
Jurisprudentie
BF1492
Datum uitspraak2008-07-31
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.003.675/01 , C05/1302 (oud)
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.003.675/01 , C05/1302 (oud)
Statusgepubliceerd
Indicatie
uitleg overeenkomst/ samenwerking
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector handel
Zaaknummer : 105.003.675/01
Rolnummer (oud) : 05/1302
Rolnummer rechtbank : 227108/ HA ZA 04-2817
arrest van de derde civiele kamer d.d. 31 juli 2008
inzake
PARKEER MANAGEMENT NEDERLAND HOLDING B.V. ,
gevestigd te ‘s-Gravenhage,
appellante in principaal appel,
verweerster in voorwaardelijk incidenteel appel,
hierna te noemen: PMN,
procureur: mr. J. Pas,
tegen
WPM NEDERLAND B.V.,
gevestigd te ‘s Hertogenbosch,
geïntimeerde in principaal appel,
appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,
hierna te noemen: WPM,
procureur: mr. H.J.A. Knijff .
Het geding
Bij exploot van 15 juni 2005 is PMN in hoger beroep gekomen van het op 23 maart 2005 door de rechtbank ‘s-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnis. Bij memorie van grieven met producties heeft PMN haar eis vermeerderd en vijf grieven tegen dit vonnis aangevoerd, die door WPM bij memorie van antwoord zijn bestreden. In voorwaardelijk incidenteel appel heeft WPM één grief tegen het bestreden vonnis aangevoerd, die door PMN bij memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel is bestreden. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
1. Bij memorie van grieven heeft PMN haar eis vermeerderd. WPM heeft zich niet op de bij de wet voorgeschreven wijze verzet tegen deze vermeerdering van eis. Gesteld noch gebleken is dat de vermeerdering van eis strijd met de goede procesorde oplevert. Overeenkomstig het bepaalde in art. 130 Rv zal het hof uitgaan van de eis als vermeerderd. Dat het gevorderde volgens WPM niet voor toewijzing vatbaar is, doet daar niet aan af.
2. De door de rechtbank onder 1.1 tot en met 1.10 vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat daarvan zal worden uitgegaan.
3. Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.
WPM houdt zich bezig met het beheer van winkelcentra met veelal een parkeergarage. PMN houdt zich bezig met de exploitatie van parkeergarages. WPM en PMN hebben de mogelijkheden van samenwerking onderzocht. In dat kader hebben zij in september 1999 een Intentieverklaring ondertekend (hierna: de Intentieverklaring). Medio 2001 zijn de onderhandelingen over samenwerking gestaakt.
PMN de Driehoek B.V. (hierna: PMN de Driehoek) is op 3 maart 2000 door PMN opgericht met het oog op de exploitatie van de parkeergarage bij winkelcentrum de Driehoek in Oldenzaal. PMN de Driehoek is op 20 december 2000 een huurovereenkomst met de Stichting Spoorwegpensioenfonds aangegaan ten aanzien van deze parkeergarage (hierna: de huurovereenkomst). Op dat moment was PMN juridisch eigenaresse van 100% en economisch eigenaresse van 51% van de aandelen in PMN de Driehoek. Ingevolge de tussen PMN en WPM op 19 december 2000 gesloten koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) was WPM economisch eigenaresse van 49% van de aandelen in PMN de Driehoek. Deze aandelen zijn nooit juridisch geleverd aan WPM. Zowel PMN als WPM hebben de huurovereenkomst mede-ondertekend en zich jegens de Stichting Spoorwegpensioenfonds garant gesteld voor de “volledige en onverwijlde huurbetaling gedurende de eerste tien exploitatiejaren als ware dit een eigen hoofdelijke verplichting”. In de tussen PMN en WPM gesloten koopovereenkomst was een ontbindende voorwaarde opgenomen, art. 5.3. Deze voorwaarde is in vervulling gegaan, hetgeen ter uitvoering van de koopovereenkomst was verricht is ongedaan gemaakt en PMN is weer volledig juridisch en economisch eigenaresse geworden van 100% van de aandelen in PMN de Driehoek. PMN de Driehoek heeft gedurende een aantal jaren de parkeergarage in Oldenzaal geëxploiteerd. Deze exploitatie is verliesgevend geweest. Kort gezegd vordert PMN dat WPM 50% van deze verliezen draagt. De rechtbank heeft dit afgewezen. Hiertegen richten zich de grieven. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4. PMN stelt dat zij met WPM overeengekomen is dat WPM dient bij te dragen in deze verliezen. Zij baseert dit op art. 5.3 van de koopovereenkomst en art. 16 van de Intentieverklaring.
Art. 5.3 van de op 19 december 2000 gesloten koopovereenkomst houdt onder meer in:
“…
5. Ontbindende voorwaarden
(…)
5.3. Ingeval van ontbinding van deze Overeenkomst geldt onverkort hetgeen partijen zijn overeengekomen in artikel 16 van de Intentieverklaring.”
Artikel 16 van de in september 1999 ondertekende Intentieverklaring houdt onder meer in:
“…
16. Vooruitlopend op de ondertekening van de intentieverklaring en de te voeren onderhandelingen met betrekking tot een mogelijke samenwerking, is reeds betrokkenheid van beide partijen bij de hieronder genoemde projecten. Hieromtrent willen partijen het navolgende vastleggen.
(…)
Project Oldenzaal:
Indien WPM er in slaagt dit project voor PMN te acquireren voor dat overeenstemming is bereikt met betrekking tot de samenwerking of participatie, dan zal de omzet en/of resultaat die hier uit voortvloeit voor 100% voor WPM te noemen zijn.
Indien partijen niet tot overeenstemming komen met betrekking tot de in deze intentieverklaring genoemde samenwerking en participatie, zullen partijen ter zake van dit project een samenwerking aangaan afgestemd op dit project. De verdeling van de omzet en/of resultaat zal zijn WPM 50%, PMN 50%.”
5. Uitgangspunt is dat de bij de exploitatie van de parkeergarage ontstane verliezen geleden zijn door PMN de Driehoek, een aparte en van PMN en WPM te onderscheiden rechtspersoon. Behoudens voor zover anders overeengekomen is WPM niet gehouden bij te dragen in de door PMN de Driehoek geleden verliezen. Het enkele feit dat WPM op enig moment de economische eigendom van 49% van de aandelen heeft gehad, brengt geen gehoudenheid mee naar kennelijke evenredigheid van dat aandelenbezit door PMN de Driehoek geleden verliezen te compenseren. Bovendien geldt dat WPM alleen in de jaren 2000 en 2001 de economische eigendom van een deel van de aandelen in PMN de Driehoek had, maar dat in die jaren geen verliezen geleden zijn.
PMN de Driehoek is geen partij bij de in rechtsoverweging 4 weergegeven overeenkomsten en kan derhalve aan de daarin vastgelegde afspraken geen aanspraken ontlenen. Gesteld noch gebleken is dat deze bepalingen opgevat moeten worden als een ten gunste van PMN de Driehoek gemaakt derdenbeding.
Gesteld noch gebleken is bovendien dat PMN in die zin schade heeft geleden dat door PMN de Driehoek gelden verliezen voor haar rekening zijn gekomen.
Dit alles staat in de weg aan toewijzing van het gevorderde.
6. Het hof begrijpt de stellingen van PMN aldus dat in dit geval van de onder 5 genoemde uitgangspunten moet worden afgeweken omdat tussen partijen een samenwerkingsverband tot stand zou zijn gekomen op grond waarvan WPM is gehouden voor 50% bij te dragen in de verliezen van het vehikel (in dit geval PMN de Driehoek) waarin de samenwerking is vormgegeven. PMN baseert zich daarbij onder andere op de koopovereenkomst en de Intentieverklaring. Of zij dit terecht doet is een kwestie van uitleg.
De in rechtsoverweging 4 geciteerde bepalingen dienen te worden uitgelegd overeenkomstig de zogeheten Haviltex-formule: De vraag wat partijen zijn overeengekomen kan niet worden beantwoord op grond van enkel een taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Het komt aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Het hof zal eerst onderzoeken of de tekst steun geeft aan de stellingen van met name PMN.
7. Vast staat dat de tussen PMN en WPM gesloten koopovereenkomst ontbonden is. Ingevolge art. 5.3 van die overeenkomst blijft in dat geval het bepaalde in art. 16 van de Intentieovereenkomst tussen partijen gelden.
Blijkens de aanhef van art. 16 bestaat reeds ‘betrokkenheid’ van beide partijen bij project Oldenzaal. Artikel 16 van de Intentieovereenkomst voorziet in een situatie dat
(a.) WPM het project acquireert voordat partijen overeenstemming hebben over samenwerking of participatie en dat
(b.) partijen niet tot overeenstemming komen over de samenwerking of participatie.
Dat partijen wel tot overeenstemming komen is een derde situatie, die in de Intentieverklaring niet geregeld is. Naar het hof begrijpt zou in dat geval de samenwerking door partijen nader geregeld worden. Vast staat dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen over de in de Intentieverklaring genoemde algehele samenwerking of participatie en dat de onderhandelingen medio 2001 zijn gestaakt, zie conclusie van antwoord randnummer 15 en memorie van grieven randnummer 2.6.
Dit brengt mee dat ten aanzien van ‘Project Oldenzaal’ niet de eerste, maar de tweede en
derde zin als geciteerd uit art. 16 van toepassing zijn.
Taalkundig houdt die tekst niet meer in dan dat in dat geval partijen ter zake van dit project (Oldenzaal, hof) een samenwerking ‘zullen’ aangaan afgestemd op dit project. Dit kan niet anders worden gelezen dan dat die samenwerking nog nader vorm dient te krijgen. Dat de verdeling van de omzet en/of het resultaat al is vastgelegd doet niet af aan die nadere uitwerking.
Onderzocht zal moeten worden of partijen terzake van project Oldenzaal hebben samengewerkt en waaruit die samenwerking al dan niet bestaan heeft. Aangezien aanwijzingen/stellingen voor het tegendeel ontbreken gaat het hof ervan uit dat partijen het woord ‘samenwerking’ in genoemd artikel 16 hebben gebruikt overeenkomstig gangbaar Nederlands taalgebruik. Volgens Van Dale (14e editie) dient daaronder te worden verstaan: met elkaar, met verenigde krachten werken; gemeenschappelijk aan dezelfde taak werken. Het hof verwerpt de stelling van PMN dat de resultaatsverdeling de deelsamenwerking is, zie memorie van grieven randnummer 3.2.
8. Tussen partijen staat vast dat tussen WPM en PMN geen andere schriftelijk vastgelegde overeenkomsten inzake de exploitatie van de parkeergarage zijn aangegaan dan de huurovereenkomst en de koopovereenkomst. Uit deze overeenkomsten volgt geen gehoudenheid van WPM om aan PMN de helft van de door PMN de Driehoek geleden verliezen te voldoen. Wel zijn deze overeenkomsten van belang in het kader van het antwoord op de vraag of op grond van verklaringen en gedragingen van PMN en WPM kan worden geconstateerd dat tussen partijen een samenwerking is aangegaan met het oog op het project Oldenzaal.
9. In dat kader is het volgende van belang.
De considerans bij de huurovereenkomst (vierde gedachtestreepje) houdt onder meer in:
“De aandeelhouders van PMN (hof: PMN de Driehoek), te weten PMN Holding (hof: PMN) en WPN Holding (hof: WPM), hebben een samenwerkingsverband opgericht met als doel het op professionele wijze en rendabel exploiteren van parkeervoorzieningen in of bij winkelvoorzieningen.”
Naar het oordeel van het hof volgt uit deze considerans geen samenwerking als bedoeld in rechtsoverweging 7
PMN en WPM garanderen voorts de volledige en onverwijlde huurbetaling door PMN de Driehoek gedurende de eerste tien exploitatiejaren, alsof dit een eigen hoofdelijke verplichting is, zie art. 4.13 van de huurovereenkomst. Voorts hebben PMN en WPM zich verbonden om op uiterlijk 31 januari 2009 ieder voor zich een concerngarantie ter waarde van ƒ 500.000,-- aan de Stichting Spoorwegpensioenfonds ter beschikking te stellen voor de resterende termijn van de huurovereenkomst, zie art. 4.14 van de huurovereenkomst.
Ook hieruit volgt naar het oordeel van het hof geen samenwerking als bedoeld in rechtsoverweging 7.
Daarnaast was WPM op 19 december 2000 economisch eigenaar van 49% van de aandelen in PMN de Driehoek geworden. WPM, althans een dochter-vennootschap, beheert als zogeheten centrum-manager winkelcentrum de Driehoek te Oldenzaal inclusief de parkeergarage ten behoeve van de eigenaar de Stichting Spoorwegpensioenfonds. In dat kader onderhoudt ze contacten met de exploitante van de parkeergarage, PMN de Driehoek.
Daar staat tegenover dat de koopovereenkomst medio 2001 ontbonden is en dat PMN sedertdien weer eigenaresse is van 100% van de aandelen in PMN de Driehoek. Door WPM is voorts onweersproken gesteld, zie randnummer 16 conclusie van antwoord, dat vanaf medio 2001 geen contact is geweest over de Driehoek tussen PMN en WPM, behoudens
toezending door PMN aan WPM van de bij dagvaarding overgelegde facturen. Er is nimmer gesproken over operationele zaken of financiële gegevens. WPM heeft geen invloed gehad op de gang van zaken binnen PMN de Driehoek of de exploitatie van de parkeergarage. Uit de rol die WPM had bij de exploitatie van deze parkeergarage blijkt naar het oordeel van het hof niet van samenwerking als bedoeld in rechtsoverweging 7.
10. Naar het oordeel van het hof kan evenmin worden aangenomen dat sprake is geweest van een samenwerking tussen PMN en WPM als omschreven aan het slot van rechtsoverweging 7 wanneer de in rechtsoverweging 9 besproken omstandigheden worden bezien in onderling verband en samenhang. Weliswaar hebben PMN en WPM de bedoeling gehad samenwerking tot stand te brengen, is in dat kader de koopovereenkomst aangegaan en hebben zij ook verplichtingen op zich genomen jegens in het bijzonder de Stichting Spoorwegpensioenfonds, maar dit voornemen is niet tot verdere uitvoering gekomen. De koopovereenkomst is medio 2001 ontbonden. WPM heeft zich in het kader van de huurovereenkomst alleen garant gesteld voor betalingen, maar heeft niet zelf als huurder verplichtingen op zich genomen. De uit de garantstelling voortvloeiende rechten komen aan een derde toe, de Stichting Spoorwegpensioenfonds. De (aanvankelijke) betrokkenheid van WPM heeft niet geresulteerd in daadwerkelijke samenwerking. Van enige concrete gemeenschappelijkheid in de daadwerkelijke exploitatie van de parkeergarage is geen sprake geweest. PMN stelt geen specifieke feiten waaruit volgt dat beide partijen eigen kennis en kunde inbrachten ten behoeve van een professionele en rendabele exploitatie van de parkeergarage. Dat WPM, althans een dochter-vennootschap, als beheerder overleg met PMN de Driehoek als exploitante voerde over onder meer parkeertarieven en het gebruik van de parkeergarage is onvoldoende om dit aan te nemen.
Het hof verwerpt de stelling van PMN dat uit de brief van 24 maart 2005, productie 1 bij de memorie van grieven, blijkt van door WPM ervaren verplichtingen inzake de samenwerking. Naar het oordeel van het hof getuigt de tekst van deze brief van (grote) zorgen over de mogelijkheid dat de Stichting Spoorwegpensioenfonds de door WPM in de huuroverenkomst gegeven garantie inroept en niet van angst gehouden te zijn bij te dragen in verliezen van PMN de Driehoek.
11. Dit brengt mee dat niet kan worden aangenomen dat tussen partijen ten aanzien van het project Oldenzaal samenwerking tot stand gekomen is. Mitsdien levert art. 16 van de Intentieverklaring geen grond op WPM gehouden te achten bij te dragen in 50% van de door PMN de Driehoek geleden verliezen.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van PMN. Er zijn geen concrete feiten gesteld die, indien bewezen, leiden tot een andere beslissing.
De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
PMN zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van WPM.
12. De voorwaarde waaronder het incidenteel appel is ingesteld, is niet vervuld. Hetgeen in voorwaardelijk incidenteel appel is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking.
Beslissing
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt PMN in de proceskosten van WPM in hoger beroep, tot op heden begroot op
€ 5.731,-- aan verschotten en op € 3.263,-- aan salaris voor de procureur (1 punt tarief VI);
verklaart dit arrest wat de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. Th.W.H.E. Schmitz, J.H.W. de Planque en M.C.M. van Dijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2008 in aanwezigheid van de griffier.