijzen heeft ingebracht. Die zienswijzen richtten zich in hoofdzaak op het in de concept-vergunningen opgenomen voorschrift 3. In de zienswijze is echter ook verzocht om ten aanzien van de exploitatie van koffietafels (daarover gaat voorschrift 4 van die vergunningen) verdergaande beperkingen te stellen. 11. In een aan eiseres gerichte brief van 9 november 2004 is verweerder uitgebreid op de ingebrachte zienswijzen ingegaan. Op dezelfde datum zijn de vergunningen, overeenkomstig het concept daarvan, verleend. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om in voorschrift 4 verdergaande beperkingen op te nemen. 12. Eiseres heeft vervolgens, blijkens de bewoordingen van haar bezwaarschriften van 30 oktober en 25 november 2004, haar grieven gericht tegen het toestaan van de exploitatie van dorpshuizen ten behoeve van feesten in de persoonlijke sfeer onder de in voorschrift 3 van de vergunningen gestelde voorwaarden. Op generlei wijze wordt meer gewag gemaakt van het niet opnemen in voorschrift 4 van verdergaande beperkingen. De opmerking aan het eind van de bezwaarschriften dat bezwaar wordt gemaakt tegen verweerders besluit om een drank- en horecawetvergunning te verstrekken met de door verweerder bedachte voorschriften moet naar het oordeel van de rechtbank in dat licht worden bezien, temeer daar is verwezen naar "bovenstaande feiten en constateringen". De procedure heeft zich daarna beperkt tot voorschrift 3 van de verleende vergunningen. 13. Tijdens de hoorzitting van de (toenmalige) Bezwaarschriftencommissie is nog wel de organisatie van koffietafels bij overlijden van een (oud-) inwoner ter sprake gekomen, maar door [naam B] is daarover slechts opgemerkt dat de horeca daarmee, gelet op de ingrijpende persoonlijke situaties die een overlijden met zich mee kan brengen, wel heeft ingestemd. Naar aanleiding van de opmerking van de voorzitter dat het bezwaar is gericht tegen het derde voorschrift, is van de zijde van eiseres niet opgemerkt dat dit niet juist is. Ook in een reactie op het aan eiseres toegezonden - tweede - advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 9 november 2005, waarin is vermeld dat de bezwaarschriften zich met name richten tegen voorschrift 3 heeft eiseres niet laten weten dat die visie niet juist is. Aan de ook in dat advies opgenomen passage dat de Commissie aan een verdere beoordeling van het geschil niet toekomst, kan, in dat licht bezien, niet de door eiseres gewenste - aanvullende - betekenis worden toegekend. De omstandigheid dat, zoals van de zijde van eiseres ter zitting is betoogd, eiseres eerst in de beroepsfase juridisch werd bijgestaan, maakt dat niet anders. Het gaat er niet om wat er in het geval van juridische bijstand zou zijn aangevoerd, maar om wat daadwerkelijk is aangevoerd. 14. Ook in het beroepschrift van 3 januari 2006 dat heeft geleid tot de vernietigde uitspraak van de rechtbank van 17 januari 2007 valt niet te lezen dat het beroep mede betrekking heeft op voorschrift 4, of op aspecten die door dat voorschrift worden bestreken. Ook door de gemachtigde van eiseres is, zowel ten overstaan van de rechtbank in de eerste procedure als ten overstaan van de Afdeling in hoger beroep, niet bepleit dat in het in die fasen bestreden besluit of de uitspraak van de rechtbank ten onrechte geen aandacht is besteed aan andere gronden dan die welke betrekking hadden op voorschrift 3 van de in 2004 verleende vergunningen. 15. De conclusie uit het vorenoverwogene is, dat andere gronden dan die welke betrekking hebben op het in de vergunningen van 2004 opgenomen voorschrift 3, na de in rechtsoverweging 11 genoemde brief van 9 november 2004 nooit meer voorwerp van geschil zijn geweest. Van een onbesproken beroepsgrond die zijn grondslag vindt in het - eerdere - beroepschrift en het bezwaarschrift, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Verweerder heeft, gelet hierop, terecht aangenomen dat het bezwaar van eiseres geen betrekking had op hetgeen in voorschrift 3 van de bij het bestreden besluit verleende vergunningen (voorschrift 4 van de in 2004 verleende vergunningen) is geregeld. 16. De rechtbank deelt niet eiseres' opvatting dat verweerder in strijd met de zorgvuldigheid heeft gehandeld door haar niet opnieuw op haar bezwaar te horen. Verweerder mocht er vanuit gaan dat met de thans bestreden besluiten geheel aan de grieven van eiseres was tegemoetgekomen. Nieuwe feiten of omstandigheden die niettemin tot het opnieuw horen zouden kunnen noodzaken, zijn niet gebleken. 17. Het beroep is, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, ongegrond. 18. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. 19. Beslist wordt als volgt. Beslissing De rechtbank, verklaart het beroep ongegrond. Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2008. Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Afschriften verzonden: