
Jurisprudentie
BF1412
Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09/900390-08
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09/900390-08
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verdachte heeft zich met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling. Hij heeft samen met drie andere jongens het slachtoffer fors in elkaar geslagen en geschopt, ook nadat het slachtoffer op de grond gevallen was. Hierbij werd niet opgelet waar ze hem raakten. Zij hebben daarbij het slachtoffer verwondingen toegebracht die evengoed veel ernstiger hadden kunnen zijn. Zie ook LJN: BF1409 (medeverdachte D.), BF1413 (medeverdachte P.), BF1414 (medeverdachte B.) en BF1642 (medeverdachte M.).
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE KAMER
(VERKORT VONNIS)
parketnummer 09/900390-08
's-Gravenhage, 19 september 2008
De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte A.],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
adres: [adres]
De terechtzitting.
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 september 2008.
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.
Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.
De officier van justitie mr. I.J.E.H.C. Degeling heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.260,99, subsidiair 41 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [O.].
De tenlastelegging.
Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.
Vrijspraak.
De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.
De officier van justitie heeft feit 1 gekwalificeerd als het medeplegen van een poging tot moord. De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde kwalificatie te zwaar is. Hoewel in beginsel een klap of schop tegen het hoofd van iemand onder omstandigheden tot deze kwalificatie kan leiden, wordt daarmee naar het oordeel van de rechtbank mogelijk in dit geval geen recht gedaan aan hetgeen is voorgevallen.
Niet duidelijk is geworden waar het slachtoffer is geschopt dan wel geslagen en met welke kracht.
De medische informatie wijst er in ieder geval niet op dat het slachtoffer tegen zijn hoofd is geschopt dan wel geslagen. Het gevecht heeft zeer kort geduurd en het slachtoffer heeft daarbij slechts geringe verwondingen opgelopen.
Reeds daarom dient eveneens vrijspraak te volgen voor de impliciet telastgelegde poging doodslag.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat ook niet gesteld kan worden dat er sprake is geweest van voorbedachten rade. Verdachte zat in de auto met medeverdachte [B.] en [P.] toen [B.] werd gebeld door [D.] die hem vertelde dat hij naar een bepaalde locatie moest komen. Op de vraag van [B.] aan [D.] waarom dit moest, werd niet gereageerd. [B.] noch verdachte wist wat er aan de hand was. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte dan ook geen voornemen om een misdrijf te plegen. Daarbij blijkt ook niet dat er voorafgaand aan de mishandeling kalm beraad en rustig overleg heeft plaatsgevonden.
De bewijsmiddelen.
De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.
De bewezenverklaring.
Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank wettig bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat verdachte het op de dagvaarding onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van hetgeen ten laste is gelegd. [D.] heeft verklaard dat hij op de parkeerplaats in gevecht raakte met [O.]. Vervolgens verklaart hij dat [B.] aan komt rennen. Volgens [D.] zou deze [B.] degene zijn die als eerste bij het gevecht aan komt. Indien dit juist is, betekent dit dat volgens het openbaar ministerie verdachte een van de personen moet zijn met de spijkerbroek en de donkere jas dan wel de persoon met de witte jas. [P.] stelt bij de politie dat hij op de bewuste dag een bruinachtige jas en een spijkerbroek droeg. Als dit zo is, dan betekent dit dat verdachte de persoon met de witte trui/jas moet zijn geweest. Noch door [P.] noch door verdachte wordt verklaard dat verdachte bovengenoemde kleding aan gehad zou hebben. Het is dus zeer de vraag of verdachte de manspersoon in het wit is geweest. Daarbij komt nog dat [D.] meerdere mensen heeft opgetrommeld. Het is bijvoorbeeld niet uit te sluiten dat één van de twee personen uit de blauwe Peugeot zich (eerder) met vechtpartij heeft bemoeid.
De rechtbank heeft hiertoe het volgende overwogen.
Uit de verschillende verklaringen in het dossier is gebleken dat verdachte op 27 mei 2008 bij [B.] en [P.] in de auto zat. Deze auto, een grijze Volkswagen Golf, is van de vader van [B.]. Op een gegeven moment werd [B.] gebeld door [D.] met de mededeling dat hij snel naar Schiedam moest komen. Hierop is [B.], met verdachte en [P.] naar [D.] toe gereden. Onderweg werd er weer door [D.] gebeld, die zei dat hij bij de Texaco langs de snelweg A13 stond.
Het slachtoffer [O.] heeft verklaard dat hij, bij het benzinestation aangekomen, een grijze Volkswagen Golf type 4 zag staan met daarin 3 personen. Aan deze personen vroeg hij of zij hem gebeld hadden. De chauffeur van de auto was van Turkse afkomst. Vast staat dat het de auto met de drie verdachten betrof.
[O.] heeft verder verklaard dat hij niet alleen door [D.] is geslagen en geschopt, maar ook door diverse andere personen. Hij zei nog tegen hen: “kunnen jullie wel, 4 tegen 1?”. Toen [O.] na het gevecht opstond, zag hij dat de 3 andere personen naar de Volkswagen Golf renden.
Er zijn voorts – ter zitting vertoonde- beeldopnamen waarop te zien is dat, wanneer [D.] en [O.] aan het vechten zijn, er ineens 3 andere mannen komen aanrennen. [D.] heeft verklaard dat hij, terwijl hij aan het vechten is, [B.] aan ziet komen rennen en daarachter twee jongens ziet. Hij herkent [B.] aan zijn postuur. Toen ze achter de auto stonden en [O.] op de grond lag, zag hij [..] ([B.]) en de andere twee jongens. [D.] verklaart voorts dat hij op de beeldopnamen ziet dat [B.] met een sprong op [O.] springt. Hij ziet dat [O.] meerdere klappen en trappen krijgt. [D.] ziet ook dat plotseling [B.] als eerste vanachter de BMW 3 serie weg loopt en daarna die twee andere jongens. Op de beeldopnamen is te zien dat, kort nadat de vechtpartij is afgelopen en de 3 mannen uit het beeld verdwenen zijn, een grijze Volkswagen Golf wegrijdt.
Verdachte heeft zelf verklaard dat hij wel ter plaatse was, maar dat hij met [P.] in de auto is blijven zitten. De rechtbank legt deze verklaring, gelet op de aangifte van [O.], de verklaring van [D.] bij de politie en de beeldopnamen, als onaannemelijk ter zijde.
De rechtbank is tevens van oordeel dat hetgeen de raadsman naar voren brengt omtrent de gedragen kleding niets af doet aan vorenstaande verklaringen.
De rechtbank heeft vastgesteld, dat de drie medeverdachten gezamenlijk toesnelden, op het slachtoffer insloegen en schopten en vervolgens gezamenlijk wegrenden. Voor de rechtbank staat gelet op de verklaring van [D.] vast dat een van de verdachte [B.] was.
Dat [D.] van deze verklaring ter zitting afstand nam doet daaraan niet af. Ook aan de vertoonde beeldopnames ontleent de rechtbank tenminste de zeer sterke indruk dat de drie daarop gezamenlijk optredende personen inderdaad deze drie verdachten betroffen.
Gelet op al het bovengenoemde is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.
Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.
Strafmotivering.
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling. Hij heeft samen met drie andere jongens het slachtoffer [O.] fors in elkaar geslagen en geschopt, ook nadat het slachtoffer op de grond gevallen was. Hierbij werd niet opgelet waar ze hem raakten. Zij hebben daarbij het slachtoffer verwondingen toegebracht die evengoed veel ernstiger hadden kunnen zijn. Naast de angst van het moment is niet uit te sluiten dat het slachtoffer hiervan ook psychisch nadelige gevolgen ondervindt. Naar de ervaring leert, plegen slachtoffers van dergelijke feiten daaronder nog geruime tijd te lijden. Bovendien dragen dergelijke feiten bij aan de in de maatschappij bestaande gevoelens van angst en onveiligheid. Het zijn ingrijpende feiten, hetgeen eveneens geldt voor de mensen die hier ongewild getuige van zijn geweest.
De rechtbank heeft kennis genomen van het voorlichtingsrapport van de reclassering d.d. 12 augustus 2008. Uit het rapport blijkt dat verdachte op het eerste gezicht een goed functionerende jongeman lijkt. Tijdens het gesprek is hij dominant als er naar het delict en zijn zienswijze wordt gevraagd, er is te zien dat hij een gesloten houding aanneemt en opvliegend reageert. Het gevoel bestaat dat hij niet het achterste van zijn tong laat zien en met name over het delict geen volledige openheid geeft. De vriendengroep van verdachte levert de meeste zorgen op, de vraag blijft in hoeverre vrienden hem negatief kunnen beïnvloeden. Verdachte is niet gemotiveerd om samen te werken met de reclassering of andere hulpverleningsinstanties. Hij is lichamelijk in een staat en werkstraf uit te voeren. Bij het opleggen van een eventuele onvoorwaardelijke vrijheidsstraf bestaat het risico dat verdachte zijn werk zal verliezen.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 juni 2008. Blijkens dit uittreksel is de verdachte niet eerder veroordeeld voor soortgelijke delicten.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat na te melden straf passend en geboden is.
De vordering van de benadeelde partij
[O.], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.260,99.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post vernielde kleding, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaak.
De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten reiskosten, ziektekosten en verlies aan arbeidsvermogen, van zo eenvoudige aard dat dit deel van de vordering zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit deel van de vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit.
Ter zake van de gevorderde immateriële schade, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, zal de rechtbank naar billijkheid en met inachtneming van de hoogte van de bedragen die in vergelijkbare gevallen in de jurisprudentie worden toegekend een bedrag van € 500,-- toewijzen.
De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.148,49.
Met bepaling dat indien en voor zover verdachtes mededaders [B]. [D.] en [P.] voormeld bedrag hebben betaald, veroordeelde van betaling zal zijn bevrijd.
De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, te rekenen vanaf 27 mei 2008 nu vast is komen te staan dat de schade op die dag is ontstaan.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering in zoverre niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel.
Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 subsidiair en 4 tweede cumulatief bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot €1.148,49, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 mei 2008 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [O.].
De toepasselijke wetsartikelen.
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 47, 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Beslissing.
De rechtbank,
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
medeplegen poging zware mishandeling
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt verdachte tot:
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 uren;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag, zodat 216 uren resteren;
beveelt, voor het geval dat veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 108 (honderdenacht) DAGEN;
in verzekering gesteld op: 13 juni 2008,
in voorlopige hechtenis gesteld op: 16 juni 2008,
in vrijheid gesteld op: 25 juni 2008,
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken;
bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen [O.], een bedrag van € 1.148,49, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 mei 2008 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat hij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1.148,49, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 mei 2008 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [O.];
bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 22 dagen.
bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Dit vonnis is gewezen door
Mrs. Quadekker, voorzitter,
Jacobs en Bastein, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Den Braber, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 september 2008.
Mr. Jacobs is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.