
Jurisprudentie
BF1811
Datum uitspraak2008-06-26
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers106.005.809/01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers106.005.809/01
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vordering energiebedrijf in eerste aanleg beperkt tot € 5000. Kan in een vergevorderd stadium van de procedure in hoger beroep niet worden vermeerderd met ruim € 36 000. Oude meters van kraakpand zijn mogelijk defect; uitgebreid feitenonderzoek zal naar verwachting nodig zijn.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende te [woonplaats],
APPELLANT,
procureur: mr. G.M. Haring,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NUON RETAIL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. de naamloze vennootschap
N.V. CONTINUON NETBEHEER,
gevestigd te Arnhem,
beide vertegenwoordigd door NV Nuon Customer Care Center,
gevestigd te Arnhem,
GEÏNTIMEERDEN,
procureur: mr. J.G. Keizer.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [appellant] en (in enkelvoud) Nuon genoemd.
Bij dagvaarding van 11 oktober 2006 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 13 juli 2006, in deze zaak onder kenmerk CV 06-2805 gewezen tussen Nuon als eiseres en [appellant] als gedaagde.
Bij memorie heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof bij arrest – uitvoerbaar bij voorraad - het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vorderingen van Nuon alsnog zal afwijzen, met veroordeling van Nuon in de kosten van het geding in beide instanties.
Bij antwoordmemorie heeft Nuon de grieven bestreden, een productie in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.
Op 21 februari 2008 heeft Nuon aan het hof een akte in het geding brengen producties tevens akte vermeerdering van eis toegezonden.
Op 28 februari 2008 heeft [appellant] een akte uitlating vermeerdering eis tevens akte uitlating producties aan het hof en aan Nuon doen toekomen.
Partijen hebben hun zaak ter zitting van 6 maart 2008 doen bepleiten, ieder door hun procureur. Beide partijen hebben zich daarbij bediend van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen. Voorts is bij die gelegenheid akte verleend van de hiervoor genoemde door partijen aan het hof vooraf toegezonden stukken.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2. De feiten
De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 1.1 en 1.2 een aantal feiten als tussen partijen vaststaand aangemerkt. Hierover bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.
3. De beoordeling
3.1. In deze procedure vordert Nuon van [appellant] onder meer betaling voor door Nuon geleverde energie vanaf 2 juni 2002 aan het adres [A-straat 1-II hoog] te Amsterdam. [Appellant] is op dat adres als kraker woonachtig.
3.2. In eerste aanleg heeft Nuon haar vordering (ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding begroot op € 6.732,92 aan hoofdsom en bij repliek nader begroot op € 7.185,92), gelet op de in artikel 93 Rv opgenomen competentiegrens van de kantonrechter, beperkt tot een bedrag van € 5.000,- aan hoofdsom. Laatstgenoemd bedrag heeft de kantonrechter toegewezen. Tegen die beslissing is [appellant] in hoger beroep gekomen.
de vermeerdering van eis
3.3.1. Bij pleidooi in hoger beroep wenst Nuon haar eis te vermeerderen tot een bedrag van € 50.926,- aan hoofdsom. Zij grondt die vermeerdering erop dat [appellant] ook na april 2006 de maandelijkse voorschotbedragen gedeeltelijk onbetaald heeft gelaten en voorts dat op basis van in 2008 opgenomen meterstanden is geconstateerd dat in met name 2007 van een enorm oververbruik van gas sprake is geweest; de daarop betrekking hebbende periodieke afrekening van 16 februari 2008 is onbetaald gebleven.
3.3.2. [Appellant] heeft zich verzet tegen de vermeerdering van eis, zodat het hof hier allereerst op zal beslissen. Het hof ziet daarbij reden die vermeerdering in twee delen te doen uiteenvallen, enerzijds de van april 2006 tot en met januari 2008 verschuldigde voorschotbedragen en anderzijds de periodieke afrekening van 16 februari 2008 ten bedrage van € 36.883,79 en het daarop gebaseerde, sterk verhoogde, voorschotbedrag met ingang van februari 2008.
3.3.3. Met betrekking tot het eerste deel van de eisvermeerdering wordt het volgende overwogen. Het door Nuon in eerste aanleg gevorderde bedrag had betrekking op onbetaald gebleven voorschotnota’s over de periode 4 juli 2005 tot en met 19 april 2006 en onbetaald gebleven jaarafrekeningen gedateerd op 11 juni 2005. In hoger beroep breidt Nuon haar vordering uit, in die zin dat ook voldoening van onbetaald gebleven voorschotnota’s vanaf april 2006 wordt gevorderd. Nu dit deel van de vordering betrekking heeft op de periode ná het moment van vonnis vragen in eerste aanleg, de grondslag daarvan dezelfde is als in eerste aanleg en [appellant] gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om daarop bij antwoordakte en bij pleidooi te reageren (waarbij de gewijzigde eis geen aanleiding heeft gegeven voor nieuwe verweren van de zijde van [appellant] die nopen tot een nader debat), kan niet worden geoordeeld dat dit deel van de eisvermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Het bezwaar van [appellant] tegen de eisvermeerdering wordt in zoverre gepasseerd en het hof zal hierna, bij de bespreking van de grieven, op dit deel van de gewijzigde eis recht doen.
3.3.4. Met betrekking tot het tweede deel van de eisvermeerdering geldt het volgende. Waar de onbetaald gebleven jaarafrekeningen waarvan Nuon in eerste aanleg voldoening verlangde, niet, althans slechts in geringe mate afweken van het geschatte verbruik, is dit (volledig) anders bij de afrekening van 16 februari 2008. Het betreft hier een buitensporig hoge afrekening (van € 36.883,79), die leidt tot bepaling van een vele malen hoger voorschotbedrag met ingang van februari 2008.
3.3.5. Het hof voorziet dat, wil dit onderdeel van de vermeerderde vordering voor toewijzing in aanmerking komen, een uitgebreid feitenonderzoek zal dienen plaats te hebben. De hoge afrekening kan immers verschillende oorzaken hebben, er kan sprake zijn van overmatig gebruik (het standpunt van Nuon), maar ook mogelijk is dat zich in de, volgens [appellant], “eeuwenoude” meters een defect voordoet/heeft voorgedaan.
3.3.6. Gezien het feit dat de procedure zich thans in een vergevorderd stadium bevindt (de pleidooien in hoger beroep hebben reeds plaatsgevonden) en dat het door het hof voorziene uitgebreide feitenonderzoek daarin moeilijk valt in te passen, en vooral gelet op het belang van [appellant] om tegen deze (voor hem onverwacht hoge) vordering deugdelijk verweer te kunnen voeren, is het hof van oordeel dat de eisen van een goede procesorde aan het in behandeling nemen van het tweede onderdeel van de vermeerderde vordering in de weg staan. In zoverre is het door [appellant] ingestelde verzet gegrond.
behandeling van de grieven en (het toegelaten deel van) de vermeerderde vordering
3.4. In de door hem aangevoerde grieven betoogt [appellant] dat hij met ingang van juni 2005, en niet reeds vanaf juni 2002, een overeenkomst tot energielevering is aangegaan met Nuon. Ook betwist hij dat er een betalingsachterstand is in de termijnnota’s vanaf juni 2005.
3.5. Voor de beoordeling is het volgende van belang.
3.6.1. Ter onderbouwing van haar vorderingen heeft Nuon zich onder meer beroepen op een formulier waarvan de aanhef vermeldt “Overeenkomst voor levering Nuon-producten”. Deze formulieren worden door Nuon gebruikt voor nieuwe klanten. Op het in het door Nuon in het geding gebrachte formulier (hierna: het aanmeldingsformulier) zijn naam, adres en geboortedatum van [appellant] handgeschreven ingevuld, alsmede de meterstanden van elektriciteit en gas. Achter de voorbedrukte zinsnede “Datum waarop huurovereenkomst/leveringsakte van kracht is geworden” is “14 10 01” ingevuld. Voorts is aangekruist dat wordt gekozen voor Nuon Gas en Nuon Stroom. Onderaan het aanmeldingsformulier is als datum (naar het hof opmaakt uit het handschrift) “8-10-2004” vermeld. Ook is een handtekening geplaatst. Het aanmeldingsformulier is blijkens een daarop aangebracht datumstempel op 13 oktober 2004 door Nuon ontvangen.
3.6.2. Blijkens de aan de memorie van antwoord gehechte fotokopie zijn op het formulier twee handtekeningen geplaatst. Bij pleidooi is komen vast te staan dat de rechter handtekening veel later – en uitsluitend ter vergelijking met de links geplaatste handtekening – door [appellant] ten kantore van zijn advocaat is geplaatst.
3.6.3. Volgens Nuon is met de ontvangst van voornoemd formulier tussen haar en [appellant] een overeenkomst van energielevering tot stand gekomen met ingang van 2 juni 2002. Hoewel het aanmeldingsformulier in oktober 2004 door Nuon is ontvangen en daarop als ingangsdatum van de huurovereenkomst/leveringsakte 14 oktober 2001 is ingevuld, heeft Nuon er naar eigen zeggen om haar moverende redenen voor gekozen de overeenkomst per juni 2002 te laten ingaan.
3.6.4. [Appellant] heeft gemotiveerd betwist dat hij het bewuste formulier heeft ingevuld en ondertekend. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het pand aan de [A-straat 1] (hierna: het pand) sinds 2001 is gekraakt en dat het in de periode van 2001 tot 2005 door verschillende bewoners is bewoond. [Appellant] is naar eigen zeggen pas in juni 2005 in het pand gaan wonen en heeft het adres vóór die datum slechts als postadres gebruikt. [Appellant] vermoedt dat een andere bewoner het aanmeldingsformulier heeft ingevuld en daarbij zijn naam heeft gebruikt.
3.7. Op Nuon rust de plicht om haar stelling, dat zij met [appellant] een overeenkomst is aangegaan met ingang van 2 juni 2002 en uit dien hoofde betaling voor geleverde energie kan vorderen, te bewijzen. Het daartoe door Nuon in het geding gebrachte aanmeldingsformulier, zoals hiervoor onder 3.6.1 en 3.6.2 omschreven, is daartoe onvoldoende. Gelet op de stellige en gemotiveerde betwisting door [appellant] staat niet vast dat hij degene is geweest die het formulier heeft ingevuld en ondertekend. Het hof acht zulks evenmin voldoende aannemelijk, omdat de linksonderaan op het aanmeldingsformulier geplaatste handtekening op enkele punten afwijkt van de door [appellant] geplaatste en bij gelegenheid van het pleidooi getoonde handtekening en eveneens afwijkt van de op het paspoort van [appellant] geplaatste handtekening. Verder is van belang dat Nuon, anders dan te doen gebruikelijk, het aanmeldingsformulier in dit geval in behandeling heeft genomen zonder daarbij een kopie van een legitimatiebewijs van de aanvrager te verlangen. Ook is gesteld noch gebleken dat er door Nuon na de administratieve verwerking van het aanmeldingsformulier een bevestiging van de tenaamstelling aan [appellant] is toegezonden. Voorts heeft Nuon verzuimd een verklaring te geven op grond waarvan zij 2 juni 2002 als ingangsdatum van het contract in haar administratie heeft opgenomen.
3.8. Op grond van het voorgaande en bij gebreke van een concreet bewijsaanbod met betrekking tot de echtheid van de handtekening op het aanmeldingsformulier moet worden geconcludeerd dat aan het aanmeldingsformulier geen bewijskracht toekomt. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat met ingang van 2 juni 2002 een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen.
3.9. Voor het overige heeft Nuon telkens wisselende stellingen ingenomen die ertoe strekken dat [appellant] vanaf juni 2002 bedragen ter zake van energielevering verschuldigd zou zijn. Zo heeft zij gesteld dat zij [appellant] per 2 juni 2005 met terugwerkende kracht tot 2 juni 2002 heeft aangemeld (conclusie van repliek sub 10), dat [appellant] in oktober 2004 zelf heeft aangegeven dat de huurovereenkomst/leveringsakte per 14 oktober 2001 van kracht is geworden (memorie van antwoord sub 14-16) en dat [appellant] vanaf 14 oktober 2001, althans vanaf januari 2004, woonachtig is op het adres [A-straat 1], zodat er een stilzwijgende gebruiksovereenkomst was op grond waarvan [appellant] als hoofdbewoner vanaf het moment van afnemen van energie betaling is verschuldigd (pleitnotities in hoger beroep, sub 8-9). Bij gebreke van een voldoende consistente stellingname zijdens Nuon moet het door haar ten pleidooie gedane bewijsaanbod om een aantal (gespecificeerde) stukken in het geding te brengen, mede gelet op het stadium waarin dat aanbod is gedaan, als te onbestemd worden gepasseerd. Niet duidelijk is ten bewijze van welke stelling(en) dat aanbod heeft te gelden.
3.10. Uit het voorgaande vloeit voort dat de grieven doel treffen voor zover deze betrekking hebben op (toewijzing door de kantonrechter van) de vordering van Nuon ter zake van energielevering in de periode vóór juni 2005.
3.11. Gezien de erkenning van [appellant] dat hij vanaf juni 2005 een overeenkomst met Nuon heeft, gaat het hof ervan uit dat met ingang van juni 2005 een overeenkomst tussen partijen heeft bestaan. Met betrekking tot de verschuldigdheid van de vanaf dat moment verschuldigde bedragen ter zake van energielevering wordt het volgende overwogen.
3.12.1. Nuon vordert blijkens haar specificaties over de periode van juni 2005 tot en met april 2006 een bedrag van € 1.650,24 en over de periode van mei 2006 tot en met januari 2008 een bedrag van € 5.114,83. Het betreft hier voorschot- en kostennota’s die deels onbetaald zijn gebleven en de jaarafrekening van 15 februari 2007 die eveneens onbetaald is gebleven. [appellant] heeft de specificaties en de daarin opgenomen bedragen niet weersproken. Evenmin heeft hij gesteld dat de meterstanden waarop de jaarafrekening van 15 februari 2007 is gebaseerd, onjuist zouden zijn.
3.12.2. Wel heeft [appellant] gesteld dat alle nota’s zijn voldaan. Dit verweer treft echter geen doel, reeds omdat [appellant] dat niet heeft gestaafd aan de hand van betalingsbewijzen. Dat hij niet meer de beschikking heeft over alle aan hem toegezonden bankafschriften over de periode waarin de door hem gestelde betalingen zouden zijn verricht, komt voor zijn rekening. Daarbij wordt opgemerkt dat de door [appellant] gedane betaling ad € 189,54 op 2 december 2005, anders dan hij meent, wel degelijk door Nuon in haar overzicht in mindering is gebracht op de openstaande nota’s.
3.13. Het vorenoverwogene betekent dat toewijsbaar is een bedrag van € 1.650,24 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 19 januari 2006, de dag van de inleidende dagvaarding, alsmede een bedrag van € 5.114,83 aan hoofdsom, te vermeerderen me de wettelijke rente vanaf 21 februari 2008, de dag waarop Nuon haar eis heeft vermeerderd.
3.14. Het hof constateert dat het hiervoor genoemde bedrag ad € 1.650,24 aan hoofdsom een betalingsachterstand van meer dan drie maanden betreft, hetgeen op zichzelf genomen ontbinding van de overeenkomst tot energielevering door de kantonrechter rechtvaardigde. Bij de pleidooien in hoger beroep is evenwel gebleken dat ook na het wijzen van het vonnis de energielevering door Nuon is voortgezet. Voorts constateert het hof dat voor die leveringen door Nuon aan [appellant] voorschotbedragen in rekening zijn gebracht en dat de betaling van deze voorschotten bij wege van vermeerderde eis wordt gevorderd. In dit een en ander vindt het hof aanleiding – om redenen van praktische aard – (ook) de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding te vernietigen en in hoger beroep, waarin gebleken is van een aanzienlijk grotere achterstand, zelfstandig de ontbinding uit te spreken.
4. Slotsom
4.1. Het verzet tegen de vermeerdering van de vordering wordt deels ongegrond verklaard, te weten voor zover Nuon betaling vordert van de van april 2006 tot en met januari 2008 verschuldigde voorschotbedragen en de jaarafrekening van 15 februari 2007. Dit deel van de vermeerderde vordering zal voor een bedrag van € 5.114,83 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2008, worden toegewezen.
4.2. Het verzet tegen het deel van de vermeerderde vordering dat betrekking heeft op de periodieke afrekening van 16 februari 2008 ten bedrage van € 36.883,79 en het daarop gebaseerde voorschotbedrag met ingang van februari 2008, wordt gegrond verklaard. Op dit deel van de vermeerderde vordering zal derhalve door het hof geen recht worden gedaan.
4.3. Als gevolg van de beslissingen ten aanzien van de beide onderdelen van de vermeerderde vordering is de in het vonnis waarvan beroep onder III van het dictum uitgesproken veroordeling in hoger beroep niet langer toewijsbaar.
4.4. De grieven slagen deels en falen voor het overige. Het vonnis waarvan beroep moet deels worden vernietigd en deels worden bekrachtigd. Omwille van de leesbaarheid zal het vonnis in zijn geheel worden vernietigd en zal het dictum opnieuw worden geformuleerd.
4.5. Partijen zijn over en weer in het (on)gelijk gesteld. Het hof vindt hierin reden de kosten van de beide instanties te compenseren des dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. Beslissing
Het hof:
– vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende, mede ten aanzien van de vermeerderde vordering:
– ontbindt de tussen partijen gesloten overeenkomst ter zake van het gebruiksadres aan de [A-straat 1-II hoog] te Amsterdam;
– veroordeelt [appellant] om aan Nuon te betalen:
a. een bedrag van € 1.650,24 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 januari 2006 tot aan de dag der voldoening, alsmede
b. een bedrag van € 5.114,83 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2008 tot aan de dag der voldoening;
– veroordeelt [appellant] om, als aan de hiervoor genoemde veroordeling niet zal zijn voldaan, de monteur van Nuon, zoals contractueel overeengekomen en overeenkomstig hetgeen daaromtrent in de algemene voorwaarden behorende bij de overeenkomst tot energielevering is bepaald, op werkdagen tussen 08.00 uur en 20.00 uur toe te laten tot het perceel waar de energie-aansluitingen zich bevinden, om de energieleveringen te laten onderbreken;
– veroordeelt [appellant] om aan Nuon te betalen een bedrag van € 70,- indien en voor zover verwijdering van de energiemeter heeft plaatsgevonden;
– wijst af het meer of anders gevorderde;
– compenseert de proceskosten van de beide instanties, des dat iedere partij de eigen kosten draagt;
– verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, P.G. Wiewel en L.C. Heuveling van Beek en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2008.