
Jurisprudentie
BF1798
Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-22
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Haarlem
ZaaknummersAWB 08/3916 & AWB 08/3918
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Datum gepubliceerd2008-09-22
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Haarlem
ZaaknummersAWB 08/3916 & AWB 08/3918
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Indicatie
intrekking gedoogbeschikking en dwangsombesluit tot staken bewoning van bedrijfspand in Wormerveer; bezwaar tegen intrekking gedoogbeschikking terecht n-o verklaard; geen legalisatie of bijzondere omstandigheden om af te zien van handhaven; beroep ongegrond; verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 08 - 3916 en AWB 08 - 3918
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 september 2008
in de zaak van:
[naam eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: C.N. Verhagen, werkzaam bij Rechtsbijstand Bureau Administratief Recht CODEX Omnibus Adsum te Middenbeemster,
tegen:
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,
verweerder,
derde partij:
[naam derde partij],
wonende te [woonplaats].
1. Procesverloop
Naar aanleiding van een aan eiser gericht dwangsombesluit van maart 2005 en daarover gevoerd overleg is bij besluit van 17 oktober 2006 aan eiser, als eigenaar van het pand [straatnaam] 4a en 8 te Zaandam, een persoonlijke gedoogbeschikking afgegeven onder de voorwaarden dat
- de appartementen in de panden 4a en 8 waarin de bewoners op 1 oktober 2004 verbleven en nu nog verblijven uitsluitend door hen gebruikt worden voor bewoning;
- de ramen aan de achterzijde van het pand 8 dienen te worden voorzien van ondoorzichtig glas;
- de appartementen, waar na 1 oktober 2004 nieuwe bewoners in zijn komen wonen, niet gebruikt mogen worden voor bewoning.
Bij besluit van 8 augustus 2007 heeft verweerder de gedoogbeschikking van 17 oktober 2006 ingetrokken en eiser gelast dat het verboden gebruik van de percelen [straatnaam] 4a en 8 te Zaandam binnen een termijn van 12 weken na dagtekening van het besluit, moet zijn beëindigd. Daarbij heeft verweerder medegedeeld dat dit, nu legalisering niet mogelijk is, concreet bereikt kan worden door de bewoning van het perceel te staken en gestaakt te houden. Aan de last is een dwangsom verbonden van € 3.000,- per maand met een maximum van € 12.000,-.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van september 2007 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 17 april 2008 heeft verweerder het bezwaar tegen de intrekking van de gedoogbeschikking niet-ontvankelijk verklaard en het dwangsombesluit met aanvullende motivering gehandhaafd, met verlenging van de begunstigingstermijn tot zes weken na de beslissing op het bezwaar. Voorts heeft verweerder het verzoek om vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 8 mei 2008 beroep ingesteld.
Daarbij is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 21 mei 2008 heeft verweerder op het verzoek van eiser beslist tot verlenging van de begunstigingstermijn tot de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.
Hiertegen heeft eiser op 22 mei 2008 bezwaar gemaakt.
Bij brieven van 3 juni 2008 en 15 juni 2008 heeft eiser het beroepschrift aangevuld.
Op 25 juni 2008 is een brief van 24 juni 2008 ontvangen van eiser gericht aan de gemeente met een voorstel tot overleg en opschorting van het besluit.
Bij brief van 28 juni 2008 heeft verzoeker, mede gelet op het voor 4 juli 2008 geplande overleg, waarin hij een passief gedoogbesluit en een legalisatieverzoek zal bepleiten, verzocht om het verzoek om voorlopige voorziening eerst in de maand september te behandelen.
Op 8 juli 2008 is een brief van 6 juli 2008 ontvangen, van verzoeker gericht aan de gemeente Zaanstad, met een voorstel tot het instellen van een proef 'Meldplicht leegstand kantoorruimte' en het verlenen van een 'overbruggings'-besluit aan eiser.
Bij brief van 10 juli 2008 heeft eiser een inleidende pleitnota toegezonden.
Bij brief van 29 augustus 2008 heeft eiser een nader stuk toegezonden.
Bij fax van 8 september 2008 heeft eiser een pleitnota toegezonden.
De zaak is behandeld ter zitting van 9 september 2008, alwaar eiser in persoon is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde Verhagen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.J.M.J.J. Houben en H.M. Kooi, beiden werkzaam bij de gemeente Zaanstad. De derde partij is niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.
2.2 In het onderhavige geval is niet aan de in de gedoogbeschikking van 17 oktober 2006 gestelde voorwaarden voldaan, op grond waarvan de beschikking is ingetrokken.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) kan, behoudens bijzondere omstandigheden, zowel een weigering om te gedogen als een intrekking van een eerder verleende gedoogverklaring, niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb worden aangemerkt. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar - bijvoorbeeld - de uitspraak van 4 juni 2002 nr. 200106096/2, gepubliceerd in AB 2002 nr. 219, opgenomen in www.rechtspraak.nl, LJN: AE8045.
Na zodanige weigering en/of intrekking is het aan verweerder te beslissen of handhavend optreden is aangewezen. In het kader daarvan staan vervolgens aan belanghebbenden de wettelijke rechtsmiddelen ter beschikking.
2.3 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder, nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, het bezwaar tegen de intrekking van de gedoogbeschikking terecht niet-ontvankelijk geacht. Het daartegen gerichte beroep is derhalve ongegrond.
2.4 Voorts heeft verweerder besloten tegen de illegale situatie - het als woningen gebruiken van voor kantoordoeleinden bestemde panden - handhavend op te treden door middel van het opleggen van een last onder dwangsom.
Verweerder is daartoe ingevolge artikel 125 Gemeentewet juncto artikel 5:32 Awb bevoegd.
2.5 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuurdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken.
Of door een derde is verzocht om handhavend op te treden is daarbij niet van doorslaggevende betekenis.
Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren tot handhaving over te gaan. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.6 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen concreet zicht op legalisatie aanwezig is. Voor het gebied waar de litigieuze panden en het perceel liggen is het bestemmingsplan "Westzanerdijk" uit 1980/1981 van kracht. Op de desbetreffende gronden rust de bestemming "Bedrijfsdoeleinden A". Binnen deze bestemming is wonen niet toegestaan, behoudens de mogelijkheid, onder bepaalde voorwaarden, van één dienstwoning per bedrijfskavel. Voorts is het verboden gronden of opstallen te gebruiken in strijd met de aan de grond gegeven bestemming. De in de planvoorschriften opgenomen zogenaamde "toverformule" is in casu niet aan de orde, nu gebruik overeenkomstig de bestemming objectief bezien mogelijk is. Het bestemmingsplan kent geen bepaling die een zogenaamde binnenplanse vrijstelling mogelijk maakt.
Verweerder is voorts niet bereid tot het verlenen van een vrijstelling ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).
2.7 Gelet op het voorgaande en mede rekeninghoudend met de ruime bevoegdheid van verweerder om te besluiten tot het al dan niet verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 19 WRO, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een concreet zicht op legalisatie niet aanwezig is.
Hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Er is geen grond aan te nemen dat eisers stelling dat het gebied in de toekomst een andere bestemming zal hebben dan de gegeven bedrijfsdoeleinden voor juist moet worden gehouden. In de stukken zijn daarvoor geen aanwijzingen gevonden en verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat ook in de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen het gebied als bedrijventerrein zal blijven bestaan. De omstandigheid dat het bedrijvengebied, naar eiser heeft aangevoerd, omringd wordt door woningen, maakt dat niet anders.
2.8 Van overige, in dit geding relevante, bijzondere omstandigheden is de voorzieningenrechter niet gebleken. Als zodanig kan niet gelden het betoog van eiser dat er ruimte moet zijn voor gebruiksverandering, omdat het kantoorpand - evenals naar eiser heeft gesteld vele andere - niet verhuurd kan worden of leeg komt te staan en evenmin de omstandigheid dat eiser een voorstel aan de gemeente heeft gedaan om te komen tot een beleid waarin kantoorpanden worden bestemd of geschikt gemaakt voor bewoning. Een en ander kan niet in het kader van het onderhavige rechterlijke geding worden besproken. Dat de feitelijke functiewisseling van het litigieuze pand voldoet aan (het vereiste van) de brandveiligheidsvoorschriften is hier evenmin van betekenis. Voorts is de vraag of terecht tot handhavend optreden is besloten, niet afhankelijk van de overlast die de buurman zegt te hebben, ook niet in het kader van het onderzoek naar legalisering, in casu de weigering om vrijstelling te verlenen. Verweerder heeft hierin, zoals hiervoor reeds overwogen, een ruime wettelijke bevoegdheid en wenst daarvan, gelet op de ruimtelijke ordening (het bestemmingsplan en de toekomstige ontwikkelingen) geen gebruik te maken.
2.9 Gezien het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding te oordelen dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
2.10 Met betrekking tot de hoogte van de dwangsom wordt overwogen dat niet kan worden gezegd dat de motivering van verweerder, dat het opgelegde bedrag redelijkerwijze nodig is geacht om het beoogde effect van het handhavend optreden - beëindiging van de illegale bewoning - te kunnen bewerkstelligen, voor onredelijk of onjuist moet worden gehouden. Eiser heeft niet dan wel onvoldoende argumenten aangevoerd voor een ander oordeel. Hetzelfde geldt voor de begunstigingstermijn.
2.11 Het beroep is derhalve ongegrond.
2.12 Gegeven de uitspraak in de hoofdzaak wordt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
2.13 Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter:
3.1 verklaart het beroep ongegrond;
3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, voorzieningenrechter, en op 16 september 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M. Hekelaar, griffier.
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voorzover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.