
Jurisprudentie
BF1587
Datum uitspraak2008-08-27
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers124200 / HA ZA 06-641
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers124200 / HA ZA 06-641
Statusgepubliceerd
Indicatie
Eiser gebonden aan erkenning ter comparitie. Enkele feit dat deze erkenning niet geheel overeenkomt met conclusie van antwoord onvoldoende voor geslaagd beroep op dwaling als bedoeld in art. 154 lid 2 Rv. Vorderingen afgewezen. Wegens het niet voldoen aan de stelplicht kan geen aanspraak jegens gedaagden worden vastgesteld, en voorts ontbreekt bij een van de vorderingen het belang bij toewijzing.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK HAARLEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 124200 / HA ZA 06-641
Vonnis van 27 augustus 2008
in de zaak van
[eiser],
wonende te Amsterdam,
eiser,
procureur mr. A.M. Wolf,
advocaat mr. R.P. Kuijper te Amsterdam,
tegen
1. de stichting
STICHTING ONDERWIJS KUNST KLUB,
gevestigd te Oostzaan,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te Oosterwijk,
gedaagden,
procureur mr. L. Koning,
advocaat mr. A.J. Israëls te Dordrecht.
Partijen zullen hierna [eiser] en Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. (gedaagden gezamenlijk) dan wel Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. en [gedaagde sub 2] (gedaagde afzonderlijk) genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 juli 2006
- het proces-verbaal van comparitie van 25 september 2006
- het proces-verbaal van voortzetting van comparitie van 11 februari 2008
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek
- een akte aan de zijde van [eiser]
- een akte aan de zijde van Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s.
- een akte aan de zijde van [eiser].
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [eiser] en Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. hebben in 1989 een concept overeenkomst opgesteld waarin onder meer is vermeld:
“1) Stichting Onderwijs Kunst Klub will buy and sell as much as possible of the work of mr [eiser]
2) Stichting Onderwijs Kunst Klub will exhibite the work of mr [eiser] in order to promote mr [eiser]’s name in Holland”
Deze concept overeenkomst is niet door partijen ondertekend.
2.2. [eiser] heeft vanaf 1989 een aantal schilderijen en grafische werken aan Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. ter beschikking gesteld.
2.3. In de periode vanaf 1989 tot en met 2003 hebben Stichting Onderwijs Kunst Klub, [gedaagde sub 2] en derden namens Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. betalingen verricht aan [eiser].
2.4. Op 1 maart 2000 heeft [eiser] een “Overzicht van schilderijen ter verkoop geleverd aan [gedaagde sub 2]” opgesteld, waarop 45 schilderijen staan vermeld geleverd in de periode 1989 – 1995. Dit overzicht is door [eiser] en [gedaagde sub 2] ondertekend.
2.5. Bij brief van 24 juli 2003 heeft [eiser] [gedaagde sub 2] het volgende geschreven:
“Hierbij stuur ik je een overzicht van de ingeleverde schilderijn over de periode 1989 t.m. 1995.
Ik verzoek je vriendelijk mij zo spoedig mogelijk (..) te informeren welke schilderijen van het overzicht zijn verkocht. Deze gegevens heb ik nodig om mijn administratie/rekeningen in orde te maken.”
2.6. Bij brief van 2 oktober 2003 heeft [eiser] [gedaagde sub 2] herinnerd aan zijn verzoek in de de brief van 24 juli 2003 en schrijft hij:
“Ik wil je aan onze 50%-50% afspraak herinneren inzake de inkomsten die betrekking hebben op mijn werken.”
2.7. Op 26 oktober 2004 heeft de raadsman van [eiser] aan [gedaagde sub 2] geschreven:
“Tevens zijn er een aantal verkochte werken niet (volledig) betaald, waarvoor ik u kortheidshalve verwijs naar de bijgevoegde brief van 2 oktober 2003 alsmede het overzicht van 1 maart 2000. (..) De totale vervangende geldswaarde betreft derhalve een bedrag van € 176.195,-.”
3. Het geschil
3.1. [eiser] vordert samengevat –
I. voor recht te verklaren dat de tussen Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. en [eiser] [de rechtbank leest: bestaande overeenkomst] wegens wanprestatie is ontbonden, zodat partijen gehouden zijn tot ongedaanmaking;
II. Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. hoofdelijk te bevelen tot het geven van een opgave van de door [eiser] vervaardigde en bij hen in bezit zijnde werken, op straffe van een dwangsom;
III. Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. hoofdelijk te veroordelen tot afgifte van deze werken;
IV. Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de volledige inkomsten uit de verkoop of verhuur van door [eiser] vervaardigde werken;
V. Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van proceskosten.
3.2. Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. Bij de beoordeling van de vorderingen van [eiser] stelt de rechtbank voorop dat deze blijkens zijn stellingen betrekking hebben op werken die hij reeds geruime tijd geleden (in de periode 1989 – 1995) aan Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. ter beschikking heeft gesteld. Dit stelt hoge eisen aan de stelplicht van [eiser]; Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. moeten zich immers op een behoorlijke manier tegen de vorderingen kunnen verweren. Uit de stellingen van partijen lijkt te volgen dat geen van hen een deugdelijke administratie heeft gevoerd van enerzijds de door de één aan de ander overgedragen (en soms retour gegeven) werken en anderzijds de betalingen in verband daarmee van de één aan de ander. In ieder geval beschikken zij thans kennelijk niet langer over zulke administratie hetgeen Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s., gelet op de inmiddels verstreken tijd, niet kan worden tegengeworpen. Het voorgaande leidt ertoe dat, zoals hierna zal blijken, de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. Aan de hand van zijn stellingen en de onderbouwing daarvan kan namelijk geen aanspraak jegens Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. worden vastgesteld. De rechtbank zal om die reden ook geen onderscheid maken tussen beide gedaagden, omdat dit niet van belang is. Ook aan het beroep op verjaring komt de rechtbank niet toe.
4.2. Hierna volgt een bespreking van de afzonderlijke vorderingen van [eiser].
4.3. [gedaagde sub 2] heeft ter comparitie van 25 september 2006 erkend dat de door [eiser] overgelegde (hierboven sub 2.1 genoemde) concept overeenkomst de afspraken tussen partijen weergeeft en dat partijen daarnaar hebben gehandeld. Bij conclusie van dupliek van 7 mei 2008 heeft Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. alsnog afstand genomen van deze uitlating, maar de rechtbank gaat hier aan voorbij. Het proces-verbaal is met instemming van partijen na afloop van de zitting en buiten hun aanwezigheid vastgesteld. Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. hebben na ontvangst van het proces-verbaal, noch ter gelegenheid van de voortzetting van het proces-verbaal aanleiding gezien tegen de inhoud daarvan bezwaar te maken. Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. zijn derhalve aan hun erkenning gebonden. Voor dwaling ingevolge artikel 154 lid 2 Rv. hebben zij onvoldoende gesteld. Het enkele feit dat deze erkenning niet (geheel) spoort met de conclusie van antwoord is onvoldoende. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat partijen hebben gehandeld op grond van afspraken zoals weergegeven in genoemde concept overeenkomst.
4.4. Het voorgaande betekent dat tussen partijen als uitgangspunt heeft te gelden hetgeen in het eerste artikel van die concept overeenkomst is vermeld, namelijk dat Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. zoveel mogelijk van het werk van [eiser] zou kopen en (door)verkopen. Dit uitgangspunt spoort met het feit dat [eiser] werken aan Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. ter beschikking heeft gesteld en dat Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. en derden namens hen betalingen aan [eiser] hebben verricht.
Voorts is van belang dat het partijen vrijstond om naast hetgeen oorspronkelijk was afgesproken, nadere (aanvullende) afspraken te maken. Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. heeft in dit verband aangevoerd dat zij werken van [eiser] kochten, dat die op kosten van Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. werden ingelijst en dat na doorverkoop aan derden [eiser] deelde in de winst. Dit valt ook te rijmen met de brief van [eiser] van 2 oktober 2003 (zie sub 2.6) waarin hij [gedaagde sub 2] herinnert aan de “50%-50% afspraak”.
4.5. De sub I gevorderde verklaring voor recht kan niet worden toegewezen. Weliswaar zijn partijen het erover eens dat aan de samenwerking en de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst een einde is gekomen, maar van wanprestatie is geen sprake, reeds omdat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat Stichting Onderwijs Kunst Klub en/of [gedaagde sub 2] in verzuim zijn geraakt. Een en ander nog daargelaten dat áls sprake zou zijn van wanprestatie niet ongedaanmaking – zoals [eiser] vordert – maar een verplichting tot vergoeding van schade daarvan het gevolg zou zijn.
4.6. Ook hetgeen [eiser] sub II heeft gevorderd – een opgave van de werken die in bezit zijn van Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. – kan niet worden toegewezen. [eiser] heeft daarbij immers geen belang meer, nu blijkens het proces-verbaal van voortzetting van comparitie door [eiser] is bevestigd dat Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. heeft voldaan aan dit deel van de vordering en [eiser] onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat die opgave onvolledig is.
4.7. [eiser] heeft voorts afgifte gevorderd van zijn werken die bij Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. in bezit zijn. Volgens de overeenkomst waar [eiser] zich op beroept, zijn deze werken echter door Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. gekocht. In ieder geval heeft [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit kan volgen dat bepaalde, specifiek aangeduide werken, niet zijn verkocht maar aan Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. in consignatie zijn gegeven. Ook voor het aannemen van een eigendomsvoorbehoud is door [eiser] onvoldoende gesteld. Ook dit deel van de vordering moet dus stranden.
4.8. Tot slot vordert [eiser] betaling van inkomsten van verkoop en/of verhuur van zijn werken. Deze vordering kan niet slagen, reeds omdat [eiser] niet heeft gesteld welke betalingen hij van Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. (met betrekking tot welke van zijn werken) heeft ontvangen, zodat zelfs aan de hand van de door Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. op 25 januari 2008 als productie voor de comparitie van 11 februari 2008 overgelegde lijst niet kan worden vastgesteld welke werken wél door Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. zijn verkocht maar waarvoor zij [eiser] niet hebben laten delen in de winst.
4.9. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. worden begroot op:
- vast recht 248,00
- salaris procureur 2.034,00 (4,5 punten × tarief EUR 452,00)
Totaal EUR 2.282,00
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. wijst de vorderingen af,
5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Stichting Onderwijs Kunst Klub c.s. tot op heden begroot op EUR 2.282,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Flipse en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2008.?