
Jurisprudentie
BF1826
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers160749
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers160749
Statusgepubliceerd
Indicatie
De vordering in conventie strekt primair tot nakoming van de betalingsverplichting zoals vastgelegd in de schuldbekentenissen van gedaagde. Gedaagde heeft als verweer tegen de vordering in conventie aangevoerd dat de schuldbekentenissen onder misbruik van omstandigheden zijn totstandgekomen. Op die grond heeft zij tevens in reconventie vernietiging van deze schuldbekentenissen gevorderd.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 160749 / HA ZA 07-1523
Vonnis van 17 september 2008
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. D.W. Peters te Arnhem,
tegen
[gedaagde],
wonende te [gedaagde],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. M.E. Bosman te Arnhem.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 januari 2008
- het proces-verbaal van comparitie van 20 maart 2008
- de akte uitlating wijziging van eis en conclusie van antwoord in reconventie van [gedaagde]
- de antwoordakte van [eiseres].
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [gedaagde] heeft sinds 1998 op particuliere basis voor de moeder van [eiseres] gewerkt. De taken van [gedaagde] bestonden uit het begeleiden, verzorgen en het gezelschap houden van de moeder.
2.2. Bij de stukken bevindt zich een rapport van UWV Gak van 25 september 2003. Hierin is, voor zover van belang, opgenomen:
“[voorletters] [eiseres] is een 56-jarige vrouw die als jonggehandicapte volledig arbeidsongeschikt wordt beschouwd wegens een aangeboren aandoening die haar lichamelijk en geestelijk in die mate beperkt dat er geen sprake kan zijn van loonvormende arbeid op de reguliere arbeidsmarkt. Wel is ze in staat arbeid te verrichten onder beschutte omstandigheden. [eiseres] is sedert 1971 werkzaam bij Presikhaaf Bedrijven.”
Haar inkomen bestaat uit een salaris van ongeveer € 16.000,- netto per jaar.
2.3. De moeder van [eiseres] is op 10 december 2003 overleden. Tot het overlijden at [eiseres] dagelijks bij haar moeder. [eiseres] heeft in verband met het overlijden van haar moeder een erfenis ontvangen van ongeveer € 170.000,-.
2.4. [eiseres] heeft begin 2004 in aanwezigheid van [gedaagde] een rekening geopend bij de ABN-Amro bank. Sedert de opening van de rekening bij de ABN-Amro zijn in één jaar tijd aanvankelijk honderden en later steeds duizenden euro’s opgenomen respectievelijk afgeschreven. [gedaagde] was bekend met de aan [eiseres] verstrekte pincodes.
2.5. Bij de stukken bevindt zich een brief van het Belastingadviesbureau Van Beest & Hachmang van 31 mei 2005 aan mevrouw [betrokkene]. Hierin is, voor zover van belang, opgenomen:
“Hierbij zend ik u een exemplaar van de overzichten van de privé-rekening en groeigemak rekening bij de ABN Amro van uw zuster. Uit deze overzichten blijkt dat in de periode 5 augustus 2004 tot en met 26 mei 2005 een totaal aan geldmiddelen is opgenomen van € 66.059,10. (..) Bovenstaande opnamen over een periode minder dan een jaar, daarbij de opnamen en uitgaven via haar giro nog buiten beschouwing latende, geven een extreme toename te zien. Een verklaring wat er met haar geld gebeurd is lijkt mij hier wel op zijn plaats.”
2.6. Bij de stukken bevindt zich een ondertekende brief van [gedaagde] van 10 september 2005. Hierin is, voor zover van belang, opgenomen:
“Ondergetekende [gedaagde] gehuwd met [betrokkene] geeft hierbij een verklaring af dat het bedrag van € 60.000,- aan mej. [voorletters] [eiseres] teruggestort gaat worden in maandelijkse termijnen van € 500,-. Het bedrag van € 60.000,- zal ineens opeisbaar zijn als zij zich niet aan deze afspraak gaat houden. Binnen 10 jaar moet dit afgelost zijn. Bij overlijden van deze persoon binnen deze 10 jaar dan zal de schuld worden afgelost uit vrij gekomen geld via haar testament na overlijden en van levensverzekering. De terugbetaling aan mej. [voorletters] [eiseres] is ingegaan op 5 augustus 2005 en zal elke maand een vervolg krijgen welke datum en dag is niet vast te leggen als het maar per maand gestort gaat worden.
De Steeg 10-9-2005
[gedaagde].”
2.7. Bij de stukken bevindt zich een brief van 14 oktober 2005. Hierin is, voor zover van belang, opgenomen:
“Ik, [eiseres], geeft hierbij aan, dat zij [gedaagde] heeft laten meedelen in haar vermogen. Ik heb [gedaagde] voor al haar trouwe jaren een groot bedrag geschonken en samen hebben wij genoten van mijn geld. Mijn zusters beschuldigen [gedaagde], dat zij het geld heeft “genomen” en hebben haar onder druk gezet en om mij te beschermen is [gedaagde] ingegaan op de terugbetaling daarvan. Ik ben het niet eens met die terugbetaling. En ik sta niet onder curatele en ik wist goed wat ik deed! Ze hebben nu een grote smet op [gedaagde]’s naam gebracht! “Ze” spreiden het ten toon, alsof ik onder [gedaagde]’s invloed sta en dat is niet waar!
[eiseres]
[gedaagde]”
2.8. Bij de stukken bevindt zich een ondertekende brief van [gedaagde] van 20 december 2005. Hierin is, voor zover van belang, opgenomen:
“[gedaagde] heeft vanuit haar verantwoordelijkheidsgevoel en dankbaarheid naar mej. [voorletters] [eiseres] een regeling getroffen met mej. [voorletters] [eiseres] om maandelijks € 250,- tweehonderdvijftig euro te storten op haar rekening zolang mej. [voorletters] [eiseres] in leven is of dat het bedrag voldaan is. Mej. [voorletters] [eiseres] heeft op schrift aangegeven dat zij dit niet terug wil hebben, maar gezien de omstandigheden lijkt mij dit beter van wel.”
2.9. Bij de stukken bevindt zich een ondertekende brief van [gedaagde] van 15 januari 2006. Hierin is, voor zover van belang, opgenomen:
“Beste [betrokkene],
Hierbij wil ik ons telefoongesprek van zaterdag jl. bevestigen. (..) Mijn vraag aan jullie is trek de aangifte in laat mij mijn gezin mogen behouden, het lost niets op maar alleen maar veel verdriet.
1. Terugbetaling van € 60.000,- aan [eiseres] via maandelijkse aflossing van € 500,- alles wat meer kan zal gebeuren.
2. Geen kontakt met [eiseres].
3. Jullie mogen dat vast laten leggen.
Bij in gebreke blijven zal zonder bericht aan mij gerechtelijke stappen worden genomen.”
2.10. Bij de stukken bevindt zich een brief van drs. R. Voorhaar, psycholoog, van 18 februari 2008. Hierin is, voor zover van belang, opgenomen:
“Mevrouw G. [gedaagde] is sinds 14 november 2007 in behandeling in onze praktijk. In het kader van de rechtzaak van betrokkene stelde u mij twee vragen. Ten eerste de vraag of betrokkene in 2005 in staat zou zijn geweest om onder druk een valse verklaring te hebben afgelegd. In psychodiagnostisch opzicht hebben we te maken met een vrouw met een kwetsbaar zelfgevoel. Ze is geneigd om conflicten en krenkingen te voorkomen door meer verantwoordelijkheid op zichzelf te nemen dan dat bij haar passend is. Wanneer ze onder druk staat komen de meer ontwijkende trekken van haar persoonlijkheid naar voren, die ertoe kunnen leiden dat zij zich subassertief gedraagt. Dit wordt mijns inziens ondermeer goed geïllustreerd door de suïcidepoging die zij ondernam naar aanleiding van de zo door haar beleefde opgelegde druk. In de suïcidepoging zit in psychologisch opzicht een sterk kwetsbaar alsook ontwijkend aspect. Met deze persoonlijkheidseigenschappen rekening houdend, lijkt het mij mogelijk dat zij in staat zou zijn tot het afleggen van een inadequate verklaring.”
2.11. Bij de stukken bevindt zich een ongedateerde brief van [gedaagde]. Hierin is, voor zover van belang, opgenomen:
“Wat is mijn inzet geweest vanaf 1999 t/m 2005 voor [eiseres].
1. Totale verzorging gegeven ook de jaren dat mevrouw [eiseres] er nog was.
2. Ik ben en was altijd bereikbaar voor [eiseres].
3. Kontakt met haar werk gehouden, [eiseres] was niet te genieten op haar werk huilerig, veel schreeuwen en heel onzeker, als dat zo doorging dan kwam Maatschappelijk er aan te pas, met gevolg niet meer werken. Nu gaat het al een paar jaar prima en ik mag wel zeggen dat ik daar heel veel energie in heb gestoken.
4. [eiseres] rook heel vies en had altijd kleding aan vol vlekken en alles kapot woonde in haar flat in viezigheid dat kunnen 10 personen bevestigen zij hebben met alles geholpen anders was er geen doorkomen aan. [eiseres] zakte helemaal weg en als je haar nu ziet een blijde vrouw gelukkig met haar omgeving en alles wat er gedaan word met haar. Zij kan nu iedereen ontvangen, het ruikt fris in huis, en [eiseres] zelf ziet er nu verzorgd uit.
5. Je moet [eiseres] blijven begeleiden, zij heeft dat nodig, kan niet zonder. Ik wil dat graag blijven doen maar ik weet nu niet of dat nog kan. Als ik al mijn uren zou moeten berekenen dan kwam ik dik tekort aan het bedrag wat ik nu heb gekregen.
6. Dat [eiseres] geen kontact wilde met [betrokkene] en [betrokkene] heeft niet aan mij gelegen en als [eiseres] door toedoen van hun overstuur raakt dan moet ik wel zorgen dat alles weer rustig word voor haar. Vandaar mijn gezegde neem vandaag maar geen telefoon aan en doe de deur maar niet open. Het gaat mij om [eiseres].
7. [eiseres] kan wel degelijk liegen om zelf vrijuit te gaan dat doet zij niet alleen bij mij maar ook naar anderen. Je kan vragen, heb je dat gedaan dan krijg je een antwoord van ja of neen, maar je weet dat het niet zo is. Ik en anderen kunnen een boek schrijven over de zussen van [eiseres], maar daar gaat het nu niet om. [eiseres] heeft dat bedrag gegeven had ik beter niet aan kunnen nemen maar vergeet niet dat zij dat uit liefde naar mij heeft gedaan. Er liggen nog zoveel jaren voor ons het zou nu zeker voor [eiseres] verdrietig zijn als dat niet meer kan. Ik hoop op deze wijze duidelijkheid te geven.
H. gr. [gedaagde]”
2.12. [gedaagde] heeft ondanks aanmaningen in totaal een bedrag van € 58.750,00 niet terugbetaald.
3. Het geschil
in conventie
3.1. [eiseres] heeft - samengevat - gevorderd [gedaagde] te veroordelen primair tot betaling van een bedrag van € 58.750,- (= € 60.000,00 - € 1.250,00), alsmede rente en proceskosten.
3.2. Aan haar primaire vordering legt [eiseres] ten grondslag, primair nakoming van de betalingsverplichting uit hoofde van de schuldbekentenissen, subsidiair het plegen van een onrechtmatige daad en/of ongerechtvaardigde verrijking en/of onverschuldigde betalingen.
3.3. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [gedaagde] heeft betwist een bedrag van € 60.000,- aan [eiseres] verschuldigd te zijn, aangezien [eiseres] geen vorderingsrecht heeft. [gedaagde] betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld en heeft aangevoerd dat zij een bedrag van € 25.000,- en € 4.100,- middels schenking van [eiseres] heeft ontvangen.
3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5. In reconventie heeft [gedaagde] gevorderd bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- de door [gedaagde] gedane rechtshandelingen van 10 september 2005, 20 december 2005 en 15 januari 2006, strekkende tot terugbetaling van enig geldbedrag, te vernietigen op grond van misbruik van omstandigheden;
- te verklaren voor recht dat de door [gedaagde] terugbetaalde bedragen ad € 5.209,- zonder rechtsgrond aan [eiseres] zijn voldaan en derhalve door [gedaagde] onverschuldigd aan [eiseres] zijn betaald;
- [eiseres] te veroordelen om binnen twee weken na het wijzen van het vonnis, tegen finale kwijting en afgifte van een kwitantie, een bedrag van € 5.209,- aan [gedaagde] te betalen;
- [eiseres] te veroordelen in de proceskosten.
3.6. Aan haar vordering legt [gedaagde] ten grondslag dat de schuldbekentenissen vernietigbaar zijn aangezien zij door misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen door op ontoelaatbare wijze druk uit te oefenen.
3.7. [eiseres] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1. De vordering in conventie strekt primair tot nakoming van de betalingsverplichting zoals vastgelegd in de schuldbekentenissen van [gedaagde]. [gedaagde] heeft als verweer tegen de vordering in conventie aangevoerd dat de schuldbekentenissen onder misbruik van omstandigheden zijn totstandgekomen. Op die grond heeft zij tevens in reconventie vernietiging van deze schuldbekentenissen gevorderd.
4.2. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar beroep op misbruik van omstandigheden gesteld dat zij door de zussen van [eiseres] op ontoelaatbare wijze onder druk werd gezet. Deze hebben haar in het tweede half jaar van 2005 aan diverse verhoren onderworpen, haar in meerdere gesprekken en diverse telefoongesprekken ter verantwoording geroepen, haar voorgehouden dat zij strafbare feiten zou hebben gepleegd en haar gezegd dat zij – de zussen – niet tot aangifte over zouden gaan en [gedaagde]s echtgenoot niet zouden informeren indien [gedaagde] een regeling zou treffen. De zussen van [eiseres] waren ervan op de hoogte, aldus nog steeds [gedaagde], dat zij onder geen beding wilde dat haar echtgenoot met de situatie bekend zou raken omdat zij vreesde dat dit het einde van haar huwelijk zou betekenen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de dreiging van de zussen om de echtgenoot in kennis te stellen voor haar reëel was, toen bleek dat de zussen haar werkgever op de hoogte hadden gesteld van de verdenkingen en dat zij op grond daarvan werd ontslagen.
Verder hebben de zussen van [eiseres] de vriendschap tussen [eiseres] en [gedaagde] verboden en aan [gedaagde] voorgehouden dat zij na terugbetaling van € 60.000,= aan [eiseres] weer met haar zou mogen omgaan. [gedaagde] was door de uitgeoefende druk helemaal van haar stuk en niet meer in staat om voor zichzelf op te komen. De zussen van [eiseres] hebben haar vervolgens bewogen de schuldbekentenissen te ondertekenen. [gedaagde] heeft nog een brief van haar psycholoog, drs. R. Voorhaar, van 18 februari 2008 in het geding gebracht, waarin de psycholoog verklaart dat met de persoonlijkheidseigenschappen van [gedaagde] rekening houdend het mogelijk lijkt dat zij in staat zou zijn tot het afleggen van een inadequate verklaring in 2005.
Tenslotte is er aangifte gedaan, waardoor [gedaagde] nog aan een strafrechtelijk onderzoek is blootgesteld en zijn er incassobureaus aan de deur geweest.
4.3. [eiseres] heeft daartegenover aangevoerd dat in de gesprekken tussen [gedaagde] en haar zussen door [gedaagde] zelf is verzocht haar echtgenote niet over de feiten te informeren en geen aangifte te doen en voorts dat er geen druk is uitgeoefend door de zussen. Volgens [eiseres] ontbreekt de kenbaarheid en is er geen sprake geweest van misbruik.
4.4. Hierover wordt het volgende overwogen. Bij de beoordeling van de vraag of een rechtshandeling door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen, komt het aan op de omstandigheden bij het aangaan van die rechtshandeling. Hetgeen [gedaagde] heeft gesteld zou aanleiding kunnen geven voor het oordeel dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Tegenover de gemotiveerde betwisting van [eiseres] is het op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv aan [gedaagde] te bewijzen dat [eiseres] en/of haar zussen hadden moeten begrijpen dat zij door bijzondere (psychische) omstandigheden is bewogen tot het opstellen en ondertekenen van de schuldbekentenissen van 10 september 2005, 20 december 2005 en 15 januari 2006 en dat [eiseres] en/of haar zussen het totstandkomen daarvan hebben bevorderd ofschoon zij met die kennis [gedaagde] daarvan hadden behoren te weerhouden. De rechtbank zal [gedaagde] op dit punt tot bewijslevering toelaten.
4.5. In het geval [gedaagde] niet slaagt in het bewijs van misbruik van omstandigheden bij de totstandkoming van de schuldbekentenissen en de schuldbekentenissen dus niet vernietigbaar zijn, zullen de vorderingen in reconventie worden afgewezen. Over de vorderingen in conventie wordt voor dat geval reeds thans het volgende overwogen.
4.6. Tussen de partijen is niet in geschil dat [gedaagde] bij de schuldbekentenissen heeft toegezegd een bedrag van € 60.000,= in maandelijkse termijnen te zullen terugbetalen. [eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde] tot op dat bedrag bij die rechtshandelingen aansprakelijkheid jegens haar heeft erkend. Dat laatste is door [gedaagde], anders dan door haar beroep op misbruik van omstandigheden, niet betwist. Indien [gedaagde] niet slaagt in het bewijs van haar stelling dat die erkenning onder misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen, is zij aan die erkenning gebonden. Dan is immers sprake van een situatie waarin, naar vaststaat, [gedaagde] aanzienlijke bedragen van [eiseres] heeft ontvangen en nadien haar verschuldigdheid tot terugbetaling van € 60.000,= heeft erkend. In dat geval bestaat dan geen grond voor een onderzoek naar de vraag of de gang van zaken tot aan de schuldbekentenissen wel een terugbetalingsverplichting voor [gedaagde] meebrengt.
4.7. [eiseres] heeft in conventie betaling van een bedrag ter grootte van € 60.000,00 –
€ 1.250,00 (= € 58.750,-) gevorderd. In de schuldbekentenissen is opgenomen dat het bedrag ter grootte van € 60.000,- door [gedaagde] in termijnen zal worden betaald. [eiseres] heeft ontbinding van die betalingsregeling gevorderd wegens toerekenbare tekortkoming. [gedaagde] heeft daartegen geen verweer gevoerd, zodat die vordering toewijsbaar is, de betalingsregeling zal worden ontbonden en de hoofdsom in zijn geheel opeisbaar is. [gedaagde] heeft wel aangevoerd dat zij aan [eiseres] reeds een bedrag van € 5.209,= heeft terugbetaald en gesteld dat dit bedrag ook op de vordering van [eiseres] in aftrek moet worden gebracht. [eiseres] heeft de betaling van in totaal € 1.250,= erkend. [eiseres] heeft voor wat betreft de rest aangevoerd dat de schuldbekentenissen van latere datum zijn dan de gestelde betalingen, zodat ervan uit moet worden gegaan dat daarbij met de daaraan voorafgaande betalingen reeds rekening is gehouden. [gedaagde] is daarop niet meer teruggekomen. Zij heeft die stelling van [eiseres] daardoor onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de vordering in conventie dan in zijn geheel (= € 58.750,-) voor toewijzing gereed ligt.
4.8. Voor het geval [gedaagde] wel slaagt in het bewijs dat de schuldbekentenis(sen) onder misbruik van omstandigheden zijn totstandgekomen, wordt als volgt overwogen. [eiseres] heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat [gedaagde] jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld en/of dat [gedaagde] zich ten koste van [eiseres] ongerechtvaardigd heeft verrijkt en/of dat [eiseres] [gedaagde] onverschuldigd heeft betaald en [gedaagde] dientengevolge gehouden is [eiseres] de schade die zij daardoor heeft geleden te vergoeden respectievelijk de onverschuldigde betaalde bedragen dient terug te betalen. Verder heeft [eiseres] aangevoerd dat zo er sprake is van schenkingen aan [gedaagde], deze onder misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen en de betalingen dientengevolge zonder rechtsgrond zijn gedaan.
4.9. Dienaangaande heeft [eiseres] het volgende gesteld:
a. [gedaagde] heeft geld verduisterd dan wel weggenomen door met de pinpas van [eiseres] ten eigen behoeve geld van de bankrekening van [eiseres] op te nemen, veelal op momenten waarop [eiseres] op haar werk was. Dit geldt onder meer de bedragen waarvan [gedaagde] erkent die te hebben ontvangen, te weten een geldbedrag van € 25.000,= en een bedrag van
€ 4.100,= waarvan een ring is gekocht, zij het dat [gedaagde] – volgens [eiseres] ten onrechte – stelt die bedragen ten titel van schenking te hebben ontvangen.
b. [eiseres] heeft aan [gedaagde] € 15.000,= betaald, omdat [gedaagde] dit vroeg als vergoeding voor werkzaamheden – door kennissen en familielenden van [gedaagde] - aan [eiseres]s woning, doch daarvoor was in het geheel geen vergoeding afgesproken zodat een rechtsgrond daarvoor ontbrak.
c. [eiseres] heeft voor [gedaagde] een camera ter waarde van € 378,= betaald, terwijl [gedaagde] die nooit heeft terugbetaald.
d. [gedaagde] heeft van [eiseres] geprofiteerd door te aanvaarden dat [eiseres] uitstapjes en reizen voor haar betaalde.
4.10. Voor wat betreft de bedragen van € 25.000,00 en € 4.100,00 (zie onder a.) wordt het volgende overwogen. De partijen verschillen van mening over de vraag of [gedaagde] deze bedragen eigenmachtig van de bankrekening van [eiseres] heeft gepind (volgens [eiseres]) of dat [eiseres] deze bedragen aan [gedaagde] heeft geschonken (volgens [gedaagde]). Voor het geval de stelling van [eiseres] dat [gedaagde] de bedragen eigenhandig heeft gepind zou komen vast te staan, moet dit handelen als onrechtmatig worden bestempeld en dienen de aldus verkregen bedragen ten titel van schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad aan [eiseres] te worden terugbetaald.
[gedaagde] heeft de stelling van [eiseres] echter betwist door te stellen dat sprake was van een schenking. Zij heeft daarover tijdens de comparitie verklaard dat zij in [eiseres]s aanwezigheid van de rekening van [eiseres] bedragen heeft gepind en dat [eiseres] dat goed vond. Artikel 7:176 BW bepaalt dat indien de schenker feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde rust. Misbruik van omstandigheden is onder meer aanwezig, wanneer [gedaagde] wist of had moeten begrijpen dat [eiseres] door afhankelijkheid werd bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling en desondanks het totstandkomen van die rechtshandeling heeft bevorderd, ofschoon hetgeen zij wist of had moeten begrijpen haar daarvan had behoren te weerhouden.
4.11. [eiseres] heeft dergelijke feiten gesteld. Zij heeft immers gesteld dat zij wegens een aangeboren aandoening lichamelijke en psychische beperkingen heeft, dat zij was aangewezen op verzorging en bijzondere aandacht van anderen en dat zij na het overlijden van haar moeder – bij wie zij dagelijks at - in een afhankelijkheidsrelatie tot [gedaagde] terecht is gekomen. Zij heeft die stellingen onderbouwd door te verwijzen naar de ongedateerde brief van [gedaagde], die luidt: “Wat is mijn inzet geweest vanaf 1999 t/m 2005 voor [eiseres]: Totale verzorging gegeven ook de jaren dat mevrouw [eiseres] er nog was. Ik ben en was altijd bereikbaar voor [eiseres]. Kontakt met haar werk gehouden, [eiseres] was niet te genieten op haar werk huilerig, veel schreeuwen en heel onzeker, als dat zo doorging dan kwam Maatschappelijk er aan te pas, met gevolg niet meer werken. Nu gaat het al een paar jaar prima en ik mag wel zeggen dat ik daar heel veel energie in heb gestoken. [eiseres] rook heel vies en had altijd kleding aan vol vlekken en alles kapot woonde in haar flat in viezigheid dat kunnen 10 personen bevestigen zij hebben met alles geholpen anders was er geen doorkomen aan. [eiseres] zakte helemaal weg en als je haar nu ziet een blijde vrouw gelukkig met haar omgeving en alles wat er gedaan word met haar. Zij kan nu iedereen ontvangen, het ruikt fris in huis, en [eiseres] zelf ziet er nu verzorgd uit. Je moet [eiseres] blijven begeleiden, zij heeft dat nodig, kan niet zonder.”
Deze verklaring van [gedaagde] komt overeen met de waarneming van de rechter tijdens de comparitie. Op die zitting bleek dat [eiseres] niet of nauwelijks tegen de situatie was opgewassen, dat zij slechts in beperkte mate begreep wat haar werd gevraagd, dat zij slechts in beperkte mate in staat was de vragen van de rechter te beantwoorden en dat zij gemakkelijk overstuur raakte. Verder is van belang dat [gedaagde] heeft verklaard de bedragen, die aanzienlijk zijn, zelf van de bankrekening van [eiseres] te hebben gepind.
4.12. Die omstandigheden komen er, anders dan [gedaagde] aanvoert, wel degelijk op neer dat sprake was van een afhankelijkheidsrelatie van [eiseres] tot [gedaagde]. Uit het feit dat [gedaagde] zelf aanzienlijke bedragen van de bankrekening van [eiseres] heeft gepind, blijkt voorts dat zij die schenkingen actief heeft bevorderd. Een en ander rechtvaardigt de conclusie dat de schenkingen door misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen. Het is op grond van artikel 7:176 BW aan [gedaagde] om het tegendeel te bewijzen.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiseres] uit dankbaarheid haar vrijwillig het bedrag heeft geschonken, dat [eiseres] in staat is haar eigen wil te bepalen en dat [eiseres] voldoende verstandelijke vermogens heeft om met geld om te gaan. Zij heeft echter niet voldoende geconcretiseerd uit welke specifieke feiten en omstandigheden deze algemene conclusie kan worden getrokken. [gedaagde] heeft met andere woorden onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd, die, indien zij zouden komen vast te staan, tot het oordeel zouden leiden dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] het besluit een schenking te doen weloverwogen, in rustig overleg, heeft genomen of dat zij die beslissing met derden heeft besproken. Vast staat dat er geen sprake is van een schriftelijke schenkingsovereenkomst, dat geen schenkingsrecht is afgedragen, kortom, dat van een transparante situatie geen sprake was. Ook de verklaring van [eiseres] van 14 oktober 2005 leidt niet tot een ander oordeel. Ook deze verklaring is in een gesprek onder vier ogen tussen [eiseres] en [gedaagde] totstandgekomen, terwijl [eiseres] door de ontstane conflictsituatie onder druk heeft gestaan. Dat [eiseres] niet onder curatele staat, is in dit kader niet doorslaggevend. Het feit dat zij haar eigen bankafschriften invulde en in staat was tot het verrichten van eenvoudige administratieve werkzaamheden is dat evenmin. Daaruit op zich volgt niet dat [eiseres] niet in een afhankelijkheidsrelatie tot [gedaagde] zou staan. Het feit dat de strafzaak tegen [gedaagde] is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs doet aan het voorgaande tenslotte evenmin af. Een gedraging behoeft immers niet strafbaar te zijn om als misbruik van omstandigheden te worden gekwalificeerd.
4.13. Uit het voorgaande volgt dat, indien sprake is geweest van een schenking, [gedaagde] de bedragen dient terug te betalen omdat [eiseres]s beroep op misbruik van omstandigheden slaagt. Indien geen sprake is geweest van een schenking, moet ervan worden uitgegaan dat [gedaagde] deze bedragen zonder titel heeft verkregen en dient zij die daarom als onverschuldigd terug te betalen. Zo zij die buiten toestemming van [eiseres] ten eigen bate van [eiseres]s rekening heeft gepind, is dat onrechtmatig en is de vordering ook op die grond toewijsbaar. De slotsom is dan ook dat [eiseres]s vordering tot terugbetaling van € 29.100,= ook toewijsbaar is voor het geval [gedaagde] slaagt in haar stelling dat de schuldbekentenissen onder misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen.
4.14. De beslissingen voor wat betreft de overige onder rechtsoverweging 4.8 gestelde gronden van de vordering van [eiseres] zullen thans worden aangehouden. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank zal ten aanzien van een of meer van die gronden tezijnertijd nadere bewijslevering nodig zijn.
4.15. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1. draagt [gedaagde] op te bewijzen dat [eiseres] en/of haar zussen hadden moeten begrijpen dat zij door bijzondere (psychische) omstandigheden is bewogen tot het opstellen en ondertekenen van de schuldbekentenissen van 10 september 2005, 20 december 2005 en 15 januari 2006 en dat [eiseres] en/of haar zussen het totstandkomen daarvan hebben bevorderd ofschoon zij met die kennis [gedaagde] daarvan hadden behoren te weerhouden (zie rechtsoverweging 4.4.),
5.2. bepaalt dat, indien [gedaagde] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. A.E.B. ter Heide in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op donderdag 27 november 2008 van 12:30 tot 17:00 uur,
5.3. bepaalt dat [gedaagde] binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank -ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl)- en aan de wederpartij moet berichten of hij bewijs door getuigen wil leveren en zo ja, onder opgave van het aantal en de namen van de te horen getuigen.
5.4. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank -ter attentie van de enquêtegriffie van de sector civiel (e-mail: rc.civiel.rb.arnhem@rechtspraak.nl)
- om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van het aantal en de namen van de te horen getuigen en de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,
5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle bewijsstukken die zij nog in het geding willen brengen aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2008.
Coll.: EB