Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1804

Datum uitspraak2008-06-19
Datum gepubliceerd2008-09-26
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep kort geding
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers200.003.451/01
Statusgepubliceerd


Indicatie

De grenzen van goed werkgeverschap zijn niet overschreden, nu werknemer die niet overgeplaatst wilde worden, de werkgever niet de gelegenheid bood hem met betrekking tot probleem terwille te zijn, en ook niet aanbood zijn werkzaamheden (na ziekte) te hervatten.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HAGO NEDERLAND B.V., gevestigd te Heerlen, APPELLANTE, procureur: mr. F.A. Chorus, t e g e n X, wonende te Y, GEÏNTIMEERDE, procureur: mr. N. de Vos. 1. Het geding in hoger beroep De partijen worden hierna respectievelijk Hago en X genoemd. Bij dagvaarding van 4 maart 2008 is Hago in hoger beroep gekomen van een kortgedingvonnis van de kantonrechter te Amsterdam, in deze zaak onder kknummer 08-20 gewezen tussen X als eiser en Hago als gedaagde. Het vonnis is uitgesproken op 8 februari 2006. Het appelexploot bevat de grieven. Hago heeft overeenkomstig het appelexploot zeven grieven tegen het vonnis aangevoerd en geconcludeerd - zakelijk weergegeven - dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van X zal afwijzen, met veroordeling van X in de kosten van beide instanties. Bij memorie van antwoord heeft X de grieven bestreden en geconcludeerd - zakelijk weergegeven - dat het hof het vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van Hago in, naar het hof begrijpt, de kosten van het hoger beroep. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en aan het hof verzocht arrest te wijzen. 2. Grieven Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar het appel-exploot. 3. Feiten In het bestreden vonnis onder “Feiten” heeft de kantonrechter de inhoud van de arbeidsovereenkomst tussen Hago en X beschreven. Onder “Beoordeling” heeft de kantonrechter, in de alinea overlopend van pagina 2 naar pagina 3, de feiten beschreven die aanleiding zijn geweest tot het geschil tussen partijen. Tegen deze beschrijvingen van de feiten zijn geen grieven gericht, zodat die feiten ook het hof tot uitgangspunt dienen. 4. Beoordeling 4.1. Van 31 augustus 2001 tot en met 3 december 2007 is X als schoonmaker/meewerkend voorman in dienst geweest van Hago. X werkte twintig uur per week, tegen € 8,90 per uur. Naar aanleiding van een incident op 11 juni 2007 in het pand van een opdrachtgever van Hago te Hoofddorp waar X op dat moment was tewerkgesteld, heeft Hago X op 12 juni 2007 voor drie dagen geschorst zonder betaling van loon. Op 18 juni 2007 heeft Hago X bericht dat hij niet langer tewerkgesteld kon worden in Hoofddorp. Op 4 juli 2007 heeft zij X bericht dat hij werd tewerkgesteld op object Latexfalt te Koudekerk aan den Rijn. X heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat hij het werk te ver weg vond. Op 9 juli 2007 heeft X zich op het werk laten rondleiden en verklaard dat hij het werk weigerde. Met ingang van 10 juli 2007 heeft X zich ziek gemeld. Op 18 juli 2007 heeft de bedrijfsarts van Commit BV geschreven dat zij X belastbaar achtte in zijn functie conform zijn contracturen en stelde zij hervat-ting van de werkzaamheden voor vanaf 23 juli 2007. Hago heeft X daarom bericht dat hij zich op 23 juli 2007 moest melden op het werk in Koudekerk aan den Rijn. X heeft zijn werkzaamheden echter niet hervat. Evenmin heeft hij het UWV om een second opinion gevraagd met betrekking tot het oordeel van de bedrijfsarts. Op 1 augustus 2007 heeft Hago aan X aangekondigd dat zij voor X een ontslagvergunning zou aanvragen bij het CWI. Aan deze aankondiging heeft Hago op 15 augustus 2007 gevolg gegeven. Het CWI heeft een ontslagvergunning verleend, waarna Hago de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. De arbeidsovereenkomst is geëindigd op 3 december 2007. Hago heeft vanaf de schorsing van X op 12 juni 2007 geen loon meer aan X betaald. 4.2. In eerste aanleg heeft X gevorderd dat Hago zou worden veroordeeld om het loon te betalen vanaf de datum van zijn schorsing tot en met de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Voorts heeft hij aanspraak gemaakt op, kort gezegd, betaling van hetgeen Hago bij correcte eindafrekening aan X verschuldigd zou zijn, op de wettelijke verhoging en op buitengerechtelijke kosten. 4.3. Omdat hij constateerde dat X de schorsing als zodanig niet had aangevochten, heeft de kantonrechter de vordering tot betaling van loon gedurende de schorsingsperiode afgewezen. De vordering tot nabetaling van hetgeen Hago bij correcte eindafrekening aan X had moeten betalen, heeft de kantonrechter afgewezen omdat ter zitting was gebleken dat X een deel van het gevorderde had ontvangen en de vordering overigens onvoldoende had toegelicht. De kantonrechter heeft de vordering tot betaling van loon vanaf 15 juni 2007 toegewezen, vermeerderd met 10% wegens wettelijke verhoging en met wettelijke rente. Tegen die toewijzing richt Hago haar grieven, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. 4.4. Niet ter discussie staat dat de CAO voor het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf die op de arbeidsovereenkomst tussen Hago en X toepasselijk was, de overplaatsing van X van het werk te Hoofddorp naar het werk te Koudekerk aan de Rijn op zichzelf toelaat. Wel ter discussie staat de vraag voor wiens rekening en risico het moet komen dat de overplaatsing naar Koudekerk niet is uitgevoerd, als gevolg waarvan X niet langer werkzaamheden voor Hago heeft verricht. De grieven dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat Hago met de overplaatsing van X naar Koudekerk aan den Rijn de grenzen van goed werkgeverschap heeft overschreden en dat in het midden kan blijven of X vervolgens heeft aangeboden zijn werkzaamheden te hervatten, slagen. Hago heeft aangevoerd dat X bij zijn weigering van het werk te Koudekerk aan den Rijn niet aan Hago kenbaar heeft gemaakt dat Koudekerk aan den Rijn hem niet schikte in verband met zijn werk uit hoofde van een ander dienstverband, voorts dat X Hago niet de gelegenheid heeft geboden om hem met betrekking tot dit probleem ter wille te zijn, en ten slotte dat X niet aan Hago heeft aangeboden om zijn werkzaamheden te hervatten. Nu X deze stellingen niet, althans niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, gaat het hof uit van de juistheid daarvan. Niet valt dan ook in te zien waarom Hago door de overplaatsing van X naar Koudekerk aan den Rijn de grenzen van goed werkgeverschap zou hebben overschreden. 4.5. Niet uitgesloten is dat dit oordeel anders zou moeten luiden indien zou moeten worden aangenomen dat de opdrachtgever van Hago er aanvankelijk geen bezwaar tegen had dat X zijn werkzaamheden zou voortzetten, maar dat dit anders is geworden door daarop gerichte vragen van de zijde van Hago. Uit een e-mailwisseling tussen Hago en die opdrachtgever, overgelegd als bijlage bij productie 23 van X in eerste aanleg, zou afgeleid kunnen worden dat Hago geen pogingen heeft ondernomen om het werk voor X te behouden. Wat hier ook van zij, X heeft dit een en ander niet voldoende duidelijk aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd. Onder verwijzing naar HR 8 januari 1999, NJ 1999, 342 tekent het hof daarbij aan dat de enkele vermelding in de inleidende dagvaarding (onder 8) van de twee brieven die X in de ontslagprocedure aan het CWI heeft laten schrijven, met het verzoek om de inhoud van die brieven te beschouwen als herhaald en ingelast, niet voldoende is om hetgeen in die brieven is te vinden, te beschouwen als in eerste aanleg aangevoerd, te meer nu niet is gebleken dat de kantonrechter en Hago uit de vermelding van die brieven hebben afgeleid dat X zijn vordering tevens wilde baseren op de stelling dat het incident van 11 juni 2007 de schorsing van X niet rechtvaardigde. 4.6. Derhalve resteert de stelling van X dat Hago ten onrechte geen loon heeft betaald na zijn ziekmelding, dus vanaf 10 juli 2007. Dat, zoals Hago heeft gesteld, de bedrijfsarts op 18 juli 2007 heeft geoordeeld dat X níet arbeidsongeschikt was of was geweest, valt naar het oordeel van het hof niet in de brief van de bedrijfsarts te lezen. Uit die brief volgt weliswaar dat X “belastbaar (is) in zijn functie conform zijn contracturen”, maar ook dat er een “behandelingsplan” is en voorts dat de bedrijfsarts, gezien de aard van de klachten van X, het raadzaam oordeelde dat X zijn werkzaamheden zou hervatten vanaf 23 juli 2007. Dat oordeel biedt steun aan de stelling van X dat hij van 10 tot en met 22 juli 2007 door de bedrijfsarts arbeidsongeschikt werd geacht zodat er voorshands van moet worden uitgegaan dat Hago gedurende de desbetreffende periode gehouden is om het loon van X door te betalen. Hago heeft nog gesteld dat uit de toepasselijke CAO volgt dat X geen aanspraak kan maken op het normale dagloon, maar bij gebreke van een uitwerking is onduidelijk waar die stelling, zo al juist, toe zou leiden, zodat het hof haar passeert. Het hof acht de vordering van X dan ook toewijsbaar voor zover deze het loon betreft over de periode van 10 tot en met 22 juli 2007. 5. Slotsom en kosten De grieven slagen gedeeltelijk. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en de vordering van X alsnog afwijzen, behoudens voor zover het betreft de vordering tot doorbetaling van het loon gedurende de periode van het ziekteverzuim van X, derhalve van 10 tot en met 22 juli 2007, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10% en met de wettelijke rente. De kosten van de procedure in eerste aanleg zullen worden gecompenseerd, nu partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Omdat X in hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij verwezen in de kosten van het hoger beroep. 6. Beslissing Het hof: vernietigt het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende: veroordeelt Hago om aan X te betalen het loon gebaseerd op vier uur per dag à € 8,90 per uur over de periode 10 tot en met 22 juli 2007, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10% en de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment waarop dit verschuldigd was; wijst af het meer of anders gevorderde; compenseert de kosten van de procedure in eerste aanleg; verwijst X in de kosten van het hoger beroep en begroot deze tot aan deze uitspraak aan de zijde van Hago op € 332,80 aan verschotten en € 632,00 voor salaris procureur; verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. P. Ingelse, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en A.C. van Schaick en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 19 juni 2008.