Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1642

Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09/655383-08
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vrijspraak. De rechtbank ervaart te veel twijfel om tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring te kunnen besluiten met betrekking tot het verbergen en verborgen houden van het wapen. Met betrekking tot het verbergen van de auto is de rechtbank van oordeel, dat er onvoldoende bewijs voor handen is om aan te nemen dat verdachte wist dat hiermee een strafbaar feit was gepleegd. Zie ook LJN: BF1409 (medeverdachte D.), BF1412 (medeverdachte A.), BF1413 (medeverdachte P.), en BF1414 (medeverdachte B.).


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE SECTOR STRAFRECHT MEERVOUDIGE KAMER (VERKORT VONNIS) parketnummer 09/655383-08 's-Gravenhage, 19 september 2008 De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte M.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, adres: [adres]. De terechtzitting. Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 september 2008. De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. E.C. Kerkhoven, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord. De officier van justitie mr. I.J.E.H.C. Degeling heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De tenlastelegging. Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A. Vrijspraak. De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte wist dat [D.] een strafbaar feit had gepleegd met het wapen. Het wapen wordt vervolgens in het zicht van de verdachte door [D.] in diens auto gelegd. Toch rijdt verdachte op verzoek van [D.] deze auto weg, met het wapen er in, waarmee hij sporen wegmaakt en het wapen en de auto verbergt. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting niet afgeleid kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. De Rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verdachte wordt gebeld door [D.] die hem verzoekt naar het benzinestation te komen. Ter plaatse treft hij [D.] aan, totaal overstuur en met een wapen in zijn hand. [D.] vraagt verdachte op een gegeven moment zijn auto naar de overkant van de snelweg te rijden, wat verdachte ook doet. [D.] heeft weliswaar verklaard dat hij de verdachte opdracht had gegeven het wapen en de auto weg te halen, maar hij heeft eveneens verklaard dat hij de verdachte slechts gezegd heeft de auto weg te nemen en geen vragen te stellen. Verdachte heeft verklaard dat hij pas later op de hoogte kwam van het feit dat zich in de auto een wapen bevond. Er is één getuige die heeft verklaard dat [D.] het wapen heeft overgegooid naar verdachte, maar deze lezing van de feiten wordt niet ondersteund door het voorhanden zijnde beeldmateriaal. Op de beeldopnamen is te zien dat verdachte dicht bij [D.] staat op het moment dat [D.] het wapen in zijn auto legt. Het is dus heel goed mogelijk dat verdachte heeft waargenomen dat het wapen door [D.] in de auto werd gelegd. Het is daarentegen ook heel goed mogelijk dat hij dit niet heeft gezien. Er was immers sprake van een grote consternatie en verdachte bevond zich in een voor hem ongebruikelijke situatie. Bij deze stand van zaken ervaart de rechtbank te veel twijfel om tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring te kunnen besluiten met betrekking tot het verbergen en verborgen houden van het wapen. Met betrekking tot het verbergen van de auto is de rechtbank van oordeel, dat er onvoldoende bewijs voor handen is om aan te nemen dat verdachte wist dat hiermee een strafbaar feit was gepleegd. Verdachte dient dus van de tenlastegelegde feiten vrijgesproken te worden. Beslissing. De rechtbank, verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; Dit vonnis is gewezen door mrs. Quadekker, voorzitter, Jacobs en Bastein, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Den Braber, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 september 2008. Mr. Jacobs is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.