Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1777

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-22
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAwb 08 / 2604 en Awb 08 / 2605
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Last onder dwangsom strekkende tot verwijdering van een aantal zonder bouwvergunning opgerichte bouwwerken, tot beëindiging van illegale bewoning van paardenstal en ongedaanmaking van twee inritten. Geen sprake van strijdigheid met artikel 2:4 van de Awb. Niet gebleken is dat verweerder een persoonlijk belang heeft gehad jegens verzoeker bij het nemen van het bestreden besluit. In de Awb noch anderszins is een wettelijk beletsel aangetroffen voor het horen door een externe gemachtigde van het bestuursorgaan, mits voldaan is aan de overige eisen die aan het horen in de Awb worden gesteld. Niet is gebleken dat aan de overige eisen niet is voldaan. Dat deze externe gemachtigde na de hoorzitting een advies heeft uitgebracht en dat het onjuist is om slechts één persoon het advies te laten opstellen, staat het verweerder vrij, al dan niet ten behoeve van zijn besluitvorming, om adviezen van een derde in te winnen. Degene die zich op overgangsrecht beroept, moet aannemelijk maken dat dit recht in zijn geval van toepassing is. Verzoeker heeft - aan de hand van concrete gegevens - niet aannemelijk gemaakt dat de paardenstal op de peildatum reeds voor bewoning in gebruik was. Verweerder heeft ten onrechte verzoeker als overtreder van het in artikel 2.1.5.3, eerste lid, van de APV opgenomen verbod aangemerkt. Dwangsombesluit mist een wettelijke grondslag. Verweerder is op dit punt niet bevoegd verzoeker een last onder dwangsom op te leggen. Beroep, voor zover betrekking hebbende op het ongedaan maken van de uitritten, gegrond, en voor het overige ongegrond.


Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 08/2604 AWB 08/2605 Uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2008 inzake [verzoeker] te Valkenswaard, verzoeker, [gemachtigde] tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard, verweerder, [gemachtigden] Procesverloop Bij besluit van 28 februari 2008 heeft verweerder verzoeker gelast de op het perceel, plaatselijk bekend [adres], kadastraal bekend, gemeente Valkenswaard, sectie F, nummers 736 en 3532 ged.: - het met het bestemmingsplan strijdig gebruik van het bouwwerk 4.1 op bovengenoemd perceel binnen vier maanden na de verzending van het bestreden besluit te staken en gestaakt te houden; - het bouwwerk 4.1 in overeenstemming te brengen met de ten behoeve van een paardenstal verleende bouwvergunning binnen zeven maanden na de verzending van het bestreden besluit; - verweerders gemeente binnen vier maanden na de verzending van het bestreden besluit schriftelijk in kennis te stellen van de wijze waarop het bouwwerk wordt teruggebracht tot paardenstal; - de overige met het bestemmingsplan en Woningwet (Ww) strijdige en zonder bouwvergunning gerealiseerde bouwwerken binnen twee maanden na de verzending van het bestreden besluit ongedaan te maken en ongedaan te houden, - de op het perceel in strijd met de Algemene plaatselijke verordening van verweerders gemeente (APV) aanwezige inritten binnen één maand na de verzending van het bestreden besluit ongedaan te maken. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat, indien verzoeker niet volledig voldoet aan genoemde last, verzoeker dwangsommen verbeurt: - voor het zonder bouwvergunning realiseren van bouwwerk 2, het kippenhok, een bedrag van € 100,00 per week met een maximum van € 400,00. - voor het zonder bouwvergunning realiseren van de bouwwerken 3.1 en 3.2, de overkappingen, een bedrag van € 2.500,00 per week met een maximum van € 10.000,00. - voor het zonder bouwvergunning realiseren van bouwwerk 4.2, de berging behorende bij bouwwerk 4.1, een bedrag van € 12.500,00 per week met een maximum van € 50.000,00. - voor het zonder bouwvergunning realiseren van bouwwerk 5.1, de zeecontainer, bouwwerk 5.2, de garage, bouwwerk 5.3, de carport en bouwwerk 5.4, de overkappingen, een bedrag van € 10.000,00 per week met een maximum van € 40.00,00. - voor het zonder bouwvergunning realiseren van bouwwerk 6, de glazen plantenkas, een bedrag van € 125,00 per week met een maximum van € 500,00. - voor de strijdige bewoning van het bouwwerk 4.1, de paardenstal, een bedrag van 1.000,00 per week met een maximum van € 20.000,00. - voor het zonder vergunning realiseren van twee uitritten een bedrag van € 100,00 per week met een maximum van € 400,00. - voor het zonder bouwvergunning gewijzigd hebben van bouwwerk 4.1, de paardenstal tot woning een bedrag van € 10.000,00 per week met een maximum van € 40.000,00. Het door verzoeker tegen dit besluit ingediende bezwaar is door verweerder bij besluit van 18 juni 2008 ongegrond verklaard waarbij het besluit van 28 februari 2008 - onder een verbeterde motivering - in stand is gelaten, met dien verstande dat de last met betrekking tot het kippenhok wordt geschrapt. Tegen laatstgenoemd besluit heeft verzoeker beroep ingesteld. Bij brief van 29 juli 2008 heeft verzoeker tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De zaken zijn behandeld ter zitting van 4 september 2008, waar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigden. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, onder meer indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien de voorzieningenrechter in een dergelijk geval van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan worden gedaan in de hoofdzaak. In de uitnodiging voor de zitting zijn partijen op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter gewezen. 3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de aanhangige hoofdzaak. 4. In geding is verweerders besluit van 18 juni 2008, waarbij het bezwaar van verzoeker tegen de hem opgelegde lasten onder dwangsom ten aanzien van de illegale bouw van een aantal bouwwerken, de illegale bewoning van een paardenstal en twee illegale uitritten op het perceel [adres], ongegrond is verklaard. 5. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken. 6. Op 28 juni 2007 hebben ambtenaren naar aanleiding van een mondeling handhavingsverzoek door een buurtbewoner op verzoekers perceel een controle uitgevoerd. Daarbij is vastgesteld dat zich op het perceel een aantal illegale bouwwerken bevindt en dat een paardenstal illegaal is verbouwd tot woning die door verzoekers vader wordt bewoond. Van de controle is een zogenoemd constateringsrapport opgemaakt. 7. Het wettelijk toetsingskader luidt als volgt. Volgens artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van de regels welke het gemeentebestuur uitvoert. In artikel 5:21 van de Awb is bepaald dat onder bestuursdwang wordt verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. Volgens artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen in de plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. Krachtens artikel 40, eerste lid, van de Ww, zoals dat luidt per 1 april 2007, is het verboden a. te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, b. een bouwwerk, standplaats of deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten, tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is of was vereist. Voor het perceel [adres] is het bestemmingsplan "Schaapsloop II" - vastgesteld door de raad op 29 januari 1998 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant op 8 september 1998 - van kracht. Het perceel, voor zover hier van belang, heeft hierin de bestemming "Kernrandgebied". Op grond van artikel 11.1 van de daarbij behorende planvoorschriften is het perceel bestemd voor bosgebied, agrarisch bodemgebruik, volkstuinen en dierenweiden met bijbehorende voorzieningen, zandpaden en voor de extensieve dagrecreatie. Volgens artikel 11.3 van de planvoorschriften mogen die gronden uitsluitend worden bebouwd met gebouwen of andere bouwwerken ten dienste van die bestemming met dien verstande dat: 1. per perceel maximaal 2 bouwwerken worden gebouwd met een totale oppervlakte van 3% van het perceelsoppervlak met een maximum van 50 m²; 2. de gebouwen worden uitgevoerd in één bouwlaag met een nokhoogte van maximaal 3 meter; 3. de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde niet meer mag bedragen dan 3 meter. Op grond van artikel 11.4 van de planvoorschriften wordt tot een strijdig gebruik als bedoeld in artikel 16 van de planvoorschriften in elk geval gerekend: 1. gebruik voor woondoeleinden; (…). Volgens artikel 16.1 van de planvoorschriften is het verboden de in dit plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming(en) of een verleende vrijstelling, behoudens het bepaalde in artikel 20.2. Op grond van artikel 20.1 van de planvoorschriften mag een bouwwerk, dat op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerp van het plan bestond of in uitvoering was, dan wel is of kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag vóór dat tijdstip is ingediend en dat afwijkt van het in het plan bepaalde ten aanzien van de toelaatbaarheid van de bebouwing, mits de bestaande afwijkingen ook naar hun aard niet worden vergroot en behoudens onteigening: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. worden uitgebreid met een maximum van 20% van de oppervlakte of inhoud van het in de aanhef bedoelde bouwwerk; c. (..). Op grond van artikel 20.2 van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en bouwwerken, dat in strijd is met het in het plan bepaalde en dat bestaat op het tijdstip, waarop het plan voor zover betrekking hebbend op de strijdigheid van dat gebruik van kracht wordt, worden voortgezet en/of gewijzigd, mits door die wijziging de strijdigheid met het plan niet wordt vergroot. Krachtens artikel 20.3 van de planvoorschriften is het bepaalde in artikel 20.2 niet van toepassing op gebruik, dat reeds in strijd was met het tot het in dat artikel genoemd tijdstip ter plaatse geldende bestemmingsplan. Ingevolge artikel 2.1.5.3, eerste lid, van de in verweerders gemeente thans geldende APV is het verboden zonder voorafgaande melding aan het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 8. De voorzieningenrechter overweegt het volgende. 9. Ten aanzien van verzoekers grief dat verweerders besluitvorming niet heeft plaatsgevonden zonder aanzien des persoons en dat verweerders handelwijze strijdig is met artikel 2:4 van de Awb, overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat verweerder een persoonlijk belang heeft gehad jegens verzoeker bij het nemen van het bestreden besluit. Op 28 juni 2007 hebben ambtenaren van verweerders gemeente naar aanleiding van een mondeling handhavingsverzoek van een buurtbewoner verzoekers perceel bezocht. Dit duidt niet op vooringenomenheid van verweerder tegenover verzoeker. Voorts dient volgens de geldende jurisprudentie in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik te maken en een handhavingstraject te starten. Verzoeker heeft ook geen nadere onderbouwing gegeven voor zijn in dit verband geuite vermoedens. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook niet gebleken noch aannemelijk gemaakt dat verweerder gehandeld heeft in strijd met het bepaalde in artikel 2:4 van de Awb. 10. De voorzieningenrechter kan verzoeker niet volgen in diens stelling dat het horen in bezwaar niet door [deskundige], een extern deskundige die niet bij verweerders gemeente werkzaam is, had mogen geschieden. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat [deskundige] door verweerder gemachtigd was om die hoorzitting te houden. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding tot twijfel daaromtrent. Voorts heeft de voorzieningenrechter in de Awb noch anderszins een wettelijk beletsel aangetroffen voor het horen door een externe gemachtigde van het bestuursorgaan, mits voldaan is aan de overige eisen die aan het horen in de Awb worden gesteld. Niet is gebleken dat aan de overige eisen niet is voldaan. Voor wat betreft het door verzoeker gestelde dat [deskundige] aan verweerder na de hoorzitting een advies heeft uitgebracht en dat het onjuist is om slechts één persoon het advies te laten opstellen, overweegt de voorzieningenrechter dat het verweerder vrijstaat, al dan niet ten behoeve van zijn besluitvorming, om adviezen van een derde in te winnen. Er is dan ook geen sprake van strijd met de wet indien verweerder ten aanzien van een te nemen besluit op bezwaar een derde om advies vraagt. In casu is geen adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb ingeschakeld, zodat de bepalingen die daarvoor gelden in dit geval ook niet van toepassing zijn. 11. Ten aanzien van de inhoud van het besluit overweegt de voorzieningenrechter dat allereerst moet worden beoordeeld of verweerder bevoegd is om handhavend op te treden. Ten aanzien van strijdigheid met het bestemmingsplan 12. Verzoeker heeft in dit verband aangevoerd dat verweerder zijn vergunningenbestand niet op orde heeft, zodat niet meer is na te gaan of ten behoeve van de bedoelde bouwwerken bouwvergunning is verleend. Met name bestaat volgens verzoeker onduidelijkheid omtrent de bouwvergunningen die verweerder heeft verleend ten behoeve van de paardenstal. Gelet hierop kan volgens verzoeker niet met zekerheid gezegd worden dat de bouwwerken niet door verweerder zijn vergund en acht verzoeker verweerder niet bevoegd tot het opleggen van de last. 13. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat alle sedert 1905 verleende bouwvergunningen zijn te raadplegen en dat hij niet méér bouwvergunningen heeft verleend dan die welke in de gedingstukken genoemd zijn. Verweerder is na onderzoek gebleken dat hij in 1968 een bouwvergunning heeft verleend ten behoeve van de oprichting van een paardenstal, en voorts dat de overige bouwwerken en activiteiten niet door verweerder zijn vergund. 14. De voorzieningenrechter heeft geen reden om aan de juistheid van verweerders standpunt te twijfelen. Mede gezien het verhandelde ter zitting, acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat geen andere bouwvergunningen zijn verleend dan die welke verweerder in het bestreden besluit heeft vermeld. Hetgeen verzoeker daaromtrent heeft gesteld leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter houdt het er daarom voor dat enkel ten behoeve van de oprichting van de paardenstal in 1968 bouwvergunning is verleend, en dat alle bouwvergunningsplichtige voorzieningen aan de paardenstal nadien illegaal zijn aangebracht. De voorzieningenrechter wijst er overigens op dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat uit de last enkel voortvloeit dat de in de paardenstal gerealiseerde voorzieningen die ten behoeve van bewoning zijn aangebracht verwijderd dienen te worden. 15. Hieruit volgt dat de bij het bestreden besluit gewraakte bouwwerken en voorzieningen op het perceel [adres] zonder vergunning zijn opgericht respectievelijk aangebracht. Aldus is verweerder bevoegd om verzoeker - de huidige eigenaar van het perceel - onder aanzegging van bestuursdwang te gelasten deze bouwwerken/voorzieningen te verwijderen. 16. Met betrekking tot het gebruik van de paardenstal stelt de voorzieningenrechter vast dat tussen partijen niet in geschil is - en ook hij houdt het er voor - dat bewoning daarvan zich niet verdraagt met artikel 11.4, onder 1. van de planvoorschriften. 17. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn betoog dat de paardenstal op grond van het gebruiksovergangsrecht als bedoeld in artikel 20.2 van de planvoorschriften bewoond mag blijven. De voorzieningenrechter stelt - onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van Raad van State, onder andere bij uitspraak van 29 augustus 2007 (www.rechtspraak.nl, LJN BB2470) - voorop dat degene die zich op overgangsrecht beroept, aannemelijk moet maken dat dit recht in zijn geval van toepassing is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker - aan de hand van concrete gegevens - niet aannemelijk gemaakt dat de paardenstal op de in artikel 20.2 van de planvoorschriften bedoelde peildatum - die in 1998 is gelegen - reeds voor bewoning in gebruik was. De voorzieningenrechter acht het overigens veeleer aannemelijk dat het gebruik van de paardenstal voor woondoeleinden eerst is ontstaan nadat verzoeker het perceel in 2002 heeft gekocht. 18. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van de paardenstal voor woondoeleinden op de [adres] strijdig is met het bestemmingsplan. Gelet hierop is verweerder bevoegd verzoeker een last onder dwangsom op te leggen teneinde het strijdige gebruik te doen beëindigen. 19. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving zal, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van een bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 20. De voorzieningenrechter kan niet ingaan op verzoekers voorstel om één van beide overkappingen (gebouw 3.2) te verwijderen, zodat de andere overkapping (met een oppervlakte van 53,6 m²) zou kunnen blijven staan. De voorzieningenrechter wijst er hierbij op dat in deze procedure enkel het bestreden besluit ter beoordeling staat. 21. Naar ook tussen partijen niet in geschil is, biedt het bestemmingsplan geen mogelijkheden om (binnenplans) vrijstelling te verlenen teneinde de illegale bouwwerken en het illegale gebruik te legaliseren. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder, zoals hij in het bestreden besluit heeft overwogen, niet bereid is vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Geoordeeld moet dus worden dat van concreet zicht op legalisatie geen sprake is. Dit zou slechts anders zijn, indien reeds op voorhand moet worden geoordeeld dat verweerders weigering om planologische medewerking te verlenen aan verzoekers activiteiten op het perceel, in rechte geen stand zal kunnen houden. Daarvan is in casu geen sprake. Een tijdelijke vrijstelling ex artikel 17 van de WRO is evenmin aan de orde nu niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een tijdelijke situatie. 22. Blijkens het bepaalde in artikel 5:32, vierde lid, van de Awb, moet het bedrag waarop de dwangsom is vastgesteld in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onder meer bij uitspraak van 26 april 2004 (www.rechtspraak.nl, LJN AW4009) heeft overwogen, kunnen in dat verband de kosten die naar verwachting met het beëindigen van de overtreding gepaard gaan, een rol spelen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, gelet op het financiële voordeel dat verzoeker kan verwachten bij niet-naleving van de voor hem geldende regels, voldoende aannemelijk gemaakt dat de opgelegde dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom, die een afdoende financiële prikkel moet zijn om de overtreding te beëindigen. 23. Nu niet is gebleken van andere bijzondere omstandigheden die maken dat het opleggen van een last in dit geval als onevenredig zou moeten worden bestempeld, heeft verweerder het belang bij wetshandhaving in redelijkheid kunnen laten prevaleren boven het belang van verzoeker bij handhaving van de status quo. 24. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot het gebruik van zijn bestuursdwangbevoegdheid ten aanzien van de illegale bouw van bedoelde bouwwerken, alsmede van de illegale bewoning van de paardenstal heeft kunnen komen. Hetgeen verzoeker voor het overige heeft aangevoerd, kan niet tot de conclusie leiden, dat verweerders besluit op deze punten niet in stand kan blijven. Ten aanzien van strijdigheid met de APV 25. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat een last onder dwangsom, gelet op het bepaalde in artikel 5:32, eerste lid, van de Awb, alleen kan worden opgelegd aan de overtreder. Wie als zodanig kan worden aangemerkt, zal steeds aan de hand van het wettelijk voorschrift dat is overtreden moeten worden bepaald. Daartoe dient steeds de vraag te worden beantwoord tot wie het desbetreffende voorschrift is gericht (de normadressaat). Gelet op artikel 2.1.5.3, eerste lid, van de APV dient als overtreder te worden aangemerkt degene die de uitweg gemaakt of veranderd heeft. De voorzieningenrechter stelt dienaangaande vast dat het besluit is gericht tot verzoeker, die de eigenaar van het perceel is. Vastgesteld dient te worden of verzoeker terecht als overtreder is aangemerkt. Naar onweersproken gesteld is, bevinden de uitritten zich al sedert (omstreeks) 1929 op het perceel. In ieder geval moet het er voor gehouden worden dat de uitritten er aanwezig waren toen verzoeker het perceel kocht. Gelet hierop moet geoordeeld worden dat niet verzoeker (maar waarschijnlijk een vorige eigenaar van het perceel) als overtreder van het in de APV opgenomen verbod is aan te merken. Aldus heeft verweerder ten onrechte verzoeker de last onder dwangsom opgelegd. 26. Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het dwangsombesluit, voor zover betrekking hebbende op het ongedaan maken van de uitritten, een wettelijke grondslag mist en dat verweerder in zoverre de bevoegdheid ontbeert om verzoeker een last onder dwangsom op te leggen. De voorzieningenrechter laat dan nog daar de beantwoording van de vraag of de uitritten niet krachtens (oud) overgangsrecht aanwezig mogen blijven. 27. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit dat strekt tot het ongedaan maken van de twee uitritten, is daarom gegrond en het bestreden besluit komt op dit punt voor vernietiging in aanmerking. 28. Nu het beroep in de hoofdzaak wordt afgedaan bestaat er geen grond tot het treffen van een voorlopige voorziening. 29. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 866,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: • 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift; • 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift; • 1 punt voor het verschijnen ter zitting; • waarde per punt € 322,00 • wegingsfactor 1. 30. Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat de gemeente Valkenswaard aan verzoeker de door hem gestorte griffierechten ten bedrage van € 290,00 (2 x € 145,00) dient te vergoeden. 31. Beslist wordt als volgt. Beslissing De voorzieningenrechter, - verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit dat strekt tot het ongedaan maken van de twee uitritten, gegrond; - vernietigt het bestreden besluit in zoverre; - verklaart het beroep voor het overige ongegrond; - wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af; - bepaalt dat de gemeente Valkenswaard aan verzoeker het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 290,00; - veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op € 966,00; - wijst de gemeente Valkenswaard aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden. Aldus gedaan door mr. H.A.W. Snijders als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hooghuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2008. ? Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het beroep is beslist, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Afschriften verzonden: