Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1832

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers260714 / HA ZA 06-1310
Statusgepubliceerd


Indicatie

bestuurdersaansprakelijkheid, artikel 6:162 BW; onvoldoende persoonlijk ernstig verwijt, ook indien sprake is van een niet verschenen gedaagde


Uitspraak

Uitspraak Rechtbank Rotterdam Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 260714 / HA ZA 06-1310 Uitspraak: 10 september 2008 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: de stichting STICHTING WERKGEVERSINSTITUUT SOCIAAL CULTUREEL WERK ROTTERDAM, gevestigd te Rotterdam, eiseres, advocaat mr. A.C. Hansen, - tegen - 1. [gedaagde sub 1], wonende te [woonplaats], gedaagde sub 1, advocaat mr. J.B. van Rij, 2. [gedaagde sub 2], wonende te [woonplaats], gedaagde sub 2, advocaat mr. C.A. Busquet, 3. [gedaagde sub 3], wonende te [woonplaats], gedaagde sub 3, advocaat mr. G.C. Haulussy, 4. [gedaagde sub 4], zonder bekende woon- of verblijfplaats, gedaagde sub 4, niet vertegenwoordigd. Partijen worden hierna ook aangeduid als "WGI" respectievelijk "[gedaagde sub 1]", “[gedaagde sub 2]”, “[gedaagde sub 3]”en “[gedaagde sub 4]”. 1 Het verloop van het geding 1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - dagvaarding d.d. 19 januari 2006 en de door WGI overgelegde producties; - conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 2], met producties; - conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 3] , met producties; - conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 1]; - tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 13 september 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast; - proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 16 november 2006; - de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door WGI overgelegde brief, gedateerd 10 november 2006 met producties; - akte overlegging producties en wijziging van eis, aan de zijde van WGI (met producties); - akte aan de zijde van [gedaagde sub 3], met producties. Tegen [gedaagde sub 4] is verstek verleend. Ingevolge artikel 140 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt het thans te wijzen vonnis aangemerkt als een vonnis op tegenspraak, gewezen tussen WGI enerzijds en [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] anderzijds. 1.3 De rechter die de comparitie van partijen heeft gehouden, is niet langer werkzaam in de handelssector van de Sector Civiel binnen deze rechtbank en daardoor niet in staat dit vonnis mee te wijzen. 2 De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast: De onderneming van WGI houdt zich met name bezig met de verzorging van het werkgeverschap ten behoeve van sociaal culturele- en welzijnsinstellingen, alsmede ten behoeve van de gesubsidieerde arbeid. Dit werkgeverschap bestaat uit diensten op het terrein van de salarisadministratie, financiële administratie en personeelszorg. Zo worden in het kader van de verzorging van het werkgeverschap ten behoeve van sociaal culturele- en welzijnsinstellingen de aldaar werkzame werknemers in dienst genomen door WGI en vervolgens weer gedetacheerd naar voornoemde instellingen. Middels een aansluitingsovereenkomst tussen WGI en een sociaal culturele en/of welzijnsinstelling worden de wederzijdse verplichtingen vastgelegd. Tussen WGI en [de Stichting] (hierna verder ook te noemen: “de Stichting”) is een aansluitingsovereenkomst gesloten en getekend op 16 maart 2003 en ingegaan per 1 juli 2003. [gedaagde sub 4] heeft namens het bestuur van de Stichting de aansluitingsovereenkomst met WGI ondertekend. Uit hoofde van deze aansluitingsovereenkomst (hierna verder ook te noemen: “de overeenkomst”) rustte op WGI de verplichting tot het in dienst nemen en houden van de werknemers van de Stichting en deze aldaar te detacheren, aan deze werknemers salaris te betalen en premies en belastingen af te dragen. WGI heeft aan al zijn financiële verplichtingen met betrekking tot de bij de Stichting gedetacheerde werknemers voldaan. De Stichting diende alle door WGI gemaakte loon- en andere kosten te voldoen aan WGI. Ter zake haar dienstverlening heeft WGI aan de Stichting een kostenoverzicht gezonden, in juli 2003 voor de periode tot het einde van het jaar en begin 2004 voor dat jaar. De Stichting diende voor de vijftiende dag van iedere maand het voorschot per werknemer te betalen. De Stichting is haar verplichtingen uit hoofde van de aansluitingsovereenkomst niet nagekomen en heeft geen betalingen verricht. De Stichting Cathleen is opgericht op 24 oktober 2001. Volgens de akte van oprichting bestond het bestuur van de Stichting destijds onder meer uit [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3], waarbij [gedaagde sub 1] was benoemd tot secretaris en [gedaagde sub 3] tot penningmeester. De Stichting heeft haar activiteiten als kinderopvang/kinderdagverblijf gestart op 28 januari 2002. Uit een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, gedateerd 17 oktober 2003, blijkt dat op 29 augustus 2003 is geregistreerd dat “de ontbonden rechtspersoon (de Stichting) door een besluit van de algemene vergadering/ stichtingsbestuur is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 2 januari 2003”. In dit uittreksel staat alleen [gedaagde sub 1] vermeld als bestuurslid/secretaris c.q. bewaarder van boeken en bescheiden. [gedaagde sub 1] heeft de ontbinding van de Stichting ingeschreven in het Handelsregister. [gedaagde sub 2] was - blijkens een detacheringovereenkomst tussen WGI en het bestuur van de Stichting, gedateerd 31 juli 2003 - in deeltijd werkzaam bij de Stichting in de functie van “algemeen coördinator”. Zij fungeerde als aanspreekpunt voor WGI. 3 Het geschil De gewijzigde vordering van WGI luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I te verklaren voor recht dat gedaagden jegens WGI aansprakelijk zijn; II ieder der gedaagden hoofdelijk, des dat de een zal betalen de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen aan WGI te voldoen: - hoofdsom: € 112.230,42 - kosten van rechtsbijstand € 4.289,17 in totaal € 116.519,59 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening; III met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft WGI aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd: 3.1 Het bestuur van de Stichting wist dat, althans had kennis van feiten waardoor de Stichting nimmer aan haar financiële verplichtingen jegens WGI zou kunnen voldoen. 3.2 Het bestuur van de Stichting wist dat de verleende vergunning voor de kinderopvang tijdelijk was en zou eindigen op 1 juni 2003, terwijl het bestuur verder geen of in ieder geval onvoldoende activiteiten heeft ondernomen om verlenging van de vergunning te bewerkstelligen. De Stichting heeft voor het uitoefenen van de onderneming van kinderdagverblijf een vergunning van de gemeente nodig. De gemeente heeft bij brief van 5 december 2002 aan de Stichting meegedeeld dat de gemeente slechts een tijdelijke vergunning zou verlenen van 1 januari 2002 tot 1 juni 2003. Slechts indien de Stichting levensvatbaar zou blijken te zijn, was de gemeente bereid met de Stichting overleg te voeren over een oplossing voor het ontbreken van een veilige buitenspeelplaats. Alleen dan zou eventueel een verlenging van de vergunning aan de orde komen. De Stichting is op 10 oktober 2002 en op 17 december 2002 benaderd door de gemeente voor overleg. Het gewenste overleg heeft nimmer plaatsgevonden. Bij brief van 10 juli 2003 heeft de gemeente de Stichting meegedeeld dat haar niet is gebleken van levensvatbaarheid van de Stichting en dat geen verlenging van de vergunning zou plaatsvinden. De gemeente heeft tevens aangegeven dat de Stichting haar activiteiten dient te staken wegens het per 1 juni 2003 ontbreken van de benodigde vergunning en voorts te gedogen dat de opvang tot 1 oktober 2003 zal doorlopen. WGI heeft nimmer van het bestuur (of van anderen) vernomen dat de Stichting niet over de benodigde vergunning beschikte. Het bestuur had de plicht WGI hieromtrent te informeren. 3.3 Het bestuur van de Stichting heeft desondanks toch besloten tot het verwerven van de diensten van WGI en met WGI een aansluitingsovereenkomst gesloten. 3.4 Het financiële beleid binnen een rechtspersoon behoort tot de collectieve taken van het bestuur. Het bestuur was op de hoogte van het negatieve bedrijfsresultaat over 2002 en de nog slechtere verwachting voor 2003, alsmede het voorzienbare einde van het uitoefenen van de onderneming wegens ontbreken (per 1 juni 2003) van de benodigde vergunning. 3.5 Ter onderbouwing van haar vordering, heeft WGI het volgende aangevoerd: WGI heeft van de Stichting te vorderen aan salariskosten over 2003 bedrag van € 43.574,70 en over 2004 een bedrag van € 62.212,38 . In totaal een bedrag van € 105.787,08 aan salariskosten. Daarnaast heeft WGI ten behoeve van de Stichting kosten gemaakt van rechtsbijstand voor de pro forma ontbindingsprocedures van de werknemers van de Stichting, welke kosten zijn gespecificeerd tot een bedrag van € 2.418,18. WGI vordert voorts de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand voorafgaand aan de onderhavige procedure, welke kosten zijn gespecificeerd tot een bedrag van € 4.025,16. Nadien heeft WGI nog meer buitengerechtelijke kosten gemaakt ter zake rechts-bijstand, deurwaarderskosten en griffierecht ten bedrage van € 4.289,17. Subsidiair vordert WGI ten aanzien van dit bedrag vergoeding conform het Rapport Voorwerk (2 punten ad € 1.421) ad € 2.842,-- en de geliquideerde (proces)-kosten. 4 De verweren [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben ieder afzonder verweer gevoerd, strekkende tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van WGI in de kosten van het geding. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of respectievelijk [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 4] (hoofdelijk), in hun hoedanigheid van (formeel dan wel feitelijk) bestuurder van de Stichting op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de schuld van de Stichting aan WGI. Vooropgesteld moet worden dat van een zodanige aansprakelijkheid slechts sprake kan zijn, indien respectievelijk [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 4] ter zake een persoonlijk en voldoende ernstig verwijt treft. Of daarvan sprake is, hangt af van alle omstandigheden van het geval. 5.3 In het algemeen zal een bestuurder een ernstig verwijt treffen als hij een verplichting is aangegaan, terwijl hij wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon niet of niet binnen redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden die zijn handelswijze rechtvaardigen of verontschuldigen (de zogeheten Beklamel-norm). Voorts kunnen onjuiste mededelingen van een bestuurder aangaande de financiële positie van de rechtspersoon onder de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig zijn dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, in het bijzonder wanneer de bestuurder er rekening mee had moeten houden dat de rechtspersoon haar betalingsverplichtingen niet meer zou kunnen nakomen. Als uitgangspunt geldt hierbij dat ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering degene die een bestuurder voor schade als gevolg van een tekortkoming van de rechtspersoon aansprakelijk wil houden, de feiten die ten grondslag liggen aan de verwijten die hij de bestuurder maakt, moet stellen en – bij gemotiveerde betwisting – moet bewijzen. de Beklamel-norm Volgens vaste jurisprudentie dient terughoudendheid betracht te worden bij de beoordeling of een bestuurder wist of behoorde te weten dat de rechtspersoon niet of niet binnen redelijke termijn aan haar verplichtingen zou voldoen en dat de rechtspersoon geen verhaal zou bieden. De wetenschap van een (ook meer dan verwaarloosbaar) risico dat de rechtspersoon een bepaalde verplichting niet zal kunnen nakomen en vervolgens geen verhaal voor de schade zal bieden, is niet zonder meer voldoende voor het aannemen van aansprakelijkheid van de bestuurder als het risico zich vervolgens verwezenlijkt. Anders gezegd: de risico’s die de rechtspersoon heeft gelopen kunnen – binnen zekere grenzen – niet voor rekening van de bestuurder worden gebracht, alleen omdat de bestuurder van die risico’s op de hoogte was of op de hoogte kon zijn. Dat is pas anders als de bestuurder had behoren te voorzien dat het risico verkeerd zou uitpakken en dat de rechtspersoon dan geen verhaal zou bieden. Daarbij geldt dat eveneens terughoudendheid betracht moet worden bij het vaststellen van het moment vanaf wanneer de bestuurder geacht moet worden bedoelde wetenschap te hebben. Door WGI is in dit verband aangegeven dat de Stichting slechts over een tijdelijke vergunning voor de kinderopvang beschikte, welke vergunning zou eindigen op 1 juni 2003, en dat er een negatief bedrijfsresultaat was over 2002, terwijl de verwachting voor 2003 nog slechter was. Door de aansluitingsovereenkomst met WGI aan te gaan, zonder WGI te informeren over de tijdelijke vergunning en de financiële situatie bij de Stichting en de overeenkomst tussen partijen niet te beëindigen maar te laten doorlopen, heeft de Stichting en haar bestuur jegens WGI onrechtmatig gehandeld. ten aanzien van [gedaagde sub 1] (gedaagde sub 1) Dat [gedaagde sub 1] niet de onderhavige overeenkomst heeft gesloten, sluit zijn aansprakelijkheid niet uit, maar daartoe zijn wel bijzondere omstandigheden vereist. In ieder geval is vereist dat [gedaagde sub 1] anderszins nauw bij de overeenkomst betrokken moet zijn geweest. WGI heeft hieromtrent echter niets, althans onvoldoende gesteld om het persoonlijke verwijt jegens [gedaagde sub 1] te kunnen schragen. De stelling van WGI dat [gedaagde sub 1] als bestuurder behoorde te weten dat de Stichting er financieel slecht voor stond en dat hij had moeten begrijpen dat de Stichting niet of niet binnen redelijke termijn aan haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst zou kunnen voldoen, mist feitelijke grondslag. Weliswaar verwijst WGI naar het ondernemingsplan van Emons Accountants (productie 5 bij dagvaarding), welk rapport is opgesteld “onder verantwoordelijkheid van de leiding van de Stichting”, maar zij heeft ook in dit verband niets, althans onvoldoende gesteld om het persoonlijke verwijt jegens [gedaagde sub 1] te kunnen onderbouwen. Daar komt bij, dat de bestuurder van een onderneming in zwaar weer een zekere vrijheid toekomt om de activiteiten voort te zetten en naar oplossingen te zoeken zonder het risico te hoeven nemen (potentiële) crediteuren van de moeilijkheden op de hoogte te stellen en zodoende de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. Niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde sub 1] mededelingen over de financiële positie van de Stichting heeft gedaan, terwijl hij wist of behoorde te weten dat deze mededelingen onjuist of misleidend zijn en die daarmee ten onrechte de schijn van kredietwaardigheid van de Stichting hebben gewekt of in stand gehouden. Hieruit volgt dat niet kan worden geconcludeerd dat [gedaagde sub 1] in strijd met de zorgvuldigheid heeft gehandeld, die hij persoonlijk tegenover WGI in acht had moeten nemen. Ook anderszins is niet gesteld of aannemelijk geworden dat [gedaagde sub 1] nauw betrokken zou zijn geweest bij het financiële beleid van de Stichting. Op grond van het vorenstaande dient de vordering van WGI jegens [gedaagde sub 1] als onvoldoende gegrond te worden afgewezen. WGI zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten. ten aanzien van [gedaagde sub 3] (gedaagde sub 3) Het verweer van [gedaagde sub 3] dat zij op 1 januari 2003 uit het bestuur was getreden en aldus vanaf die datum geen bestuurder meer was van de Stichting, zodat zij niet als bestuurder kan worden aangesproken, faalt. Ingevolge het bepaalde in artikel 18 van de Handelsregisterwet, mocht WGI afgaan op de inschrijving in het handelsregister. Dat de feitelijke situatie niet in overeen-stemming was met deze gegevens aangaande de Stichting kan niet aan WGI worden tegengeworpen. De voor [gedaagde sub 3] bestaande redenen en onmogelijkheden om zich uit te schrijven als bestuurder van de Stichting zijn in dat kader niet van belang, nu deze voor WGI kenbaar noch relevant waren bij het aangaan van de rechtsverhouding (de overeenkomst) tussen WGI en de Stichting. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat op grond van de vermelding van [gedaagde sub 3] als bestuurder van de Stichting in het uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (van in ieder geval 9 maart 2003), WGI er van uit mocht gaan dat [gedaagde sub 3] formeel bestuurder was van de Stichting. Gelet op het hiervoor onder 5.6 genoemde uitgangspunt, had het op de weg van WGI gelegen om zodanige feiten en omstandigheden te stellen dat daaruit zou kunnen worden afgeleid welk persoonlijk verwijt aan [gedaagde sub 3] kan worden gemaakt ter zake de door WGI geleden schade. Vereist is dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat daaruit de (nauwe) betrokkenheid van [gedaagde sub 3] bij de overeenkomst kan worden afgeleid. WGI heeft hieromtrent echter niets, althans onvoldoende gesteld om het persoonlijke verwijt jegens [gedaagde sub 3] te kunnen schragen. Op grond van het vorenstaande dient de vordering van WGI jegens [gedaagde sub 3] als onvoldoende gegrond te worden afgewezen. WGI zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten. ten aanzien van [gedaagde sub 2] (gedaagde sub 2) Onbetwist is dat [gedaagde sub 2] werkzaam was bij de Stichting ten tijde van het sluiten van de aansluitingsovereenkomst tussen WGI en de Stichting op 16 maart 2003. Uit het dossier en de stellingen van partijen kan worden afgeleid dat [gedaagde sub 2] als aanspreekpunt fungeerde. In de nadien gesloten detacheringovereenkomst tussen WGI en de Stichting, gedateerd 31 juli 2003, staat vermeld dat [gedaagde sub 2] in deeltijd bij de Stichting werkzaam was in de functie van “Algemeen coördinator”. Hoewel tussen partijen vast staat dat [gedaagde sub 2] met ingang van 1 augustus 2003 secretaris van de Stichting is geworden, is de formele inschrijving van [gedaagde sub 2] als bestuurder in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel achterwege gebleven. WGI heeft nog gesteld dat [gedaagde sub 2] zich vooraf, ten tijde en na het ondertekenen van de aansluitingsovereenkomst als feitelijk bestuurder van de Stichting heeft gedragen, maar WGI heeft daarbij niet aangegeven welke feitelijke handelingen persoonlijk aan haar kunnen worden verweten. Gelet op het uitgangspunt dat aan de aangesprokene persoonlijk een verwijt moet worden gemaakt, moet worden geconcludeerd dat WGI niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Op grond van het vorenstaande dient de vordering van WGI jegens [gedaagde sub 2] als onvoldoende gegrond te worden afgewezen. WGI zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten. ten aanzien van [gedaagde sub 4] (gedaagde sub 4) Het algemene uitgangspunt is dat, als een gedaagde partij geen verweer heeft gevoerd, de vordering van de eisende partij in beginsel, voor zover deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, voor toewijzing vastbaar is. In dit verband is wel van belang dat het gestelde de vordering en het beoogde rechtsgevolg moet dragen. Zoals hiervoor al is aangegeven dient als uitgangspunt te gelden dat van aansprakelijkheid slechts sprake kan zijn, indien de bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt treft. Volgens WGI kan [gedaagde sub 4] als feitelijk bestuurder worden aangemerkt, nu hij volgens de notulen van de bestuursvergadering van de Stichting van 1 augustus 2003 vanaf 1 januari 2003 interim-voorzitter was en met terugwerkende kracht (per 3 januari 2003) is benoemd tot voorzitter van het bestuur van de Stichting, en hij als voorzitter van de Stichting de aansluitingsovereenkomst met WGI heeft ondertekend. Vastgesteld wordt dat de formele inschrijving van [gedaagde sub 4] als bestuurder van de Stichting in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel achterwege is gebleven. Uit de akte van oprichting van de Stichting (artikel 7) blijkt dat het bestuur de Stichting vertegenwoordigt en dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid toekomt aan twee gezamenlijk handelende bestuursleden. Het bestuur kan voorts volmacht verlenen aan één of meer bestuursleden, als ook aan derden om de Stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen. Niet is gesteld of gebleken dat aan [gedaagde sub 4] een volmacht voor het sluiten van de onderhavige overeenkomst is verstrekt. Voorts is niet gesteld of gebleken dat WGI heeft nagegaan of [gedaagde sub 4] daadwerkelijk bevoegd was om de Stichting te vertegenwoordigen voorafgaand of ten tijde van het sluiten van de onderhavige overeenkomst. De enkele omstandigheid dat [gedaagde sub 4] namens de Stichting de onderhavige overeenkomst heeft ondertekend, is echter onvoldoende voor de vaststelling van aansprakelijkheid als bestuurder op grond van een onrechtmatige daad. WGI heeft geen andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde sub 4] met de verdere afwikkeling van de overeenkomst enige bemoeienis heeft gehad noch dat hij anderszins nauw bij de Stichting betrokken is geweest, op grond waarvan hem een persoonlijk verwijt van de door WGI geleden schade kan worden gemaakt. Ook de stelling van WGI dat [gedaagde sub 4] als feitelijk bestuurder behoorde te weten dat de Stichting er financieel slecht voor stond en dat hij had moeten begrijpen dat de Stichting niet of niet binnen redelijke termijn aan haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst zou kunnen voldoen, mist feitelijke grondslag. In dit verband heeft WGI niets, althans onvoldoende gesteld om het persoonlijke verwijt jegens [gedaagde sub 4] op dit punt te kunnen onderbouwen. Daar komt bij dat niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde sub 4] mededelingen over de financiële positie van de Stichting heeft gedaan, terwijl hij wist of behoorde te weten dat deze mededelingen onjuist of misleidend zijn en die daarmee ten onrechte de schijn van kredietwaardigheid van de Stichting hebben gewekt of in stand gehouden. Hieruit volgt dat niet kan worden geconcludeerd dat [gedaagde sub 4] in strijd met de zorgvuldigheid heeft gehandeld, die hij persoonlijk tegenover WGI in acht had moeten nemen. Ook is anderszins niet aannemelijk geworden dat [gedaagde sub 4] nauw betrokken zou zijn geweest bij het financiële beleid van de Stichting. Op grond van het vorenstaande dient de vordering van WGI jegens [gedaagde sub 4] als onvoldoende gegrond te worden afgewezen. WGI zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten, met dien verstande dat, gelet op het feit dat geen verweer is gevoerd, deze kosten zullen worden begroot op nihil. 6 De beslissing De rechtbank, wijst af de vorderingen van WGI; veroordeelt WGI in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1], tot aan deze uitspraak bepaald op € 1.120,-- aan vast recht en € 2.842,-- aan salaris voor de advocaat; veroordeelt WGI in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 2], tot aan deze uitspraak bepaald op € 1.120,-- aan vast recht en € 2.842,-- aan salaris voor de advocaat; veroordeelt WGI in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 3], tot aan deze uitspraak bepaald op € 1.120,-- aan vast recht en op € 2.842,-- aan salaris voor de advocaat; veroordeelt WGI in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 4], tot aan deze uitspraak bepaald op nihil; verklaart dit vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling ten aanzien van [gedaagde sub 3] betreft uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Rutten. Uitgesproken in het openbaar. 209 / 1554