Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1605

Datum uitspraak2008-08-22
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/9421
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Opheffing ongewenstverklaring / voorlopige voorziening hangende bezwaar / artikel 8:81 Awb / materiële connexiteit / niet-ontvankelijkheid voorlopige voorziening
Verzoeker is ongewenst verklaard en heeft verzocht deze ongewenstverklaring op te heffen. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen en tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. De voorlopige voorziening die verzoeker heeft ingediend hangende bezwaar strekt ertoe de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring te schorsen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring, waaronder de plicht Nederland te verlaten, niet hangende de procedure gericht tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring kunnen worden geschorst, nu het besluit tot ongewenstverklaring in deze procedure niet voorligt. Derhalve ontbreekt de materiële connexiteit tussen de gevraagde voorlopige voorziening enerzijds en het in de hoofdzaak bestreden besluit anderzijds. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening om die reden niet ontvankelijk verklaren.


Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Nevenzittingsplaats Haarlem zaaknummer: AWB 08 / 9421 uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 augustus 2008 in de zaak van: [naam verzoeker], geboren op [geboorte datum], van Turkse nationaliteit, verzoeker, gemachtigde: mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp, tegen: de staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. R.M. ter Hart, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage. 1. Procesverloop 1.1 Verzoeker heeft op 24 september 2007 een verzoek ingediend tot het opheffen van zijn ongewenstverklaring. Verweerder heeft het verzoek bij besluit van 11 maart 2008 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 14 maart 2008 bezwaar gemaakt. 1.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar de werking van het besluit niet opschort. Verzoeker heeft op 14 maart 2008 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring te schorsen totdat verweerder op het bezwaar heeft beslist. 1.3 Verweerder heeft op 2 augustus 2008 een verweerschrift ingediend. 1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2008. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. 2. Overwegingen 2.1 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Verzoeker is in 1979 Nederland binnengekomen en verblijft sinds 1 juni 1981 rechtmatig in Nederland. Hij is op 27 mei 1987 in het bezit gesteld van een vergunning tot vestiging (verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd). Bij besluit van 16 januari 2001 is deze vergunning ingetrokken en is hij op ongewenst verklaard. Verzoeker heeft tegen het besluit van 16 januari 2001 op 9 februari 2001 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 maart 2004 is dat bezwaar door verweerder ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 22 april 2005 (AWB 04/14372) is het tegen dit besluit ingediende beroep ongegrond verklaard. Daarmee is het besluit tot ongewenstverklaring in rechte onaantastbaar komen vast te staan. 2.2 De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek. 2.3 Alvorens een verzoek ontvankelijk is, dient ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb te zijn voldaan aan het connexiteitsvereiste. Dit vereiste heeft een materieel en een formeel aspect. Het vereiste van formele connexiteit houdt in dat een voorlopige voorziening slechts dan kan worden getroffen, indien bezwaar, administratief beroep of beroep aanhangig is. Het vereiste van de materiële connexiteit houdt in dat de gevraagde voorziening betrekking moet hebben op het, connexe, in de hoofdzaak bestreden, besluit. 2.4 Op het formulier waarmee verzoeker gevraagd heeft een voorlopige voorziening te treffen hangende zijn bezwaarprocedure staat vermeld dat het verzoek ertoe strekt dat voorkomen dient te worden dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure wordt uitgezet. Verzoeker heeft bij brief van 7 augustus 2008 het petitum van zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring geschorst wil zien. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat de brief van 7 augustus 2008 geen wijziging, maar een aanvulling van het petitum betreft. 2.5 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring, waaronder de plicht Nederland te verlaten, niet hangende de procedure gericht tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring kunnen worden geschorst, nu het besluit tot ongewenstverklaring in deze procedure niet voorligt. Derhalve ontbreekt de materiële connexiteit tussen de gevraagde voorlopige voorziening enerzijds en het in de hoofdzaak bestreden besluit anderzijds. 2.6 De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening om die reden niet ontvankelijk verklaren. 2.7 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten. 3. Beslissing De voorzieningenrechter: verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, en op 22 augustus 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S. Rabbering, griffier. afschrift verzonden op: Coll: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.