Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1572

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/7383 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Geschiktheid voor eigen werk. Hersteldverklaring met terugwerkende kracht? Zorgvuldige beoordeling?


Uitspraak

06/7383 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellante], wonende te [Vlaardingen] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2006, 06/2477 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 10 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut. II. OVERWEGINGEN 1. Appellante was werkzaam als schoonmaakster voor 38 uur per week en ontving van 1 juli 2004 tot en met 27 oktober 2004 een uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg vanwege zwangerschaps- en bevallingsverlof. Aansluitend aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft appellante zich ziekgemeld vanwege rugklachten, schouderklachten en spierpijn. 2.1. De arts P.C. Lafeber is na onderzoek op 29 juni 2005 tot de conclusie gekomen dat appellante volledig hersteld is en heeft appellante een verklaring overhandigd waarin staat vermeld dat zij met ingang van 30 juni 2005 in staat wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. 2.2. Nadat de gemachtigde van appellante bezwaar had gemaakt tegen de fictieve weigering van het Uwv om een besluit ingevolge de Ziektewet (ZW) af te geven, heeft het Uwv bij besluit van 27 januari 2006 aan appellante meegedeeld dat met ingang van 30 juni 2006 geen recht (meer) bestaat op ziekengeld, omdat zij per die datum niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt is voor het verrichten van haar arbeid. Bij brief van 2 februari 2006 heeft het Uwv aangegeven dat in het besluit van 27 januari 2006 een kennelijke verschrijving staat en appellante per 30 juni 2005 hersteld is verklaard. 2.3. Tegen het besluit van 27 januari 2006 heeft appellante bezwaar gemaakt. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de gemachtigde van appellante een rapportage van de directrice van het Instituut Psychosofia, Centrum voor spirituele geneeswijze en spirituele dans (hierna: Instituut Psychosofia) van 20 februari 2006, overgelegd. Na de hoorzitting op 23 maart 2006 heeft bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink medische informatie opgevraagd bij de behandelaars van appellante. Volgens het rapport van de bezwaarverzekeringsarts blijkt uit de brief van oefentherapeute Cesar Y. van den Bergh van 6 april 2006 dat er sprake is van houdingsinsufficiëntie en flinke hypertonie van de gehele rug en nekmusculatuur en dat de algehele conditie en spierkracht ronduit slecht is te noemen. Op grond van deze informatie, dossierstudie en de hoorzitting heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 10 mei 2006 geen reden gezien om te twijfelen aan de conclusie van de primaire arts. 2.4. Bij besluit van 11 mei 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen de fictieve weigering kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 27 januari 2006 ongegrond verklaard. De na het bestreden besluit ontvangen brief van sociaal psychiatrisch verpleegkundige J. van Wieringen van de Riagg van 18 mei 2006 is alsnog door de bezwaarverzekeringsarts beoordeeld. Volgens zijn rapportage van 24 mei 2006 zijn daaruit geen serieuze psychische beperkingen af te leiden die de werkbelasting overschrijden en aanleiding geven om af te wijken van het oordeel van de primaire arts. 3. Tijdens de beroepsfase heeft appellante verschillende medische stukken overgelegd waaronder een tweede brief van sociaal psychiatrisch verpleegkundige Van Wieringen van 18 mei 2006, naar aanleiding van een vraagstelling van de gemachtigde van appellante, een overzicht journaal van huisarts J.R.M. Dopper, een aanmeldingsverslag van 3 maart 2005 bij de Riagg en een brief van oefentherapeut Cesar Van den Bergh van 9 april 2006. Daarnaast is een medische adstructie van Instituut Psychosofia van 3 juli 2006 en een nadere reactie van Instituut Psychosofia van 3 oktober 2006, overgelegd. 4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de medische stukken kan volgens de rechtbank niet worden geconcludeerd dat het Uwv een onjuist of onvolledig beeld had van de gezondheidsklachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor het verrichten van arbeid. Ten aanzien van de rapportages van Instituut Psychosofia verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Raad van 28 december 2001, gepubliceerd in USZ 2002/68 (LJN: AD9645), 14 oktober 2003, gepubliceerd in RSV 2004/2 (LJN: AN8064) en 13 april 2005, gepubliceerd in RSV 2005/170 (LJN: AT4323) en komt tot de conclusie dat deze rapportages geen relevante argumenten bevatten die aanleiding geven voor twijfel aan de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts, dat appellante per 30 juni 2005 geschikt was te achten voor haar eigen arbeid. 5. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de primaire arts heeft gehandeld in strijd met de Verzekeringsgeneeskundige standaard Communicatie met behandelaars door appellante hersteld te verklaren alvorens informatie op te vragen bij haar behandelaars. Daarnaast dient het Uwv volgens appellante het risico te dragen voor het te laat nemen van het besluit van 27 januari 2006. Volgens appellante is de verzekeringsgeneeskundige beoordeling onzorgvuldig tot stand gekomen en heeft de rechtbank een onjuiste maatstaf gevolgd ten aanzien van de beoordeling van de rapportages van Instituut Psychosofia. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de gemachtigde van appellante een medische adstructie overgelegd van Instituut Psychosofia van 9 januari 2007, die een reactie geeft op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts en de uitspraak van de rechtbank. 6.1. Aan de Raad ligt de vraag voor of hij de rechtbank volgt in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad overweegt als volgt. 6.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde. 6.3. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Dit betekent dat bij de beoordeling van de vraag of appellante ongeschikt is voor het verrichten van haar arbeid de functie van schoonmaakster voor 38 uur per week als maatstaf geldt. 6.4. De Raad ziet in de gronden aangevoerd in hoger beroep geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank en verenigt zich met de overwegingen in de aangevallen uitspraak. De Raad stelt vast dat uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting van de rechtbank is verklaard niet blijkt dat gesproken kan worden van een hersteldverklaring met terugwerkende kracht. De Raad overweegt voorts dat de rechtbank ten aanzien van de rapportages van Instituut Psychosofia op juiste wijze navolging heeft gegeven aan de onder 4. vermelde uitspraken van de Raad. De Raad verwijst naar (onder meer) zijn uitspraken van 13 juli 2005 (LJN: AT9828) en 30 juni 2006 (LJN: AX9316). 6.5. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts over voldoende medische gegevens beschikte om tot een zorgvuldig oordeel te kunnen komen en dat er geen aanwijzingen bestaan dat de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts onjuist zou zijn. De bezwaarverzekeringsarts heeft informatie opgevraagd bij de behandelaars van appellante en heeft naar aanleiding van de ontvangen medische informatie, de hoorzitting en dossieronderzoek geen medisch objectiveerbare ziekte of gebreken kunnen constateren waaruit blijkt dat appellante niet geschikt zou kunnen worden geacht voor haar arbeid als schoonmaakster op de datum in geding, 30 juni 2005. Ook de naderhand door de gemachtigde van appellante overgelegde (medische) informatie heeft volgens de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 27 juli 2006 niet kunnen leiden tot een ander oordeel ten aanzien van de gezondheidstoestand van appellante per de datum in geding en de beperkingen die hieruit voortvloeien voor het verrichten van arbeid. De medische adstructie van Instituut Psychosofia van 9 januari 2007 bevat volgens de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 8 februari 2007 geen nieuwe relevante argumenten. De Raad stelt dan ook vast dat niet kan worden geoordeeld dat het Uwv de medische situatie van appellante op de datum in geding onjuist heeft ingeschat door appellante in staat te achten tot het verrichten van haar arbeid. 6.6. Hetgeen in 6.4 en 6.5 is overwogen leidt tot de slotsom dat de rechtbank het beroep van appellante, gericht tegen de beëindiging van de uitkering ingevolge de Ziektewet per 30 juni 2005, terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. 7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008. (get.) M.C.M. van Laar. (get.) M.C.T.M. Sonderegger. JL