
Jurisprudentie
BF1683
Datum uitspraak2008-09-11
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers149361/HA RK 08-85
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers149361/HA RK 08-85
Statusgepubliceerd
Indicatie
Wraking. Het enkele feit dat de beslissing op het verzoek van de raadsman het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren en op het daarmee samenhangende subsidiaire verzoek tot het – doen – horen van de betrokken verbalisanten negatief uitvalt, levert geen grond op voor wraking. In een dergelijk geval staat de weg van het instellen van hoger beroep bij het Gerechtshof open.
Uitspraak
RECHTBANK HAARLEM
Wrakingskamer
zaaknummer: 149361/HA RK 08-85
datum beslissing: 11 september 2008
Op verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
raadsman mr. B.W.M. Zegers, advocaat te Volendam.
1. Procesverloop
1.1 Op de openbare terechtzitting van 28 augustus 2008 heeft verzoeker de wraking verzocht van mrs. [rechter 1], [rechter 2] en [rechter 3], hierna te noemen: de rechters, in de bij deze rechtbank, sector Straf, aanhangige zaak met parketnummer 15/801051-08, hierna te noemen: de hoofdzaak.
1.2 De rechters hebben niet berust in de wraking en hebben per brief van de voorzitter d.d. 4 september 2008 schriftelijk op het verzoek gereageerd.
1.3 De officier van justitie in de hoofdzaak heeft op 9 september 2008 schriftelijk gereageerd.
1.4 Verzoeker, de rechters en de officier van justitie zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 11 september 2008. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. Zegers voornoemd. De rechters en de officier van justitie hebben van de geboden gelegenheid, met bericht, geen gebruik gemaakt.
2. Het standpunt van verzoeker.
2.1 Verzoeker heeft zijn verzoek op zitting toegelicht aan de hand van aan de rechtbank overgelegde pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen zijn als bijlage I aan deze beslissing gehecht en maken daarvan deel uit.
3. Beoordeling
3.1 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.
3.2 De meervoudige strafkamer van deze rechtbank heeft in de hoofdzaak op verzoek van verdachte op de terechtzitting van 28 augustus 2008 een beslissing genomen op het primaire verzoek van verdachte het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, alsmede op diens subsidiaire verzoek omtrent het horen van de verbalisanten die betrokken zijn geweest bij de aanhouding van verdachte en twee anderen. In het proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting is hieromtrent onder meer het volgende opgenomen:
“De stelling van de raadsman dat alleen de verdachten [verzoeker], [verdachte]en [verdachte] zijn aangehouden, vindt geen steun in het dossier. Niet uitgesloten is dat er meer mensen zijn aangehouden van de betreffende vlucht. De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn omtrent onregelmatigheden, laat staan dat er stukken zijn achtergehouden door het openbaar ministerie. De rechtbank verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer en ziet geen reden tot het horen van de verbalisanten.”
3.3 De wrakingskamer merkt allereerst op dat de raadsman van verdachte de woorden van de rechtbank blijkens zijn initiële ter terechtzitting van de hoofdzaak gedane wrakingverzoek, zoals dat is weergegeven in het daarvan opgemaakte proces-verbaal, kennelijk onjuist heeft geïnterpreteerd. De rechtbank heeft immers slechts overwogen dat “niet uitgesloten is dat er meer mensen zijn aangehouden van de betreffende vlucht”. De stelling van de raadsman dat de rechtbank er van uit gaat dat er meerdere verdachten op de bewuste vlucht zaten, berust daarom op een onjuiste interpretatie van de woorden van de rechters.
3.4 Het enkele feit dat de beslissing op het verzoek van de raadsman het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren en op het daarmee samenhangende subsidiaire verzoek tot het – doen – horen van de betrokken verbalisanten negatief uitvalt, levert geen grond op voor wraking. In een dergelijk geval staat de weg van het instellen van hoger beroep bij het Gerechtshof open.
3.5 Het voorgaande voert tot de slotsom dat niet is gebleken dat de feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, grond opleveren voor het oordeel dat het fungeren van de rechters in de hoofdzaak tot schade aan de rechterlijke onpartijdigheid zou kunnen leiden.
3.6 De aangevoerde feiten en omstandigheden vormen derhalve geen grond voor wraking.
3.7 De rechtbank zal het verzoek afwijzen.
4. Beslissing
De rechtbank:
4.1 wijst het verzoek om wraking af;
4.2 beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechters en de officier van justitie een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;
4.3 beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. E.A. Coyajee-Kappers, voorzitter, en mrs. Th.S. Röell en M.J.M. Verpalen, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2008 in tegenwoordigheid van mr. M. Valk als griffier.
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.