
Jurisprudentie
BF1821
Datum uitspraak2008-09-22
Datum gepubliceerd2008-09-22
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers08/860
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-22
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers08/860
Statusgepubliceerd
Indicatie
Eigenaar verzoekt om teruggave van zijn hond stellend kort gezegd dat de hond niet agressief is en dat de gedragstest die de hond heeft ondergaan niet voldoet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld.
Uitspraak
RECHTBANK BREDA
Bd-nummer: 3251-981/08
rk-nummer: 08/860
Tussenbeslissing op het klaagschrift ex artikel 552a wetboek van strafvordering.
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het wetboek van strafvordering, ingekomen ter griffie op 25 augustus 2008, met betrekking tot voorwerpen, in beslag genomen in de zaak:
[klager],
[adres],
[adres] te [woonplaats].
Klager is [klager] voornoemd.
1. De procedure.
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
• het klaagschrift, dat - ondertekend door of namens klager - tijdig is ingediend ter griffie van het op grond van artikel 552a van het wetboek van strafvordering bevoegde gerecht;
• de kennisgeving inbeslagneming;
• het proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer van 19 september 2008, waaruit blijkt dat de officier van justitie, de raadsvrouw alsmede klager zijn gehoord.
2. De beoordeling.
Op 14 juli 2008 is de Rotweiler van verzoeker in beslag genomen naar aanleiding van een voorval op 10 juli waarbij een persoon door die hond gebeten zou zijn.
Op 15 augustus is door een gedragstherapeut verbonden aan een hondenadviesbureau een gedragstest afgenomen. De conclusie van de therapeut is dat de hond in potentie gevaarlijk is en hij adviseert om de hond niet te herplaatsen maar om de hond te laten inslapen.
Verzoeker heeft in zijn klaagschrift gevraagd om teruggave van de hond, stellend, kort gezegd, dat de hond niet agressief is en dat de test niet voldoet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. Ter zitting is door zijn advocate dit standpunt herhaald en nader onderbouwd.
In dit stadium ligt ter beoordeling voor of het belang van de strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet. Aangezien gesteld noch gebleken is dat het beslag onrechtmatig is, dient beoordeeld te worden of de grond voor het beslag nog aanwezig is. Die grond is in dit geval beperkt tot de vraag of onttrekking aan het verkeer van de hond kan worden bevolen. Volgens vaste jurisprudentie is bij een behandeling als deze slechts een geringe mate van waarschijnlijkheid. In dit geval is dan ook aan de orde de vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de zittingsrechter, later oordelend, tot een onttrekking zal komen.
Gelet op het door de gedragstherapeut uitgebrachte rapport, dient die vraag in beginsel negatief beantwoord te worden. Immers de conclusie van de deskundige is dat de hond zou moeten inslapen.
Met verzoeker en zijn raadsvrouwe, is de rechtbank van oordeel dat bij de gedragstest zodanige opmerkingen zijn te plaatsen dat twijfels rijzen ten aanzien van de door de gedragstherapeut gegeven conclusie. Niet vanwege het feit dat de gedragstherapeut niet deskundig genoeg zou zijn. De rechtbank heeft op basis van wat ter zitting naar voren is gebracht, geen reden om daaraan te twijfelen. Echter wel op basis van de beperkte omvang van de test en de totstandkoming van de conclusie. Verzoekers hebben voldoende aannemelijk gemaakt, onder andere door overlegging van de brief van de Minister van Landbouw aan de 2e Kamer van 10 september 2008, dat, wil een test kunnen dienen voor de beantwoording van de vraag of de hond aan het verkeer moet worden onttrokken, een uitgebreidere test en wellicht onder andere omstandigheden gewenst is dan nu heeft plaatsgevonden. Bovendien lijkt de getrokken conclusie voornamelijk gebaseerd op de negatieve wijze waarop de hond heeft gereageerd op de vangstok en is onvoldoende een afweging te vinden in welke mate de positieve reactie van de hond op het andere onderdeel een rol heeft gespeeld.
Met vorenstaande is niet gezegd dat de hond niet agressief is en dus dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat hij niet aan het verkeer zal worden onttrokken. Teruggave van de hond kan daarom in dit stadium niet plaatsvinden.
Op grond van vorenstaande moet echter wel betwijfeld worden of de test te zijner tijd zal kunnen dienen als basis voor een door de zittingsrechter te nemen beslissing. Omdat op dit moment nog geen zittingsdatum is gepland en om te voorkomen dat te zijner tijd de behandeling van de strafzaak zal moeten worden aangehouden om een nieuw rapport te laten uitbrengen, zal in het belang van verzoeker worden beslist tot een nieuw onderzoek.
De zaak zal worden verwezen naar de rechter-commissaris, teneinde aan een deskundige verbonden aan de Universiteit te Utrecht de navolgende vragen voor te leggen:
- Voldoet de gedragstest zoals naar voren komend uit het rapport van 15 augustus 2008 aan de eisen die aan een dergelijke test mogen worden gesteld.
- Zo nee, in welk opzicht niet.
- Indien de voorgaande vraag negatief wordt beantwoord, aan welke eisen dient naar uw mening dan een test te voldoen die inzicht geeft in het te verwachten gedrag in de toekomst en antwoord geeft op de vraag of herhaling van incidenten als die welke aan het beslag ten grondslag liggen is te vrezen en waarop baseert u deze mening. Wilt u dan tevens een dergelijke test van de hond afnemen.
- Indien de uitkomst van de test naar uw oordeel mede wordt bepaald door de omstandigheden waaronder die plaats vindt, dient u dat in uw rapport te vermelden en waar mogelijk aan te geven wat de invloed daarvan op de uitkomst is geweest.
- Wat wilt u voor een juiste beoordeling aanvullend opmerken.
Indien de aanwezigheid van verzoeker bij deze test naar het oordeel van de deskundige vereist is, dient het Openbaar Ministerie daaraan naar het oordeel van de rechtbank mee te werken.
3. De beslissing.
Houdt elke verdere beslissing aan.
Stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris ter uitvoering van hetgeen hiervoor is weergegeven.
Deze beslissing is op 22 september 2008 bij vervroeging gegeven door mr. Kooijman, rechter, in tegenwoordigheid van Van Rijs, griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2008.