
Jurisprudentie
BF1508
Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13/525026-08 (PROMIS)
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13/525026-08 (PROMIS)
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verdachte heeft op 15 januari 2008 het slachtoffer gewurgd en daarna de hotelkamer in brand gestoken door vuurwerk te gooien in de richting van het bed waarop het slachtoffer lag.
De rechtbank veroordeelt verdachte voor doodslag, brandstichting en het beschadigen en onbruikbaar maken van het lijk van het slachtoffer tot een gevangenisstraf van 12 jaar.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/525026-08 (PROMIS)
Datum uitspraak: 19 september 2008
op tegenspraak
VONNIS
van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het Huis van Bewaring “Almere Binnen” te Almere.
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
5 september 2008.
1. Telastelegging
Aan verdachte is telastegelegd dat
1.
hij op of omstreeks 15 januari 2008 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg in een hotelkamer (nummer 325) van het [naam hotel] Hotel ([adres]) die [slachtoffer] gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] terstond of kort daarna is overleden;
(Artikel 289 Wetboek van Strafrecht)
Subsidiair:
hij op of omstreeks 15 januari 2008 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet in een hotelkamer (nummer 325) van het [naam hotel] Hotel ([adres]) die [slachtoffer] gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] terstond of kort daarna is overleden;
(Artikel 287 Wetboek van Strafrecht)
2.
hij op of omstreeks 15 januari 2008 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk het stoffelijk overschot van [slachtoffer], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of haar nabestaande(n), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door dat stoffelijk overschot (door middel van het aansteken van vuurwerk) in brand te steken en/of te laten verbranden;
(Artikel 350 Wetboek van Strafrecht)
Subsidiair:
hij op of omstreeks 15 januari 2008 te Amsterdam een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer], heeft begraven en/of verbrand en/of vernietigd en/of verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, door toen aldaar met dat oogmerk genoemd stoffelijk overschot (door middel van het aansteken van vuurwerk) in brand te steken en/of te laten verbranden;
(Artikel 151 Wetboek van Strafrecht)
3.
hij op of omstreeks 15 januari 2008 te Amsterdam opzettelijk brand heeft gesticht in een hotelkamer (nummer 325) van het [naam hotel] Hotel ([adres]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk vuurwerk aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met vuurwerk, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat vuurwerk geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het hotelpand en/of een of meer belendend(e) perce(e)l(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor
zwaar lichamelijk letsel voor een of meer hotelgast(en)/medewerker(s) en/of buurtbewon(e)r(s), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;
(Artikel 157 Wetboek van Strafrecht)
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan
3.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 telastegelegde bewezen kan worden verklaard.
3.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair telastegelegde feit en heeft daartoe – hier kort samengevat en verder in detail uitgewerkt in zijn pleitnota – het volgende aangevoerd. Uit de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van zijn cliënt volgt dat hij heeft gehandeld in een opwelling, hetgeen voorbedachte rade uitsluit. Zijn cliënt dient daarom van moord te worden vrijgesproken.
De raadsman heeft tevens verzocht dat zijn cliënt wordt vrijgesproken van doodslag omdat hij de aanwezigheid van de bewustzijnscomponent betwijfelt.
Met betrekking tot het onder 2 primair telastegelegde is door de raadsman om vrijspraak verzocht en daartoe heeft hij betoogd dat het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aan niemand toebehoort. Tevens is door de raadsman aangevoerd dat zijn cliënt van het onder 2 subsidiair telastegelegde moet worden vrijgesproken omdat er geen overtuigend bewijs aanwezig is voor het oogmerk om het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aan nasporing te onttrekken.
De verdediging refereert zich ten aanzien van het onder 3 telastegelegde aan het oordeel van de rechtbank.
3.3. Het oordeel van de rechtbank
3.3.1. De bewijsmiddelen
Op 15 januari 2008 is er omstreeks 18.13 uur in kamer 325 in Hotel [naam hotel], gevestigd op het [adres] te Amsterdam, brand uitgebroken. Door bedrijfshulpdiensten van het hotel is getracht de toegangsdeur van kamer 325 te openen met een master-keycard, hetgeen niet lukte. Later bleek dat er in het slot een door midden geknipte kaart zat, waardoor de deur niet geopend. Tevens bleek dat de toegangsdeur was gebarricadeerd met een stoel en een koffer. Nadat de bedrijfshulpdiensten de toegangsdeur met geweld hadden geopend is getracht een brand in het slaapkamervertrek van de kamer te blussen. Door de rookontwikkeling in de kamer moest de bedrijfshulpdienst terugtreden.
De brandweer heeft de bluswerkzaamheden overgenomen. In de kamer en in de gang hing een zeer dikke rook. Later is bij onderzoek op de vloer van de slaapkamer een kartonnen huls aangetroffen. Het betrof een huls van een pyrotechnisch mengsel (siervuurwerk) om een fontein van vuur te maken. Door het optreden van de bedrijfshulpdiensten en de brandweer kon voorkomen worden dat de brand oversloeg naar overige delen in het hotel waarmee werd voorkomen dat er een redelijk gevaar kon ontstaan voor de overige gasten en de personeelsleden in het hotel.
In de badkamer trof de brandweer een bewusteloze man aan. De man lag in een met water gevuld bad en met een haarföhn geklemd tussen zijn schouder en de muur. In de slaapkamer trof de brandweer op het bed een vrouw aan. Haar hoofd, arm en hand stonden in brand evenals het bed rond haar hoofd. De vrouw bleek te zijn overleden. Later is ook door een verbalisant gezien dat het lichaam van de vrouw ten dele verbrand was. De verbalisant zag dat de vrouw geheel ontkleed was en alleen pantykousjes aanhad. Hij zag brandwonden, waarbij de huid zwart geblakerd was, aan de linkerzijde van het gelaat alsmede aan haar linkeronderarm en hand en de bovenzijde van de borstkas. Dit blijkt tevens uit de foto’s van het lichaam die door de Forensisch Technische Opsporing zijn gemaakt.
Bij de sectie was er geen roet in de luchtwegen van het slachtoffer aantoonbaar. Een spoed koolmonoxidebepaling gaf een bloedgehalte van 0%. Gezien deze bevindingen kan met grote zekerheid worden gesteld dat het slachtoffer ten tijde van het uitbreken van de brand niet meer in leven was. Het intreden van de dood is zeer waarschijnlijk het gevolg geweest van verstikking en bloedstuwing van het hoofd ten gevolge van heftig samendrukkend geweld op de hals zoals bij verwurging of strangulatie kan optreden.
Uit onderzoek van de politie is gebleken dat degene die stond ingeschreven in kamer 325 de heer [verdachte] is. Uit de verklaringen van receptiemedewerkers en uit videobeelden blijkt dat om 16.24 uur aan de receptie een jonge vrouw was verschenen die naar kamer 325 wilde. Zoals gebruikelijk is voor bezoekers van hotelgasten is toen haar identiteitsbewijs gekopieerd. Het betrof een vrouw die zich legitimeerde met een Roemeens paspoort op naam van [slachtoffer]. Daarna werd ze door personeel van het hotel begeleid naar de lift om naar kamer 325 te gaan. Uit de verklaring van [persoon 1], eigenaar van een escortbureau, is gebleken dat [slachtoffer] als prostituee [verdachte] heeft bezocht.
Door de brandweer zijn twee identiteitsdocumenten uit de kamer veiliggesteld. Het betreft de identiteitsbewijzen van [slachtoffer] en [verdachte].
Verdachte heeft bij de rechter-commissaris onder meer het volgende verklaard. Op 15 januari 2008 is er een escortmeisje bij hem op de hotelkamer geweest. Hij heeft haar vrij snel na haar binnenkomst met zijn das gewurgd. Hij had geen speciale reden om haar te wurgen. Verdachte heeft verklaard dat zij daar op het verkeerde moment was. Hij is in paniek geraakt toen hij merkte dat zij dood was en heeft toen de magneetkaart doormidden geknipt en één helft in het slot gestoken. Ook heeft hij een stoel voor de deur gezet. Verdachte wilde zelfmoord plegen door een haardroger in een gevuld bad te doen. Vlak voordat hij in bad wilde stappen herinnerde hij zich dat hij nog wat vuurwerk had en besloot hij alles in brand te steken. Ter terechtzitting heeft verdachte daaraan toegevoegd dat hij het vuurwerk met een aansteker heeft aangestoken en daarna richting het bed heeft gegooid.
3.3.2. Bewijsoverwegingen en waardering van het bewijs
Feit 1
De rechtbank acht – met de officier van justitie en de verdediging - niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank acht de telastegelegde voorbedachte raad niet bewezen, nu uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte op enig moment na kalm beraad en rustig overleg de beslissing heeft genomen om het slachtoffer van het leven te beroven.
Met betrekking tot hetgeen door de raadsman ten aanzien van het onder 1 subsidiair telastegelegde is opgemerkt over de bewustzijnscomponent overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft gewurgd maar zegt niet te weten waarom hij dat heeft gedaan. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat er sprake was van een vlaag van verstandsverbijstering. Uit het psychiatrisch onderzoek pro justitia blijkt dat er geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld dat ervoor zorgde dat verdachte een black-out had ten tijde van het telastegelegde of dat ervoor zorgde dat hij daadwerkelijk niet wist wat hij op dat moment deed. De omstandigheid dat bij verdachte sprake zou zijn geweest van een black-out is naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet aannemelijk geworden. Het verweer dat het (voorwaardelijk) opzet ontbreekt wordt verworpen.
De rechtbank acht op grond van voorgaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair telastegelegde heeft begaan.
Feit 2
De raadsman heeft verzocht om vrijspraak van het onder 2 primair telastegelegde omdat het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aan niemand toebehoort. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de nabestaanden van een overledene een zodanige zeggenschap over het lijk van hun overleden familielid hebben dat van toebehoren in de zin van artikel 350 Wetboek van Strafrecht moet worden gesproken.
De rechtbank oordeelt dat op grond van voormelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 2 primair telastegelegde heeft begaan.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het stoffelijk overschot van [slachtoffer] heeft beschadigd en onbruikbaar gemaakt omdat de door de bewezenverklaarde handelingen van verdachte bewerkstelligde verminking van het lijk een aantasting vormt van de ongeschonden staat waarin het stoffelijk overschot uit een oogpunt van respect voor de overledene behoort te worden gelaten, waardoor de nabestaanden niet in staat zijn geweest het stoffelijk overschot met het aan de overledene verschuldigde respect te begraven.
Feit 3
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van voormelde bewijsmiddelen, waaronder de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 telastegelegde heeft begaan.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 telastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte
ten aanzien van het onder 1 subsidiair telastegelegde:
op 15 januari 2008 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet in een hotelkamer (nummer 325) van het [naam hotel] ([adres]) die [slachtoffer] gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
ten aanzien van het onder 2 primair telastegelegde:
op 15 januari 2008 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk het stoffelijk overschot van [slachtoffer], toebehorende aan haar nabestaanden, heeft beschadigd en onbruikbaar gemaakt door dat stoffelijk overschot door middel van het aansteken van vuurwerk in brand te steken en te laten verbranden;
ten aanzien van het onder 3 telastegelegde:
op 15 januari 2008 te Amsterdam opzettelijk brand heeft gesticht in een hotelkamer (nummer 325) van het [naam hotel] ([adres]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk vuurwerk aangestoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het hotelpand en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor hotelgasten/ medewerkers te duchten was.
Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
4. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de straf
6.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de door de benadeelde partij [benadeelde partij] (moeder van het slachtoffer) gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 25.550,00 met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en dat de benadeelde partij in de rest van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de benadeelde partij [naam hotel] het eigen risico onder haar opstalverzekering ter hoogte van € 24.000,00 wordt toegewezen met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht de eis van de officier van justitie te matigen gezien de persoonlijke omstandigheden van zijn cliënt. De raadsman heeft daartoe aangevoerd
dat de psychiater de kans op recidive gering acht, dat de psychiater zijn cliënt verminderd toerekeningsvatbaar acht, dat zijn cliënt geen justitiële documentatie heeft, dat zijn cliënt spijt van het gebeurde heeft en dat zijn cliënt nog zeer jong is.
6.3. Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft een jonge vrouw op gruwelijke wijze om het leven gebracht, omdat zij, zoals blijkt uit de verklaring van verdachte, op het verkeerde moment op de verkeerde plaats was. Het benemen van iemands leven is de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven. Verdachte heeft hiermee onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Een dergelijk handelen draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en in de samenleving aanwezige gevoelens van angst en onveiligheid worden hierdoor versterkt.
De rechtbank neemt het verdachte bovendien zeer kwalijk dat hij het de nabestaanden van het slachtoffer onmogelijk heeft gemaakt om op een gepaste wijze afscheid te nemen van het slachtoffer door het stoffelijk overschot van het slachtoffer op de bewezen verklaarde wijze te schenden.
Door brand te stichten heeft verdachte niet alleen het stoffelijk overschot van het slachtoffer geschonden maar door aldus te handelen en daarbij de toegang tot de kamer te belemmeren door het slot en de deur te blokkeren heeft verdachte het leven van de in het hotel aanwezige personen ernstig in gevaar gebracht. Brand kan zich immers snel en onbeheersbaar ontwikkelen en de rookontwikkeling alleen al kan levensbedreigend zijn.
Verdachte heeft geen inzicht gegeven in zijn drijfveren. Hij laat hiermee de nabestaanden van het slachtoffer in het ongewisse over het motief voor zijn handelen, waardoor zij met niet beantwoorde vragen achterblijven. Anderzijds weegt de rechtbank mee dat verdachte de rechtbank de indruk heeft gegeven dat hij zich bewust is en spijt heeft van het leed dat hij de nabestaanden van het slachtoffer heeft aangedaan.
In het licht van de ernst van de bewezen verklaarde feiten acht de rechtbank – anders dan de verdediging - de omstandigheid dat verdachte nog niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest geen strafverminderende omstandigheid.
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank mede acht geslagen op de rapportage van psychiater
[naam psychiater] d.d. 11 juni 2008. Uit deze rapportage blijkt dat verdachte een depressie, een persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline, ontwijkende en misschien afhankelijke trekken en een benedengemiddeld IQ heeft. De depressie heeft waarschijnlijk bijgedragen aan de gevoelens van hulpeloosheid, machteloosheid, wanhoop en frustratie die verdachte al enige tijd ervaarde. Zijn karakterstructuur heeft er toe bijgedragen dat hij met zijn negatieve gevoelens niet op een adequate manier kon omgaan en door die emoties als het ware ‘overspoeld’ werd. Zijn beperkte IQ droeg daartoe verder bij. Deze gemoedstoestand verminderde ten dele de controle van betrokkene over zijn emoties. Geconcludeerd wordt dat het feit verdachte in licht verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.
Alles overwegende acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend, waarbij de rechtbank van oordeel is dat, gelet op opgelegde straffen in vergelijkbare zaken, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.
Ten aanzien van de benadeelde partij [naam hotel] en de schadevergoedingsmaatregel
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [naam hotel] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezengeachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 15.398,24 (vijftienduizenddriehonderdachtennegentig euro en vierentwintig eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In het belang van [naam hotel] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de schadevergoedingsmaatregel
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 1 en 2 bewezen geachte feiten, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 6.750,00 (zesduizendzevenhonderdenvijftig euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
De vordering tot immateriële schadevergoeding van € 600.000,00 wordt afgewezen. De rechtbank overweegt daartoe dat het stelsel der wet meebrengt dat nabestaanden, ingeval iemand met wie zij een nauwe en/of affectieve band hadden overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is, geen vordering geldend kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden.
Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 157, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
8. Beslissing
Verklaart het onder 1 primair telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde:
doodslag;
ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen en onbruikbaar maken;
ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:
opzettelijk brand stichten terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam hotel], gevestigd op het adres [adres] toe tot een bedrag van € 15.398,24 (vijftienduizenddriehonderdachtennegentig euro en vierentwintig eurocent).
Veroordeelt verdachte aan [naam hotel] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam hotel], te betalen de som van € 15.398,24 (vijftienduizenddriehonderdachtennegentig euro en vierentwintig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 106 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende op het adres [adres] toe tot een bedrag van € 6.750,00 (zesduizendzevenhonderdvijftig euro).
Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering tot immateriële schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen de som van € 6.750,00 (zesduizendzevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 63 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D. van den Brink, voorzitter,
mrs. J.P.C. van Dam van Isselt en K.A. Baggerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Riani el Achhab, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 september 2008.