Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1790

Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-22
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/580203-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

100 uren taakstraf en 6 weken gevangenisstraf voorwaardelijk voor diefstal, schuldheling en verboden wapenbezit (promis).


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Sector Straf Meervoudige kamer Parketnummer: 06/580203-06 Uitspraak d.d.: 19 september 2008 Tegenspraak / dnip VONNIS in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [plaats] op [1975], wonende te [adres en plaats]. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 september 2008. Verdachte was aldaar niet aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door zijn daartoe uitdrukkelijk gemachtigd raadsman mr. Van Faassen. De tenlastelegging Aan verdachte is, na wijziging ter terechtzitting, ten laste gelegd dat: 1. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 februari 2006 tot en met 31 maart 2006 in de gemeente Harderwijk en/of Dronten en/of Ermelo, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) heeft weggenomen (een) buitenboordmotor(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; (Incidenten 10,11 en 12) art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, dat [medeverdachte A] en/of [medeverdachte B] en/of [medeverdachte C] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 februari 2006 tot en met 31 maart 2006 in de gemeente Harderwijk en/of Dronten en/of Ermelo, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) heeft/hebben weggenomen (een) buitenboordmotor(en), in elk geval enig goed, telkens geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C], althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich telkens de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, welk feit hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 februari 2006 tot en met 31 maart 2006 in de gemeente Harderwijk en/of Dronten en/of Ermelo, althans elders in Nederland telkens opzettelijk heeft uitgelokt door (een) gift(en) en/of (een) belofte(n), immers heeft verdachte toen en daar telkens aan die [medeverdachte A] en/of [medeverdachte B] en/of [medeverdachte C] een geldbedrag van 100 tot 200 euro, althans een geldbedrag, in het vooruitzicht gesteld indien die [medeverdachte A] en/of [medeverdachte B] en/of [medeverdachte C] voornoemde buitenboordmotor(en) voor hem, verdachte, zouden stelen, wegnemen, althans aan hem zouden leveren; (Incidenten 10, 11 en 12) art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, dat hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de pleegperiode van 20 februari 2006 tot en met 31 maart 2006, in de gemeente(n) Harderwijk en/of Dronten en/of Ermelo, althans elders in Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van het opzettelijk verwerven en/of overdragen en/of voorhanden krijgen van (een) goed(eren), welke goed(eren) telkens door misdrijf was/waren verkregen, door op meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks die periode telkens te verwerven en/of over te dragen en/of voorhanden te krijgen - een buitenboordmotor, merk Yamaha (incident 10) en/of - een buitenboordmotor, merk Zodiac (incident 11) en/of - een buitenboordmotor, merk Mariner (incident 12), terwijl hij, verdachte, op het moment van het verwerven en/of overdragen en/of voorhanden krijgen van genoemde buitenboordmotoren (telkens) wist dat die buitenboordmotoren van diefstal, althans van misdrijf afkomstig waren; art 417 Wetboek van Strafrecht 2. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 8 juni 2006 te Hierden, althans in de gemeente Harderwijk en/of Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld en/of te Biddinghuizen, althans in de gemeente Dronten en/of in de gemeente(n) Ermelo en/of Nijkerk, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) heeft weggenomen (een) buitenboordmotor(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer D] en/of [slachtoffer E] en/of [slachtoffer F] en/of [slachtoffer G], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; (Incidenten 6, 7, 13 en 15) art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, dat [medeverdachte A] en/of [medeverdachte B] en/of [medeverdachte C] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 8 juni 2006 te Hierden, althans in de gemeente Harderwijk en/of Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld en/of te Biddinghuizen, althans in de gemeente Dronten en/of in de gemeente(n) Ermelo en/of Nijkerk, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) heeft/hebben weggenomen (een) buitenboordmotor(en), in elk geval enig goed, telkens geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer D] en/of [slachtoffer E] en/of [slachtoffer F] en/of [slachtoffer G], althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich telkens de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, welk feit hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 8 juni 2006 te Hierden, althans in de gemeente Harderwijk en/of Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld en/of te Biddinghuizen, althans in de gemeente Dronten en/of in de gemeente(n) Ermelo en/of Nijkerk, althans elders in Nederland telkens opzettelijk heeft uitgelokt door (een) gift(en) en/of (een) belofte(n), immers heeft verdachte toen en daar telkens aan die [medeverdachte A] en/of [medeverdachte B] en/of [medeverdachte C] een geldbedrag van 100 tot 200 euro, althans een geldbedrag, in het vooruitzicht gesteld indien die [medeverdachte A] en/of [medeverdachte B] en/of [medeverdachte C] voornoemde buitenboordmotor(en) voor hem, verdachte, zouden stelen, wegnemen, althans aan hem zouden leveren; (Incidenten 6, 7, 13 en 15) art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, dat hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de pleegperiode van 1 november 2005 tot en met 8 juni 2006, te Hierden, althans in de gemeente Harderwijk en/of te Voorthuizen, althans in de gemeente Barneveld en/of te Biddinghuizen, althans in de gemeente Dronten en/of in de gemeente(n) Ermelo en/of Nijkerk, althans elders in Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het opzettelijk verwerven en/of overdragen en/of voorhanden krijgen van (een) goed(eren), welke goed(eren) telkens door misdrijf was/waren verkregen, door op meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks die periode telkens te verwerven en/of over te dragen en/of voorhanden te krijgen - een buitenboordmotor, merk Yamaha (incident 6) en/of - een buitenboordmotor, merk Yamaha (incident 7) en/of - een buitenboordmotor, merk Mariner (incident 13) en/of - een buitenboordmotor, merk Yamaha (incident 15) terwijl hij, verdachte, op het moment van het verwerven en/of overdragen en/of voor handen krijgen van genoemde buitenboordmotoren, (telkens) wist dat die buitenboordmotoren van diefstal, althans van misdrijf afkomstig waren; art 417 Wetboek van Strafrecht 3. hij op of omstreeks 16 februari 2007 te Putten met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer J], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte; (parketnummer 470300/07) art 310 Wetboek van Strafrecht 4. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 december 2005 tot en met 31 mei 2006 in de gemeente Harderwijk en/of in Giethoorn, althans in de gemeente Steenwijkerland, althans elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening - vanaf een kajuitzeiljacht heeft weggenomen een buitenboordmotor (merk Honda), in elk geval enig goed, geheel of ten dele tobehorende aan [slachtoffer H], in elke geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of - vanaf een platbodemboot heeft weggenomen een buitenboordmotor (merk Evinrude), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer I], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; (Parketnummer 801146-07) art 310 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, dat hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 december 2005 tot en met 31 mei 2006 in de gemeente Harderwijk en/of Ermelo en/of Uithoorn, althans elders in Nederland, een buitenboordmotor (merk Honda) en/of een buitenboordmotor (merk Evinrude) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die buitenboordmotor(en), wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof; (Parektnummer 801146-07) art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht 5. hij in of omstreeks de periode 1 september 2006 tot en met 13 november 2007 in de gemeente Putten een of meer wapens van categorie III, te weten een (zwart) alarm(start)pistool voorhanden heeft gehad; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; art 26 lid 1 Wet wapens en munitie Taal- en/of schrijffouten Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak (voetnoot 1) Hoewel de officier van justitie ter terechtzitting terecht heeft opgemerkt dat in deze zaak een onvoldoende inzichtelijk proces-verbaal is samengesteld, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wel enige betrokkenheid heeft gehad bij de tenlastegelegde feiten, maar dat hierop niet de kwalificatie van toepassing is die de officier van justitie bij het opstellen van tenlastelegging voor ogen heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde is uit de stukken geen betrokkenheid van verdachte bij de (gekwalificeerde) diefstal van de genoemde buitenboordmotoren te destilleren. De rechtbank leidt dit met betrekking tot incident 10 af uit de verklaring van [medeverdachte A](voetnoot 2) met betrekking tot de Yamaha van aangever [slachtoffer A], waarin hij heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte B] de buitenboordmotor heeft weggenomen. In algemene zin heeft [medeverdachte A] verklaard dat hij door hem gestolen buitenboordmotoren altijd naar verdachte bracht of dat deze de motoren kwam ophalen. Verdachte heeft ontkend de diefstal te hebben gepleegd. Hij heeft verklaard wel eens een Yamaha te hebben gekocht van [medeverdachte A]. Ten aanzien van de door aangever [slachtoffer B] (voetnoot 3) opgegeven buitenboordmotor van merk Zodiac S131 met [serienummer] (incident 11), zijn door [medeverdachte A] en verdachte geen verklaringen afgelegd. Ten aanzien van de Mariner buitenboordmotor (incident 12) van aangever [slachtoffer C] (voetnoot 4)heeft (aanvankelijke) medeverdachte [medeverdachte D] verklaard (voetnoot 5) dat hij de buitenboordmotor merk Mariner in februari of maart 2006 heeft gekocht van [verdachte]. [medeverdachte D] heeft verklaard eens op marktplaats.nl te hebben gezien dat een motor, te weten een Yamaha 9.9 pk 4-tact, met een bepaald serienummer gestolen was. De volgende dag bood [verdachte] deze motor aan getuige [medeverdachte D] aan. [medeverdachte D] heeft toen de motor aangenomen en gezegd dat hij later zou betalen; hij heeft daarentegen de rechtmatige eigenaar gebeld en gezegd dat deze de motor kon ophalen. Verdachte (voetnoot 6), gevraagd naar een buitenboordmotor, merk Mariner, kleur grijs, [serienummer], die hij half maart 2006 van [medeverdachte A] zou hebben gekocht en die bij [medeverdachte D] is aangetroffen, heeft verklaard dat het een gestolen motor zal zijn, als [medeverdachte D] dat zo zegt. Ook hier blijkt niet van medeplegen van diefstal door verdachte. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan uitlokking van de diefstal van buitenboordmotoren. Om als uitlokker te kunnen worden aangemerkt, dient verdachte een ander op het idee te brengen het delict te begaan. Vereist is dat verdachte bij die ander het wilsbesluit heeft gewekt het delict te plegen. Zoals hiervoor met betrekking tot incident 10 reeds is overwogen, heeft medeverdachte [medeverdachte A] in algemene zin verklaard dat hij door hem gestolen buitenboordmotoren altijd naar verdachte bracht of dat deze de motoren kwam ophalen. Verdachte ging meestal de boot van tevoren kijken en selecteerde de motoren, aldus [medeverdachte A]. Hij gaf dan opdracht tot de diefstal. [medeverdachte A] erkent een Yamaha motor te hebben gestolen en die een dag later naar verdachte te hebben gebracht. Verdachte heeft mij betaald voor de motor, aldus [medeverdachte A]. Nu uit die verklaring in samenhang met de verklaring (voetnoot 7) omtrent incident 7 is gebleken dat [medeverdachte A] zelf het plan heeft beraamd de diefstal te plegen voordat verdachte in actie is gekomen, kan geen sprake zijn van een strafbare uitlokking. Met betrekking tot de uitlokking van diefstal door [medeverdachte B] en [medeverdachte C] zijn onvoldoende aanwijzingen in de stukken aangetroffen. Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair, dient voor gewoonteheling te worden bewezen uit welke feiten de gewoonte bestaat en over welke (langere) periode de gewoonte zich heeft uitgestrekt. Met betrekking tot de buitenboordmotor van het merk Mariner (van aangever [slachtoffer C]) kan op basis van de verklaring van [medeverdachte D] (een vorm van) heling wel bewezen worden, welk delict echter niet ten laste is gelegd. Nu ook geen precieze link tussen verdachte en een groot aantal motoren is te leggen, kan van bewezenverklaring van gewoonteheling geen sprake zijn. Gelet op het voorgaande is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van de onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair ten laste gelegde feiten voorhanden. Verdachte behoort daarvan dan ook te worden vrijgesproken. De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 2 primair, 2 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde feiten, omdat voldoende wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Zij gebruikt dienaangaande een vergelijkbare motivering als hierboven bij feit 1 weergegeven. Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde is uit de stukken geen betrokkenheid van verdachte bij de (gekwalificeerde) diefstal van de genoemde buitenboordmotoren te destilleren. De rechtbank stelt vooreerst vast dat niet duidelijk, laat staan aannemelijk, is geworden dat verdachte en medeverdachten het in hun verklaringen, die in algemene bewoordingen zijn opgenomen, het steeds over exact dezelfde motor hebben. Er is evenmin informatie beschikbaar over de hoedanigheid en staat waarin de respectieve motoren verkeerden. Types en serienummers worden (nagenoeg) niet genoemd, noch in de aangiftes, noch in de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten. Met betrekking tot de door aangever [slachtoffer D] opgegeven diefstal met braak (voetnoot 8) van een Yamaha (incident 6) heeft [medeverdachte A] niet verklaard over de verkoop van déze motor aan verdachte (voetnoot 9)9 Wel is door [medeverdachte A] een verkoopprijs van € 150,- genoemd, voor welke prijs verdachte heeft verklaard (voetnoot 10) nooit te hebben gekocht van [medeverdachte A]. Gebleken is dat er verschil zit in de afgelegde verklaringen ten aanzien van de buitenboordmotor van het merk Yamaha, zoals bedoeld in incident 7. [medeverdachte A] heeft verklaard een Yamaha motor, 9 pk, met [naam A] te hebben gestolen, terwijl [Naam B] deze motor al eerder zou hebben losgeschroefd (voetnoot 11). [Naam B] ontkent enige betrokkenheid (voetnoot 12). In het tweede verhoor heeft [medeverdachte A] verklaard dat verdachte en diens neef bij de diefstal aanwezig zijn geweest en dat zij de motor gezamenlijk over het hek hebben getild (voetnoot 13). Verder heeft [medeverdachte A] verklaard dat verdachte 200 euro voor de motor aan hem heeft betaald en dat [medeverdachte A] vervolgens dat geld heeft gedeeld met [naam A]. Verdachte kan zich niet herinneren dat hij de betreffende buitenboordmotor van [medeverdachte A] heeft gekocht voor 200 euro. Met betrekking tot de incidenten 13 en 15 is uit de stukken geenszins af te leiden dat de bij medeverdachte [medeverdachte F] aangetroffen Mariner van aangever [slachtoffer F] (voetnoot 14) respectievelijk de bij [naam C] aangetroffen Yamaha van aangever [slachtoffer G] (voetnoot 15) door verdachte zijn gestolen. Verdachte verklaart daarover ook niet (voetnoot 16). Om dezelfde redenen als hiervoor vermeld ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 subsidiair ten laste gelegde uitlokking van de diefstal van buitenboordmotoren. Ook het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde kan niet bewezen worden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking het hiervoor gememoreerde verschil in verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten. Voor zover verdachte zich al herinnert de Yamaha van aangever [slachtoffer G] (incident 15) voorhanden te hebben gehad (voetnoot 17), moet naar het oordeel van de rechtbank uit de verklaring van [naam C] omtrent door hem als handelaar gehanteerde afschrijvingspercentages worden afgeleid dat een reële prijs door hem aan verdachte is betaald en dat daaruit niet kan worden afgeleid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. Ook met betrekking tot de Yamaha (incident 6) is betrokkenheid van verdachte bij de heling niet aan te tonen, reeds omdat verdachtes ontkennende verklaring lijnrecht staat tegenover de verklaring van [medeverdachte A] (voetnoot 18). Mede gelet op de lange ten laste gelegde periode, waarbinnen sprake zou zijn geweest van de heling van twee motoren (incidenten 7 en 13) - wat daar verder ook van zij, kan van gewoonteheling geen sprake zijn Ten aanzien van het onder 4 primair ten laste gelegde kan niet worden bewezen dat verdachte de motoren heeft weggenomen, nu geen enkele verklaring in de richting van verdachte wijst. Er is onvoldoende wettig bewijs voorhanden om verdachte als schuldige aan (medeplegen van) (gekwalificeerde) diefstal aan te wijzen. Daarom dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 4 primair ten laste gelegde. Standpunten openbaar ministerie en verdediging 1. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde. Een afschrift van het schriftelijk requisitoir is aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehecht. 2. De raadsman van verdachte heeft bepleit dat slechts de feiten 3 en 5 bewezen kunnen worden verklaard. Verdachte kan zich niet alles herinneren met betrekking tot het verhandelen van de buitenboordmotoren en hij kan de beschuldigingen als bedoeld in de feiten 1 en 2 niet glashard weerleggen. De raadsman heeft gesteld dat hij het moet doen met een verdachte die op gezette tijden in algemene termen heeft gezegd dat hij de motoren van [medeverdachte A] heeft gekocht en er reële prijzen voor heeft betaald. Verdachte hoefde niet te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de goederen. Met betrekking tot de heling heeft verdachte nog verklaard dat hij contact heeft gehad met de KLPD die hem zou hebben medegedeeld dat de motoren betrouwbaar waren. Hij wist niet en had niet kunnen weten dat de motoren gestolen waren. De raadsman heeft vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde bepleit. Bewijsmotivering (voetnoot 19) Ten aanzien van feit 3: 3. In zijn aangifte (voetnoot 20) heeft [slachtoffer J] verklaard dat hij eigenaar is van [garagebedrijf] aan de [adres en plaats]. Hij heeft verklaard dat op 17 februari 2007 zijn aanhangwagen, welke de vorige dag voor de deuren van de werkplaats stond geparkeerd, is verdwenen. Op de achterkant van de aanhangwagen is een plaat geverfd met het [kenteken]. Op 26 februari 2007 heeft aangever gezocht naar een nieuwe aanhanger op internet. Hij heeft zijn eigen aanhanger aangetroffen. Hij is met de politie gaan kijken en trof toen zijn aanhanger aan. 4. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij de aanhangwagen circa tien dagen geleden heeft gestolen, vanwege geldgebrek. Ten aanzien van feit 4 subsidiair: 5. In zijn aangifte (voetnoot 21) heeft [slachtoffer I] verklaard dat hij aan de [adres en plaats] een woonboot heeft. Tussen 21 mei 2006 en 31 mei 2006 is de buitenboordmotor van zijn platbodembootje - welke naast zijn woonboot ligt - weggenomen. De motor is van het merk Evinrude met serienummer 19000380. Het slot en de pennen waarmee de motor aan de boot was bevestigd, zijn ook weggenomen. 6. Bij de politie (voetnoot 22) heeft [naam C] verklaard dat hij op 23 mei 2006 een Evinrude motor, en nog twee andere motoren - waaronder een Honda 8 pk, van verdachte heeft gekocht. [naam C] heeft daar nog een bon van. 7. Medeverdachte [medeverdachte E] (voetnoot 23) heeft verklaard de Evinrude 25 pk van [naam C] te hebben gekocht, op 30 mei 2006 voor € 1.400,-. Ook de Honda 8 pk heeft hij van [naam C] gekocht, te weten zonder aankoopbon ('zwart') op 10 mei 2006 voor € 600,-. [medeverdachte E] noemt dat een normale prijs. 8. Bij de politie (voetnoot 24) heeft verdachte verklaard dat hij zo'n tien motoren aan [naam C] heeft verkocht. Deze buitenboordmotor van het merk Evinrude heeft hij mogelijk via internet gekocht. Het is niet waarschijnlijk dat verdachte deze motor van [medeverdachte A] heeft gekocht omdat deze toen vast zat, aldus verdachte. Verdachte heeft verklaard onder meer deze Evinrude dus waarschijnlijk van iemand anders te hebben gekocht en weer doorverkocht. Verdachte ontkent de motoren te hebben gestolen; verder verklaart hij dat hij te goeder trouw heeft gehandeld. Ten aanzien van feit 5: 9. In zijn verklaring (voetnoot 25) bij de politie heeft [Naam D] verklaard dat hij op 13 november 2007 aan het schoonmaken was in zijn chalet aan [adres en plaats]. Deze woning had hij sinds 1 september 2006 verhuurd aan verdachte. Hij heeft verdachte de huur opgezegd in verband met een betalingsachterstand, en daarna is verdachte vertrokken. In het keukenkastje heeft [Naam D] een vuurwapen ontdekt. Hij heeft dit wapen meegenomen naar huis en de politie ingelicht. 10. In zijn verklaring (voetnoot 26) bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij ooit een alarmpistool heeft gekocht en deze heeft weggestopt in de caravan. Hij heeft het pistool bij het verlaten van de caravan niet meer kunnen vinden. Het pistool is een nieuw exemplaar in een doosje. Verdachte heeft het door de politie getoonde doosje met daarin zijn alarmpistool herkend als het zijne. Nadere bewijsoverwegingen 11. Met betrekking tot de feiten 3 en 5 zitten er aangiften in het dossier en heeft verdachte bij de politie bekend deze feiten te hebben gepleegd. De rechtbank acht op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen het onder 3 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 12. Ten aanzien van de onder 4 subsidiair ten laste gelegde heling van motoren, overweegt de rechtbank als volgt. Voor opzetheling is noodzakelijk dat bij verdachte wetenschap bestond dat zijn gedraging/verkoop een door misdrijf verkregen goed betrof. Deze wetenschap is niet uit de stukken af te leiden, al was het maar verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij niet wist dat de motoren die hij aan [naam C] heeft verkocht van diefstal afkomstig waren. 13. [medeverdachte E] en [naam C] verklaren relatief gedetailleerd over de aankoop, doorverkoop en de prijzen van de beide motoren. De verklaring van verdachte over de Honda-motor is slechts opgenomen in algemene bewoordingen. Wel noemde hij als aankoopprijs voor de Honda een bedrag van € 800,- of € 900,-. Uit het samenstel aan bewijsmiddelen kan evenwel niet worden geconcludeerd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling van de Honda. Anders ligt dat in geval van de motor van het merk Evinrude. [naam C] heeft bij de politie verklaard dat hij deze motor op 23 mei 2006 van verdachte voor € 1.050,- heeft gekocht (voetnoot 27). Gelet op de korte tijd tussen de diefstal van de buitenboordmotor en het te koop aanbieden door verdachte aan [naam C], zo'n anderhalve dag, en gelet op de verklaring van verdachte dat hij de motor mogelijk via internet heeft gekocht, en wel voor een hogere prijs dan [naam C], verdachte stelt namelijk € 1.300,- voor de Evinrude te hebben betaald, is de rechtbank van oordeel dat verdachtes verklaring moet worden gepasseerd. Zo verdachte al niet wist, dan had hij in ieder geval redelijkerwijs moeten vermoeden dat de motor van diefstal afkomstig was. De rechtbank acht op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen de onder 4 subsidiair ten laste gelegde schuldheling van één buitenboordmotor wettig en overtuigend bewezen. Overigens acht de rechtbank, gelet op de aangifte, een kortere periode dan ten laste gelegd bewezen, en zal zij verdachte mitsdien vrijspreken van schuldheling in de periode van 17 december 2005 tot en met 20 mei 2006. Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat: 3. hij omstreeks 16 februari 2007 te Putten met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen, toebehorende aan [slachtoffer J]. 4 subsidiair. hij in de periode van 21 mei 2006 tot en met 31 mei 2006 in Uithoorn, althans in Nederland, een buitenboordmotor (merk Evinrude) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die buitenboordmotor, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; 5. hij in de periode van 1 september 2006 tot en met 13 november 2007 in de gemeente Putten een wapen van categorie III, te weten een (zwart) alarm(start)pistool voorhanden heeft gehad. Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezene levert op de misdrijven: Feit 3: diefstal. Feit 4, subsidiair: schuldheling Feit 5: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Oplegging van straf en/of maatregel 1. De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van twaalf (12) maanden waarvan zes (6) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, gevorderd. 2. Namens verdachte is gesteld dat alleen de feiten 3 en 5 kunnen worden bewezen. Indien de rechtbank de raadsman wil volgen in zijn pleidooi, wordt verdachte voor de "zwaarste feiten" vrijgesproken. De raadsman heeft bepleit uitsluitend een werkstraf op te leggen voor de feiten 3 en 5. 3. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Uit het dossier lijkt het beeld op te rijzen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij alle negen op de tenlastelegging figurerende incidenten. Wel is het zo dat de rechtbank voor wat betreft de buitenboordmotoren anders dan de officier van justitie slechts in één geval (en niet: in negen gevallen) komt tot een bewezenverklaring, namelijk van schuldheling. Verdachte heeft echter op zijn minst een eenvoudige 'afzetmarkt' voor medeverdachte [medeverdachte A] gecreëerd zonder al teveel vragen te stellen omtrent de herkomst van buitenboordmotoren. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een aanhangwagen. Verdachte heeft zich kennelijk niet bekreund over de hinderlijke gevolgen van deze twee bewezen vermogensdelicten en heeft ogenschijnlijk geen respect voor 'het mijn en het dijn'; Dat rekent de rechtbank verdachte aan. Overigens overweegt de rechtbank dat het vrije bezit van een alarmpistool - zoals verdachte dat voorhanden heeft gehad - ongewenst is en moet worden tegengegaan. 4. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de justitiële documentatie van verdachte, nu blijkt dat hij eerdere veroordelingen heeft op het gebied van vermogensdelicten, die hem kennelijk niet van recidive kunnen weerhouden. 5. De rechtbank houdt bij het opleggen van na te melden straf op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening met de veroordelingen door het gerechtshof te Arnhem van 4 juni 2007 en de politierechter te Zwolle van 15 september 2006. 6. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf van 100 uren op zijn plaats. Bedoelde taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Stichting Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projectplaatsen. Vordering tot schadevergoeding De benadeelde partij [slachtoffer B], [adres en plaats] (BRD), ([rekeningnummer]) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 900,-, vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu zij voor dit feit vrijspraak heeft gevorderd. Namens verdachte is gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, nu de raadsman vrijspraak heeft bepleit. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [slachtoffer B] in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu verdachte voor het tenlastegelegde feit wordt vrijgesproken. De benadeelde partij [slachtoffer A], [adres en plaats] ([rekeningnummer]) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 800,-, vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het volledige bedrag van € 800,- kan worden toegewezen, nu het bedrag als redelijk en billijk kan worden beoordeeld. Voorts verzoekt zij de hoofdelijke aansprakelijkheid en schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Namens verdachte is gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, nu de raadsman vrijspraak heeft bepleit. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [slachtoffer A] in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu verdachte voor het tenlastegelegde feit wordt vrijgesproken. De benadeelde partij [slachtoffer H], [adres en plaats], ([rekeningnummer]) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1173,-, vermeerderd met de wettelijke rente gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat achter de vordering een brief van Vrieling Assurantiën is gehecht. In deze brief is vermeld dat een bedrag van € 900,- aan Smit uitgekeerd gaat worden. Dit bedrag moet in mindering worden gebracht op de vordering, zodat een bedrag van € 113,- overblijft en toegewezen kan worden. Het overige deel van de vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voorts heeft de officier van justitie verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Namens verdachte is gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, nu de raadsman vrijspraak heeft bepleit. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [slachtoffer H] in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu verdachte voor het tenlastegelegde feit wordt vrijgesproken. Toepasselijke wettelijke voorschriften Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57, 63, 91, 417bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie. BESLISSING De rechtbank beslist als volgt: Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 3, 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) weken. Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten: een werkstraf gedurende honderd (100) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van vijftig (50) dagen. Beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf dat per dag in voorarrest doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht. Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer B] niet-ontvankelijk in haar vordering. Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer A] niet-ontvankelijk in haar vordering. Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer H] niet-ontvankelijk in haar vordering. Aldus gewezen door mrs. Hödl, voorzitter, Roessingh-Bakels en Follender Grossfeld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Ter Haar, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 september 2008. Mr. Follender Grossfeld is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Voetnoten: 1 Wanneer hierna met betrekking tot de feiten 1 en 2 wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's, betreft dit delen van de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nr. PL0612/07-263691, gedateerd 2 augustus 2006. Wanneer hierna met betrekking tot feit 4 wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's, betreft dit delen van de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nr. PL0612/07-203409, gedateerd 4 februari 2007. 2 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A], dossierpagina's 392-394. 3 Proces-verbaal van aangifte van [naam] namens [slachtoffer B], dossierpagina's 414-420. 4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer C], dossierpagina's 446-450. 5 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte D], dossierpagina's 454-460. 6 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], dossierpagina 461. 7 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A], dossierpagina 348. 8 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer D], dossierpagina 334. 9 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A], dossierpagina's 338-339. 10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina 340. 11 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A], dossierpagina's 347-348. 12 Proces-verbaal van verhoor van [naam A], dossierpagina's 351-352. 13 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A], dossierpagina's 349-350. 14 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte F], dossierpagina's 473-474. 15 Proces-verbaal van verhoor van [naam C]], dossierpagina's 503-504. 16 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina 478 resp. 506. 17 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina p. 506. 18 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A], dossierpagina's 338-339. 19 Wanneer hierna met betrekking tot feit 3 wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's, betreft dit delen van de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nr. PL0611/07-201802, gedateerd 8 maart 2007. Wanneer hierna met betrekking tot feit 4 wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's, betreft dit delen van de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nr. PL0612/07-203409, gedateerd 4 februari 2007. Wanneer hierna met betrekking tot feit 5 wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's, betreft dit delen van de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nr. PL0611/07-421190, gedateerd 9 januari 2008. 20 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer J], dossierpagina's 10-12. 21 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer I], dossierpagina53. 22 Proces-verbaal van verhoor van [naam C]], dossierpagina's 45-48. 23 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte E], dossierpagina's 42-44. 24 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina's 49 en 50. 25 Proces-verbaal van verhoor van [naam D], dossierpagina 4. 26 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina's 6 en 8. 27 Proces-verbaal van verhoor van [naam C]], dossierpagina 61.