
Jurisprudentie
BF1561
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/5713 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/5713 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening WAO-uitkering. Oordeel onafhankelijke door bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel volgen. Beperkingen onderschat. In cardiaal opzicht minder belastbaar dan aangenomen. Geselecteerde functies niet in overeenstemming met beperkingen.
Uitspraak
05/5713 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 augustus 2005, 04/3182 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant heeft L.A.M. de Groot Heupner zich als gemachtigde van appellant gesteld. Zijn kantoorgenoot mr. M.G. Klumpenhouwer heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klumpenhouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M. Delfgauw.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad een deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De cardioloog prof. dr. F.W.A. Verheugt heeft aan de Raad op 17 maart 2008 een rapport uitgebracht, aangevuld met een nader schrijven van 28 april 2008.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het nadere onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen. De Raad volstaat met het volgende.
1.2. Bij besluit van 7 juni 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 5 augustus 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Dit besluit berustte op het medisch oordeel van de verzekeringsarts dat appellant, die kampte met de naweeën van tweemaal een hartinfarct, een bypassoperatie en een burn-out, met beperkingen ten aanzien van tillen, dragen, statische arbeid, lopen, staan, duwen en trekken in staat was, anders dan voorheen zonder urenrestrictie, lichamelijk niet inspannende arbeid te verrichten zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 maart 2004. Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige appellant ongeschikt geacht voor zijn maatgevende functie van directeur van een garagebedrijf, maar met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) kantoorfuncties geselecteerd die appellant met zijn beperkingen kon vervullen. Vergelijking van het voor appellant geldende maatmaninkomen met het loon dat hij nog kon verdienen met die voor hem passend te achten werkzaamheden resulteerde in een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
1.3. Bij het besluit van 27 oktober 2004, hierna: bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 juni 2004 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit lag ten grondslag dat appellant ondanks een lichte aanscherping van de beperkingen door de bezwaarverzekeringsarts in staat werd geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde voltijdse functies te vervullen, met uitzondering van de functie van commercieel-administratief medewerker. Dit leidde niet tot een andere mate van arbeidsongeschiktheid dan de klasse van 55 tot 65%.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard en daartoe ten aanzien van de medische grondslag overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts inzake de medische beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid, met inbegrip van het ontbreken van de medische noodzaak van een urenbeperking, in twijfel te trekken. Tevens heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep volhard in zijn stelling dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts een onvolledig en onzorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar zijn gezondheidstoestand en zijn medische beperkingen ernstig hebben onderschat.
3.2. De Raad heeft aanleiding gezien de cardioloog prof. dr. Verheugt als deskundige in te schakelen teneinde de Raad van verslag en advies te dienen omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding 7 juni 2004. Aan diens rapport van 17 maart 2008 ontleent de Raad het navolgende:
“A. 1. Betrokkene lijdt aan een status na onderwand en voorwandinfarct na coronairchirurgie in 1996. Er is sprake van chronisch hartfalen, matige belastbaarheid zonder tensieopbouw en zonder objectieve tekenen van residuele myocardischaemie.
B. 1. Betrokkene had op 5 augustus 2004 een status van chronisch hartfalen na 2 myocardinfarcten en coronairchirurgie in 1996.
2. Ik kan mij niet verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van betrokkene. Ik ga hierbij uit van het gedingstuk B21, B43 en B42.
3. Ik kan mij met geen der functionele mogelijkheden verenigen, omdat patiënt lijdt aan chronisch hartfalen en aanvalsgewijze benauwdheid bij geringe inspanningen en stress. Hij kan hooguit alleen zittend werk verrichten in de afwezigheid van enige geestelijke stress. In de praktijk komt derhalve geen van de functionele mogelijkheden in aanmerking, zoals verwoord in gedingstuk B42. Ook de aanpassingen zoals verwoord door de bezwaarverzekeringsarts d.d.
22 oktober 2004 acht ik evenmin haalbaar om bovengenoemde redenen.
4. Zoals onder B.3 aangegeven acht ik geen der geselecteerde functies geschikt zoals omschreven in gedingstuk B25 en kan ik mij evenmin verenigen met het rapport van de arbeidskundige zoals omschreven in gedingstuk B28. Ook de notities functiebelasting zoals omschreven in gedingstuk B27.13 zijn niet haalbaar bij betrokkene. Voor alle duidelijkheid wijs ik opnieuw op het al 12 jaar bestaan van ernstig coronairlijden met bijpassend hartfalen, dat door coronairchirurgie niet is kunnen worden verholpen. De geringe belastbaarheid van pati?nt, gevolgd door de afwezigheid van tensieopbouw en zelfs enige daling van de bloeddruk bij inspanning, maken hem ongeschikt voor enige functie. Ook zittend werk kan gepaard gaan met geestelijke stress, hetgeen deze man met zijn ernstig hartlijden niet aankan, gelet op de functieproeven die ik bij hem heb verricht.
5. Ik zie geen enkele functie die betrokkene wel kan vervullen, om bovengenoemde redenen.”
Geconfronteerd met de reactie hierop van de bezwaarverzekeringsarts heeft de deskundige als volgt gepersisteerd bij zijn standpunt:
“1. De belastbaarheidsaspecten van de functionele mogelijkhedenlijst (gedingstuk B42) waarvoor ik appellant meer beperkt acht, betreffen vooral de dynamische handelingen en wel in het bijzonder het duwen, trekken, tillen of dragen. Gelet op de slechte linker kamerfunctie bij chronisch hartfalen is elke lichamelijke activiteit anders dan strikt kantoorwerk aangewezen. Patiënt is derhalve in deze handelingen maximaal beperkt. Ook het lopen tijdens het werk kan hooguit worden beperkt tot het halen van koffie of de toiletgang. Het dagelijks 4 uur lopen op het werk is niet mogelijk. Uitsluitend zittend kantoorwerk is aangewezen.
2. Zoals aangegeven, acht ik de aanpassingen zoals verwoord door de bezwaarverzekeringsarts niet haalbaar en derhalve leidt dit niet tot een gewijzigde beantwoording van de door u aan mij gestelde vragen in uw schrijven van
21 december 2007. Met name wijs ik op het belang van het vermijden van psychische stress bij een patiënt met een sterk verminderde linker kamerfunctie en chronisch hartfalen.”
4.1. In de vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De Raad heeft daarbij acht geslagen op de omstandigheid dat de deskundige, desgevraagd, zijn conclusie na kennisname van het andersluidende standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, heeft gehandhaafd.
4.2. De Raad is van oordeel dat op grond van het advies van prof. dr. Verheugt voldoende duidelijk vaststaat dat appellant in cardiaal opzicht minder belastbaar is dan de (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv aanneemt en met name meer beperkt moet worden geacht bij het omgaan met conflicten (aspect 2.8 van de FML), duwen of trekken (4.13), tillen of dragen (4.14), lopen (4.18) en lopen tijdens het werk (4.19). Daarbij gaat de Raad ervan uit dat appellant op genoemde aspecten niet of hooguit uiterst minimaal belastbaar is. Voor appellant zijn functies geselecteerd waarvan, blijkens het resultaat eindselectie, het merendeel enige belasting meebrengt ten aanzien van tillen of dragen en/of omgaan met conflicten. Naar het oordeel van de Raad is niet aannemelijk dat deze functies in overeenstemming zijn met de beperkingen die voor appellant gelden. Nu uitsluitend de SBC-code 516080 (schadecorrespondent) functies omvat die ten minste zeven arbeidsplaatsen vertegenwoordigen waarbij de belastbaarheid van appellant niet wordt overschreden, berust de onderhavige schatting naar het oordeel van de Raad op onvoldoende functies.
5. Het bestreden besluit berust derhalve op een onjuiste medische en arbeidskundige grondslag. Dit leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komen.
6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De Raad is niet gebleken dat appellant tijdens de procedure in eerste aanleg proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
JL