Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1827

Datum uitspraak2008-09-11
Datum gepubliceerd2008-09-22
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAWB 07/2372
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek schadevergoeding wegens onrechtmatig dwangbesluit. Eisers hadden reeds eerder in hoger beroep tegen het dwangsombesluit om schadevergoeding op de voet van 8:73 van de Awb verzocht. Dit verzoek is door de Afdeling afgewezen, nu de gestelde schade niet was onderbouwd met gegevens en bescheiden.
De rechtbank begrijpt de uitspraak van de Afdeling aldus dat de Afdeling heeft bedoeld het verzoek van eisers om schadevergoeding ten gronde af te doen en heeft geoordeeld dat er geen aanspraak bestaat op schadevergoeding. Gelet hierop bestaat er thans geen ruimte meer voor vergoeding van schade op grond van een zelfstandig schadebesluit.


Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 07/2372 Uitspraak van de meervoudige kamer van 11 september 2008 inzake [eisers], te [woonplaats] (Zwitserland), eisers, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder, gemachtigde mr. G.L. Pijnenburg Procesverloop Bij besluit van 2 maart 2007 heeft verweerder het verzoek van eisers om vergoeding van door hen geleden schade als gevolg van een onrechtmatig genomen bestuursdwangbesluit afgewezen. Hiertegen hebben eisers bij brief van 19 maart 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij besluit van 4 juni 2007 heeft verweerder het bezwaar conform het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften van verweerders gemeente van 2 mei 2007 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 11 juli 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank. De zaak is behandeld op de zitting van 15 juli 2008, waar eisers niet zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Overwegingen 1. In deze zaak is aan de orde de vraag of verweerder in redelijkheid en op goede gronden het verzoek van eisers om schadevergoeding heeft afgewezen. Feiten 2. Verweerder heeft op 7 september 2004 aan eisers onder oplegging van een dwangsom gelast de aan de achterzijde van het pand [adres] te [plaats] geplaatste kunststof kozijnen te vervangen door houten kozijnen. Verweerder stelde zich daarbij op het standpunt dat eisers zonder de daartoe vereiste vergunning dan wel melding de bestaande houten kozijnen hadden vervangen door kunststof exemplaren. Volgens verweerder was legalisatie niet mogelijk. Bij uitspraak van 29 juni 2005 heeft de rechtbank verweerder in het gelijk gesteld. 3. In hoger beroep is geoordeeld dat verweerder niet bevoegd was om handhavend op te treden, omdat voor het plaatsen van de kunststof kozijnen reeds in 1999 een bouwvergunning van rechtswege was ontstaan. Bij uitspraak van 5 juli 2006 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) verweerder veroordeeld tot vergoeding van bij eisers in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.071,99, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het verzoek van eisers om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgewezen. 4. Eisers hebben bij brief van 1 augustus 2006 bij verweerder een verzoek tot schadevergoeding gedaan. Zij stellen onder verwijzing naar een aantal artikelen uit het Burgerlijk Wetboek (BW) dat zij recht hebben op schadevergoeding, zowel materieel als immaterieel. De schade is begroot op € 163.078,10 en bestaat uit een achttal componenten, te weten: 1. geïnvesteerde tijd; 2. kopieerkosten; 3. kosten verzending brieven; 4. advertentiekosten 5. advocaatkosten; 6. kosten in verband met het niet kunnen verkopen van de woning hangende de gerechtelijke procedure; 7. verlies van rente op de pensioenkas; 8. immateriële schade vanwege gederfd woongenot. 5. Bij brief van 22 april 2007 hebben eisers de schadeclaim verhoogd met € 1.388,65. 6. Verweerder heeft de schadeclaim doorgestuurd naar haar verzekeraar Onderlinge Verzekeringen Overheid u.a. (OVO). Die heeft verweerder op 12 januari 2007 geadviseerd de claim middels het nemen van een zelfstandig schadebesluit af te wijzen. Oordeel van de rechtbank 7. Eisers hebben hun verzoek om schadevergoeding in verband met de vernietiging van verweerders dwangsombesluit ter zake van het verwijderen van kunststof kozijnen gericht tot de burgemeester van verweerders gemeente. Verweerder heeft dit naar het oordeel van de rechtbank mogen opvatten als een verzoek dat ook tot hem is gericht nu eisers - kort weergegeven - in dit verzoek hebben aangegeven de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders aansprakelijk te stellen voor de geleden schade. Verweerder heeft daarom op dat verzoek kunnen en mogen beslissen. 8. Eisers vorderen vergoeding van zowel materiële als immateriële schade. Eisers stellen die schades te hebben geleden door onrechtmatig handelen van verweerders gemeente sedert 1999, aangezien het bestuursdwangbesluit van 7 september 2004 onrechtmatig was nu reeds in 1999 een bouwvergunning van rechtswege is ontstaan zoals de AbRS bij uitspraak van 5 juli 2006 heeft geoordeeld. 9. Blijkens de uitspraak van de AbRS van 5 juli 2006 hebben eisers reeds in hoger beroep verzocht om de door hen geleden schade met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te vergoeden. Dit verzoek is door de AbRS in rechtsoverweging 2.5 afgewezen, nu de gestelde schade niet is onderbouwd met gegevens en bescheiden. 10. In artikel 8:73, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon kan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. In het tweede lid van voormeld artikel is bepaald dat indien de rechtbank de omvang van de schadevergoeding niet of niet volledig kan vaststellen, zij in haar uitspraak bepaalt dat ter voorbereiding van een nadere uitspraak daarover het onderzoek wordt heropend. De rechtbank bepaalt daarbij op welke wijze het onderzoek wordt voortgezet. 11. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is artikel 8:73 van de Awb van overeenkomstige toepassing op procedures voor de AbRS. 12. De rechtbank leidt uit voormelde uitspraak van de AbRS af dat de situatie als bedoeld in artikel 8:73, tweede lid, van de Awb zich niet voordeed. Het niet of niet volledig kunnen vaststellen van de schade was niet aan de orde. Immers, als die situatie zich zou hebben voorgedaan dan mag worden verwacht dat de AbRS het onderzoek zou hebben heropend en aangegeven op welke wijze het onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak zou worden voortgezet. 13. De rechtbank begrijpt deze uitspraak van de AbRS dan ook aldus dat de AbRS heeft bedoeld het verzoek van eisers om veroordeling tot schadevergoeding ex artikel 8:73 van de Awb ten gronde af te doen en heeft geoordeeld dat geen aanspraak bestaat op schadevergoeding. Gelet hierop bestaat geen ruimte meer voor vergoeding van schade op grond van een zelfstandig schadebesluit. Immers, op zelfstandige schadebesluiten is het hetzelfde materiële schadevergoedingsrecht van toepassing als bij de beoordeling van verzoeken om veroordeling tot schadevergoeding. Dit betekent dat verweerder niet gehouden was inhoudelijk te reageren op het thans voorliggende verzoek van eisers om schadevergoeding. Verweerder had kunnen volstaan met afwijzing van het verzoek onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS. Dat verweerder desondanks inhoudelijk is ingegaan op het verzoek is geen reden het bestreden besluit te vernietigen, nu dit ook een afwijzing behelst. 14. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep van eisers ongegrond verklaren. 15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of voor het geven van een opdracht aan verweerder tot vergoeding van het griffierecht. Beslissing De rechtbank, - verklaart het beroep ongegrond. Aldus gedaan door mr. A.H.N. Kruijer als voorzitter en mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. H.F.M.W. van Rijswijk als leden in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2008. De voorzitter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen. Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Afschriften verzonden: