Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1661

Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDordrecht
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/31485
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / laissez-passer / China
Geen sprake van een verandering van de feiten en/of omstandigheden, welke de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. Uit het enkele feit dat in één individueel geval een laissez-passer is afgegeven kan niet worden afgeleid dat de recente contacten op verschillende niveaus met de Chinese autoriteiten hebben geleid tot een structureel gewijzigde opstelling van de Chinese autoriteiten, in die zin dat daarmee een trend is gezet.


Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Dordrecht Sector Bestuursrecht Vreemdelingenkamer procedurenummer: AWB 08/31485, V-nummer: 200.745.1594, uitspraak van de enkelvoudige kamer inzake [eiser], eiser, gemachtigde: mr. H.W.F. Klarenaar, advocaat te Dordrecht, tegen de Staatssecretaris van Justitie te ’s-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr. C. Prins, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Op 1 september 2008 is de rechtbank, door middel van een namens eiser ingediend beroepschrift, ervan in kennis gesteld dat verweerder eiser op 31 augustus 2008 in bewaring heeft gesteld. 1.2. De zaak is op 12 september 2008 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Voorts is ter zitting verschenen G.S. Nie, tolk in het Chinees. 1.3. De rechtbank heeft op 12 september 2008 het onderzoek ex artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om de stelling, dat op 8 september 2008 een laissez-passer door de Chinese autoriteiten is verstrekt, schriftelijk te onderbouwen, zo mogelijk door middel van documenten. 1.4. Naar aanleiding van deze schorsing heeft verweerder bij faxbericht van 15 september 2008 aanvullende informatie aan de rechtbank doen toekomen. 1.5. Bij faxbericht van 16 september 2008 heeft eiser zijn reactie op bovengenoemde informatie gegeven. 1.6. Hierna heeft de rechtbank, mede gelet op de daartoe door partijen verleende toestemming, het onderzoek gesloten en ingevolge artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. 2. Overwegingen 2.1. Krachtens artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Gelet op het bepaalde in artikel 94, eerste lid, laatste volzin, van de Vw 2000 staat tevens ter beoordeling of er aanleiding is eiser schadevergoeding toe te kennen. 2.2. Eiser voert aan dat de bewaring onrechtmatig is opgelegd. Hiertoe voert eiser aan dat uit het proces-verbaal van staandehouding niet blijkt waar het redelijke vermoeden van illegaal verblijf uit bestaat. In dit kader verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) van 8 augustus 2005, JV 2005, 362. Voorts voert eiser aan dat er geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat ten aanzien van Chinezen vreemdelingen. In dit verband merkt eiser op dat het niet uitmaakt of hij wel of niet gedocumenteerd is. 2.3. Verweerder voert aan dat eiser rechtmatig is staandegehouden. In dit kader merkt verweerder op dat verbalisanten een persoon zagen staan aan de achterzijde van het Chinese restaurant, welke bleef kijken naar verbalisanten. Toen de bus arriveerde rende een viertal personen rennend naar de bus. Hieruit blijkt het redelijke vermoeden van illegaal verblijf. Subsidiar stelt verweerder zich op het standpunt dat voor zover er sprake zou zijn van een gebrek in de procedure tot staandehouding, er een belangenafweging dient te worden gemaakt. In dit kader merkt verweerder op dat eiser acht jaar onrechtmatig in Nederland verblijft, geen documenten heeft, geen vaste woon-/verblijfplaats heeft, onvoldoende middelen van bestaan heeft en veroordeeld is terzake een misdrijf. Voorts voert verweerder aan dat voldoende zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat, nu sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden sedert de uitspraak van de ABRS van 5 september 2008. In dit verband wijst verweerder erop dat er op 1 september 2008 een voorbereidend gesprek op hoogambtelijk niveau met de Chinese autoriteiten heeft plaatsgevonden. Op 8 september 2008 heeft een gesprek tussen de Minister van Justitie en de Chinese ambassadeur plaatsgevonden met betrekking tot de afgifte van vervangende reisdocumenten. Op 8 september 2008 is een laissez-passer afgegeven door de autoriteiten van China. Ten slotte wijst verweerder erop dat eiser heeft verklaard dat hij over een hukou boekje beschikt maar niet weet waar dat nu is. Volgens verweerder kan ook eiser aan documenten komen, aangezien eiser heeft medegedeeld dat zijn vader in China woont. 2.4. De rechtbank acht het beroep gegrond en komt daartoe op grond van de navolgende overwegingen. Terzake van verweerders stelling dat sprake is van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn overweegt de rechtbank als volgt. In de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht van 11 augustus 2008 (08/25799, LJN: BD9842) heeft de rechtbank, met betrekking tot de vraag of er zicht op uitzetting binnen redelijke termijn is, het volgende overwogen: “Ter zitting van 8 augustus 2008 heeft verweerder aangevoerd dat een maximale inspanning wordt geleverd om te komen tot terugname door China van eigen onderdanen en tot verbetering van de doorlooptijden van aanvragen om lp’s. Voor zover verweerder hiermee heeft willen betogen dat hij meer doet dan hij de rechtbank kan meedelen, heeft de rechtbank daar op zichzelf begrip voor, maar zijn de betreffende inspanningen van verweerder voor de rechtbank niet toetsbaar. Gelet hierop, gezien de lange duur van de huidige impasse en vanwege het ontbreken van voldoende concrete aanwijzingen voor verandering op korte termijn ziet de rechtbank in de diplomatieke inspanningen van verweerder thans geen aanknopingspunten (meer) voor de conclusie dat zicht op uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn niet ontbreekt.” De ABRS heeft in haar voormelde uitspraak van 5 september 2008, terzake van het zicht op uitzetting, het volgende overwogen: “(…) dat de staatsecretaris weliswaar de nodige inspanningen verricht op diplomatiek niveau, doch hieruit blijkt niet van concrete aanknopingspunten die de verwachting rechtvaardigen dat thans op korte termijn zal kunnen worden overgegaan tot uitzetting van Chinese vreemdelingen naar China, ook als de vreemdeling de vereiste medewerking verleent. De staatssecretaris heeft over de inhoud van de gevoerde gesprekken noch over de termijn waarbinnen een verandering in de houding van de Chinese autoriteiten mag worden verwacht ter zitting van 21 augustus 2008 helderheid kunnen verschaffen.” De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een verandering van de feiten en/of omstandigheden, welke de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. Uit het enkele feit dat in één individueel geval een laissez-passer is afgegeven kan niet worden afgeleid dat de recente contacten op verschillende niveaus met de Chinese autoriteiten hebben geleid tot een structureel gewijzigde opstelling van de Chinese autoriteiten, in die zin dat daarmee een trend is gezet. Dit klemt te meer nu verweerder voor het desbetreffende geval op de expliciete vraag of sprake was van vrijwillige terugkeer c.q. terugkeer via bemiddeling door de IOM geen eenduidig antwoord heeft gegeven. Verweerder heeft om hem moverende reden volstaan met de navolgende opmerking: “De laissez-passer aanvraag is ten tijde van bewaring opgestart vanuit de Dienst Terugkeer en Vertrek en ziet derhalve toe op gedwongen terugkeer.” Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig is. Derhalve ziet de rechtbank gronden aanwezig om eiser een schadevergoeding toe te kennen. De rechtbank is van oordeel dat eiser vanaf aanvang bewaring, zijnde 31 augustus 2008, een schadevergoeding dient toe te komen. Eiser heeft sindsdien negentien dagen in bewaring doorgebracht. Tot 1 september 2008 dient een bedrag van € 95,- te worden toegekend voor elke dag dat eiser op het politiebureau heeft doorgebracht. Met ingang van 1 september 2008 is het normbedrag verhoogd tot € 105,- per dag detentie in een politiecel en € 80,00 per dag detentie in een huis van bewaring, zodat aan eiser voor de periode van 31 augustus 2008 tot 18 september 2008 een schadevergoeding toekomt van totaal € 1.560,-- (1 x € 95,-, 1 x 105,-- en 17 x € 80,-). Gelet op het vorenstaande behoeven de overige gronden die door eiser zijn aangedragen geen verdere bespreking. 2.5. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat aan eiser ter zake van het onderhavige beroep een toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald. 2.6. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt. 3. Beslissing De rechtbank 's-Gravenhage: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring van eiser; - wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent eiser een schadevergoeding toe van € 1.560,-- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank; - veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 644,-- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan de griffier van de rechtbank moet vergoeden. Aldus gegeven door mr. J.A.M. van den Berk, rechter, en door deze en H. Philips, griffier, ondertekend. De griffier, De rechter, Uitgesproken in het openbaar op: 19 september 2008 Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden.