Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1402

Datum uitspraak2008-09-18
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13/845042-06 (promis)
Statusgepubliceerd


Indicatie

Witwassen van zwart geld. Artikel 69 AWR kan kwalificeren als gronddelict van witwassen.


Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/845042-06 (promis) Datum uitspraak: 18 september 2008 op tegenspraak VONNIS van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres]. De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2008. 1. Telastelegging De telastelegging is overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering ter terechtzitting gewijzigd, in dier voege dat aan verdachte is telastegelegd dat: hij, op een of meer tijdstippen in/of omstreeks de periode vanaf 1 april 2002 tot en met 6 december 2006, te Utrecht en/of Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) voorwerp(en) te weten (telkens) (een) geldbedrag(en) van € 64.000 en/of € 91.000 en/of € 95.000 (totaal € 250.000) en/of onroerend goed gelegen aan [adres 1] te Maastricht, heeft/hebben verworven , voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), of had moeten weten dan het bovenomschreven voorwerp-onmiddellijk of middelijk -afkomstig was uit enig misdrijf. Artikel 420bis lid 1 onder b Wetboek van Strafrecht Subsidiair: hij, op een of meer tijdstippen in/of omstreeks de periode vanaf 1 april 2002 tot en met 6 december 2006, te Utrecht en/of Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een voorwerp , te weten een geldbedrag van ongeveer 250.000,- euro en/of onroerend goed gelegen aan de [adres 1] te Maastricht, heeft/hebben verworven , voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet terwijl hij en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs had(den)moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp-onmiddellijk of middelijk -afkomstig was uit enig misdrijf; (artikel 420quater lid onder B Wetboek van Strafrecht) 2. Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3. Waardering van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair telastegelegde feit, te weten witwassen. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft betoogd, op gronden als weergegeven in zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota, dat verdachte vrijgesproken moet worden van alle telastegelegde feiten. De raadsman heeft hiertoe - samengevat - het volgende aangevoerd. Als ik het openbaar ministerie goed begrijp, dan stelt zij dat er zo overduidelijk is gerommeld in deze zaak dat het niet anders kan zijn dan dat er sprake is van witwassen. Het zijn allemaal vreemde toestanden, vol onduidelijkheden die niets dan vragen oproepen. Maar gerommel, vreemde toestanden, onduidelijkheden en vraagtekens zijn op zich onvoldoende om tot een veroordeling van verdachte wegens witwassen te komen. Verdachte is niet betrokken geweest bij al dat gerommel en die vreemde toestanden. Dat heeft zich allemaal buiten zijn gezichtsveld en buiten zijn invloedssfeer voltrokken. Verdachte heeft verklaard dat hij nog geld tegoed had van de eind 2002 overleden [persoon 1] uit het begin van de jaren ’90, toen hij de coffeeshop [naam coffeeshop] in Maastricht aan [persoon 1] heeft overgedragen en dat geld heeft hij in 2002 eindelijk teruggekregen. De raadsman verwijst daarbij naar de door hem ter terechtzitting overgelegde verklaring van [persoon 2] van 23 augustus 2007, neef van [persoon 1], waarin deze verklaart dat verdachte aan [persoon 1] een groot geldbedrag had geleend dat [persoon 1] in 2002 aan verdachte heeft terugbetaald. Voorts kan een legale herkomst van het geld niet worden uitgesloten nu het geld afkomstig is van een terugbetaalde lening. Er is geen enkel direct bewijs dat het geld van enig misdrijf afkomstig zou zijn. Verdachte heeft een concrete, verifieerbare en niet onwaarschijnlijke herkomst genoemd en het openbaar ministerie heeft daaromtrent geen nader onderzoek verricht. Niet kan worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft. De raadsman verwijst in dit verband naar de uitspraak van het Hof Den Haag in de Air Hollandzaak (12 maart 2008, LJN BC6515). Dat het onduidelijk is hoe [persoon 1] de betreffende gelden heeft verkregen, doet hier niet aan af. Hij had immers een gedoogde coffeeshop, zodat niet kan worden uitgegaan van een illegale herkomst. Mogelijk heeft hij niet alle opbrengsten van zijn coffeeshop aangegeven bij de Belastingdienst, maar dat is niet gebleken en kan ook niet leiden tot een veroordeling van verdachte nu artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet kan fungeren als een gronddelict van witwassen (zie Hof Amsterdam 11 juni 2008, LJN BE7125 en Rechtbank Breda 23 november 2007, LJN BB 8749). Bovendien is er geen sprake van het vereiste opzet dan wel de subsidiair telastegelegde grove schuld van verdachte, nu verdachte op geen enkele manier heeft kunnen weten of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het ging om van misdrijf afkomstig geld. Hij mocht er immers vanuit gaan, zoals hij ook heeft gedaan, dat [persoon 1] door de inkomsten uit de coffeeshop in staat was om zijn schuld na ruim tien jaar af te lossen, aldus de raadsman. 3.3 De redengevende feiten en omstandigheden en de beoordeling van de standpunten Uit het dossier blijkt dat in onderhavige zaak onderzoek is verricht door de Belastingdienst, Team Research Analyse Financiële en Fiscale Informatie (hierna: TRAFI) die vervolgens de zaak heeft overgedragen aan de FIOD die het onderzoek heeft voltooid. [ambtenaar 1], ambtenaar van de Belastingdienst, heeft onder meer verklaard dat een onderzoek heeft plaatsgevonden in het grootboek over het jaar 2002 van [naam bedrijf] Verzekeringen BV (hierna: [bedrijf 1]) en dat bij controle van de geldstroom een lening aan [verdachte] is geconstateerd van ongeveer € 250.000, waarvan het totaalbedrag in verschillende deelbedragen werd overgeboekt naar die [verdachte]. Tijdens voornoemd onderzoek zijn tevens contante stortingen op de bankrekening van [bedrijf 1] waargenomen waarmee geen uitgaande geldstroom in het kasboek in verband kan worden gebracht. Op basis van de boekingen in de administratie is vastgesteld dat dit geld nooit in kas geweest kan zijn. Deze boekingen zijn, aldus [ambtenaar 1], vastgesteld in een memo, bijlage D-30, met de titel [verdachte]: witwassen van gelden met datum 12 juli 2004 , die hij samen met collega [ambtenaar 2] heeft opgesteld. Blijkens de inhoud van genoemde memo is op de bankrekening ten name van [bedrijf 1] zesmaal een contant geldbedrag gestort, te weten € 64.000,= (op 26 april 2002), € 60.000,= (op 30 april 2002), € 13.000 en € 7.870,26 (op 3 mei 2002), € 93.250,= (op 4 mei 2002) en € 12.800,= (op 9 mei 2002). Voorts blijkt uit de inhoud van genoemde memo en uit de zich in het dossier bevindende rekeningafschriften ten name van [bedrijf 1] en verdachte , dat voornoemde rechtspersoon een drietal overboekingen heeft gedaan met de omschrijving “lening” naar een bankrekening bij de [naam bank], kantoor Utrecht, die op naam staat van verdachte, te weten € 64.000,= (ontvangen op 26 april 2002), € 91.000,= (ontvangen op 7 mei 2002) en € 95.000,= (ontvangen op 17 mei 2002). In het overzichtsproces-verbaal staat vermeld dat [bedrijf 1] dochter is van [naam bedrijf] Holding BV en dat de medeverdachte van verdachte, [medeverdachte], directeur van [naam bedrijf] Groep was. [medeverdachte] heeft zelf bij de politie verklaard dat hij de directeur van de Holding was . [naam bedrijf] Groep zou op 13 augustus 2002 failliet zijn verklaard. Hetzelfde geldt voor [bedrijf 1]. Voornoemde [ambtenaar 1] heeft tevens verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] ten aanzien van voornoemde geldbedragen in het grootboek van [bedrijf 1], op 1 december 2003 heeft verklaard - nadat hij was geconfronteerd met de kasstortingen die in dezelfde periode hebben plaatsgevonden als de aan verdachte ten titel van lening overgemaakte bedragen - dat de kasstortingen contante opbrengsten van de vennootschap waren, onder andere van Engelse klanten en dat het geld slechts korte tijd aan verdachte was uitgeleend, aangezien deze het bedrag van de lening reeds eind mei 2002 had teruggestort. [medeverdachte] heeft ook verklaard dat hij dacht een bedrag van fl. 12.500,= “aan de lening te hebben overgehouden”. Gelet op deze mededeling van [medeverdachte] zijn vervolgens de kasboekingen door de belastingdienst geanalyseerd. Uit deze analyse is gebleken dat, voor zover de kasstortingen hun oorsprong vinden in contante opbrengsten, deze niet in de grootboekadministratie van [bedrijf 1] zijn verantwoord. Door TRAFI is ook een onderzoek gedaan bij de curator van [bedrijf 1], waarbij een niet ondertekende akte van geldlening en akte van aflossing tussen [bedrijf 1] en verdachte is aangetroffen . In de financiële administratie is niets omtrent deze lening terug te vinden. Volgens de belastingdienst kan geconcludeerd worden dat de op de bank gestorte gelden niet afkomstig zijn uit de kas van [bedrijf 1]. Tevens kan geconcludeerd worden dat tegenover het teniet gaan (afboeken) van de lening geen aflossing in geld heeft gestaan. Deze omstandigheden leiden tot de conclusie dat de lening in feite niet heeft bestaan en dat [bedrijf 1] slechts heeft gefungeerd als doorgeefluik en contant geld giraal heeft gemaakt, aldus de belastingdienst. Blijkens eerdergenoemde verklaring van [ambtenaar 1] heeft [medeverdachte] op 1 december 2003 tevens verklaard omtrent de lening aan [verdachte], dat hij [verdachte] kende via een klant van hem, zekere [persoon 1], dat [persoon 1] in Utrecht in schoenen handelde en dat [verdachte] dat in Utrecht of Maastricht zou gaan doen. [medeverdachte] heeft vervolgens op 10 oktober 2006 tegenover de FIOD verklaard dat hij door tussenkomst van een zekere [persoon 3], woonachtig in [woonplaats], een lening heeft verstrekt aan [verdachte]. Tijdens dit verhoor heeft [medeverdachte] voorts verklaard zich de naam “[persoon 1]” niet te herinneren en dat het niet juist is dat hij [verdachte] via [persoon 1] zou kennen. Die lening aan [verdachte] is niet terugbetaald maar wel afgeboekt, omdat [verdachte] zou zijn overleden, aldus [medeverdachte]. De rechtbank merkt op dat er van moet worden uitgegaan dat de zwager van verdachte, [persoon 1], eind 2002 is overleden, gelet op de verklaring van verdachte hieromtrent en de overige dossierinhoud. [medeverdachte] heeft voorts verklaard dat het geld voor de lening aan [verdachte] deels door [bedrijf 1] is ontvangen van [naam bedrijf 2] B.V., een vennootschap toebehorend aan [persoon 4], in de vorm van een lening van € 100.000,= en dat de rest contante omzet van Schotse klanten is, waarvan de bedragen telkens contant zijn gestort op de rekening van [bedrijf 1]. Uit het onderzoek is voorts het volgende gebleken. Aan verdachte is op 31 mei 2002 een horecapand met daarboven studentenkamers gelegen aan [adres 1] te Maastricht geleverd . Verdachte heeft dit pand voor € 465.000,= gekocht. Verdachte heeft van zijn hiervoor bedoelde rekening bij [naam bank] twee dagen voor de overdracht van de vermelde onroerende zaak op 29 mei 2002 een bedrag van € 246.954,69 naar de rekening derdengelden ten name van [notariskantoor] overgeboekt . Volgens de afrekening van [notariskantoor] te Maastricht heeft verdachte € 494.797,68 betaald. Volgens diezelfde afrekening heeft hij deze aankoop voor het andere deel gefinancierd met een hypothecaire lening bij de [naam bank] ter hoogte van € 250.000,= waarvan hij minus afsluitprovisie € 247.500,= heeft ontvangen . De kredietnemer [verdachte] heeft, volgens [persoon 5] , [functie] bij de [naam bank], bij de kredietaanvraag gezegd dat hij de helft van de koopsom financierde met een erfenis van zijn grootouders uit Marokko en eigen spaargeld. Bij de FIOD en ter terechtzitting heeft verdachte ontkend aan voornoemde [persoon 5] te hebben gezegd dat het geld afkomstig was van een erfenis van zijn grootouders uit Marokko. Voorts heeft verdachte verklaard dat zijn zwager [persoon 1] bij de kredietaanvraag namens hem het woord heeft gevoerd, omdat hijzelf de Nederlandse taal niet machtig is. Bij de FIOD heeft verdachte omtrent de herkomst van het geld verklaard dat hij de koffieshop [naam coffeeshop], nadat hij deze twee jaren had geëxploiteerd, in 1990 heeft overgedragen aan [persoon 1] en dat hij bij die gelegenheid met hem heeft afgesproken dat hij, [persoon 1], hem, [verdachte], fl. 500.000,= zou geven. In 2002 zou [persoon 1] tegen verdachte hebben gezegd dat hij € 250.000,= zou overmaken op zijn bankrekening. Verdachte kan niet verklaren waarom de overboekingen afkomstig zijn van [bedrijf 1]. Verdachte heeft verklaard niet beter te hebben geweten dan dat het geld afkomstig was van [persoon 1]. Ter terechtzitting heeft verdachte - voor de eerste maal - verklaard dat hij geld bij vrienden in Marokko had geleend om dit vervolgens door te lenen aan [persoon 1] ten behoeve van de coffeeshop [naam coffeeshop]. Toen hij in 2002 het pand in Maastricht wilde kopen heeft hij [persoon 1] het geld teruggevraagd, zodat hij daarmee het pand voor de helft kon financieren. Verdachte heeft ontkend geld bij [bedrijf 1] te hebben geleend en heeft verklaard noch deze vennootschap noch zijn medeverdachte [medeverdachte] te kennen. Gelet op het voorgaande staat vast dat verdachte ongeveer de helft van de koopsom van het pand per bank heeft ontvangen van [bedrijf 1]. In dit verband vereenzelvigt de rechtbank [medeverdachte] en [bedrijf 1], gezien het feit dat niet is gebleken dat iemand anders dan [medeverdachte] rechtstreeks of middellijk de zeggenschap had over [bedrijf 1] en de bankrekening(en) van die vennootschap. De rechtbank acht de door verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] afgelegde verklaringen over de strekking van deze betalingen niet geloofwaardig, mede gezien de wisselende verklaringen die zij ieder voor zich hebben afgelegd omtrent enerzijds de herkomst van de gelden (zowel verdachte als [medeverdachte]) en anderzijds het al dan niet terugbetaald zijn van de lening van [bedrijf 1] aan verdachte ([medeverdachte]). Bovendien sluiten de door verdachte afgelegde verklaringen en die van [medeverdachte] niet op elkaar aan. [medeverdachte] heeft ook verklaard verdachte op een hem getoonde foto van verdachte niet te herkennen als de persoon [verdachte] aan wie hij door tussenkomst van [persoon 3] een lening heeft verstrekt. In combinatie met het gegeven dat [persoon 1] eind 2002 bij een verkeersongeval is omgekomen en [medeverdachte] heeft verklaard te hebben gehoord dat de persoon [verdachte], aan wie hij de lening had verstrekt, was overleden, kan niet uitgesloten worden geacht dat de gelden die [medeverdachte] heeft overgemaakt op de bankrekening van verdachte, materieel gezien bestemd waren voor [persoon 1] en dat [persoon 1] verdachte heeft tussengeschoven om het pand aan de [adres 1] op zijn naam te zetten. Een aanwijzing in die richting is de verklaring van de getuige [persoon 5], inhoudende dat hij vervolggesprekken heeft gevoerd met [persoon 1] . De rechtbank acht dit het meest waarschijnlijke scenario (zie hierna). Voor de beoordeling of verdachte zich met de investering in het [adres 1] te Maastricht aan witwassen heeft schuldig gemaakt maakt het evenwel geen verschil of verdachte mogelijk handelde voor zichzelf of als “katvanger” voor zijn zwager. Artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als gronddelict van witwassen Nu het onderzoek niet heeft opgeleverd dat [bedrijf 1] inderdaad Schotse klanten had voor wie verzekeringen zijn afgesloten en van wie premiebetalingen zijn ontvangen, ligt het zozeer voor de hand dat de door [bedrijf 1] aan verdachte overgemaakte gelden rechtstreeks, of via een omweg, tevoren door [bedrijf 1] van [persoon 1] waren ontvangen en gelden betroffen die op zichzelf legaal waren verkregen als inkomsten uit de koffieshop [naam coffeeshop] te Maastricht, die niet zijn betrokken in enige belastingsaangifte, dat de rechtbank er van uit gaat dat het hier gaat om het witwassen van “zwarte” inkomsten uit die koffieshop. De rechtbank overweegt over de vraag of belastingontduiking als gronddelict van witwassen kan gelden als volgt. Voornoemde uitgangspunten komen er op neer dat “zwarte” inkomsten van koffieshop [naam coffeeshop] via een contante geldstroom op de bankrekening van [bedrijf 1] zijn gestort en vervolgens zijn overgeboekt op de rekening van verdachte en dat de exploitant van koffieshop [naam coffeeshop] aldus een zeker bedrag aan belasting heeft ontdoken. De rechtbank ziet zich aldus allereerst gesteld voor de vraag of door belastingontduiking uitgespaarde belasting een voorwerp afkomstig uit enig misdrijf kan zijn, met andere woorden of art. 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna:AWR) gronddelict kan zijn van de witwasdelicten van art. 420bis e.v. van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr). In rechtspraak en literatuur is die vraag op verschillende wijzen beantwoord. In uitspraken van diverse rechtbanken luidt het antwoord bevestigend, terwijl het gerechtshof Den Bosch in na te noemen zaak en het gerechtshof Amsterdam, onder andere in zijn arrest van 11 juni 2008, tot een ontkennend antwoord komen; het hof Amsterdam hoofdzakelijk op grond van de overweging dat de wetsgeschiedenis van art. 420bis WvSr op dit punt op zijn minst genomen onduidelijk dan wel voor meerdere uitleg vatbaar is. Een andere zeer recente kenbron voor het antwoord op deze rechtsvraag is de conclusie van A.G. bij de Hoge Raad mr. Fokkens d.d. 27 mei 2008, nr. 03511/06 inzake in het cassatieberoep van de advocaat-generaal bij het gerechtshof te Den Bosch in de strafzaak tegen L.M. J. In zijn arrest van 29 november 2006 oordeelde dit hof dat ‘zwart geld’, verkregen door legale activiteiten vanwege het fiscaal niet verantwoorden van deze inkomsten niet ‘uit enig misdrijf afkomstig” is in de zin van art. 420bis e.v. WvSr. Hoewel de rechtbank zich zou kunnen conformeren aan de beslissingen en motiveringen van de hoven in Den Bosch en Amsterdam, gaat van de conclusie van de A.G. voldoende overtuigingskracht uit om niet op voorhand te kunnen uitsluiten dat de Hoge Raad het arrest van het hof Den Bosch zal vernietigen op grond van de door Fokkens aangedragen argumenten. In die omstandigheid voelt de rechtbank zich vrij die argumenten in de onderhavige zaak de doorslag te laten geven. Op grond van de Europese Richtlijn tot wijziging van de Richtlijn witwassen (91/308/EEG), de eerste aanbeveling van de Financial Action Task Force on Money Laundering (FATF) en de MvT bij het voorstel dat leidde tot de invoeging van artikelen 420bis en 420quater WvSr waarin naar de aanbevelingen van de FATF wordt verwezen, kunnen feiten waarop onder de belastingwetgeving een maximale gevangenisstraf van meer dan één jaar staat, zoals het geval is bij artikel 69 AWR, als gronddelict van witwassen gelden. Bovendien kan ‘zwart geld’ in de zin van ten onrechte niet betaalde belasting over inkomsten verdiend met legale activiteiten worden aangemerkt als een voorwerp afkomstig uit enig misdrijf als bedoeld in laatstbedoelde wetsartikelen. Ook volgens de wetgeving van een aantal van de ons omringende landen kan het verzwijgen van inkomsten voor de belastingen gronddelict van witwassen van het door die verzwijging op de verschuldigde belasting bespaarde bedrag vormen. Hoewel terughoudendheid is geboden bij het extensief interpreteren van de strafwet, brengen een redelijke en maatschappelijk wenselijke wetstoepassing mee dat ook een door belastingontduiking op belastingbetaling bespaard bedrag voorwerp van witwassen kan zijn. Nu onderliggende belastinggegevens ontbreken, kan de rechtbank niet inschatten tot welk bedrag als gevolg van het niet opgeven van de zwarte inkomsten belasting is ontdoken, en mitsdien evenmin welk deel van het “zwarte” totaalbedrag uit misdrijf afkomstig is. De rechtbank komt dan ook niet tot bewezenverklaring van de telastegelegde bedragen, maar houdt het op ‘een geldbedrag’. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank ten slotte als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] wisten dat de gelden die zij voorhanden hadden en hebben overgedragen van een misdrijf afkomstig waren. De rechtbank is bovendien van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachte het geldbedrag samen met eerdergenoemde [persoon 1] voorhanden hebben gehad, nu de rechtbank aanneemt dat het criminele geld afkomstig was van voornoemde [persoon 1] als exploitant van de koffieshop en [persoon 1] de centrale figuur was ten behoeve van wie werd witgewassen. Weliswaar beweert verdachte ook gedurende twee jaar exploitant van [naam coffeeshop] te zijn geweest en was dit op papier mogelijk juist, veeleer moet echter worden aangenomen dat hij dat was als zetbaas voor zijn zwager [persoon 1], die weliswaar een stuk jonger was dan verdachte maar met zijn Nederlandse achtergrond en kennis van de Nederlandse taal, die verdachte niet machtig is, daarvoor de meest gerede van beide was. Ten aanzien van de onroerende zaak [adres 1] te Maastricht, is de rechtbank van oordeel dat verdachte deze samen met de hiervoor genoemde [persoon 1] heeft verworven, nu het pand aan verdachte is overgedragen en deels is gefinancierd met de van [bedrijf 1] ontvangen bedragen. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: in de periode vanaf 1 april 2002 tot en met 6 december 2006 te Utrecht en Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen meermalen een voorwerp, te weten een geldbedrag voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en een voorwerp, te weten een onroerend goed gelegen aan de [adres 1] te Maastricht, heeft verworven, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf. Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. 4. Het bewijs De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hiervoor onder 3.3 in samenvattende vorm weergegeven feiten en omstandigheden, zoals vervat in de als voetnoten genoemde gebezigde bewijsmiddelen. 5. De strafbaarheid van het feit Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6. De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7. Motivering van de straf De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem onder het primair bewezengeachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 10.000,=, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 80 dagen. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van na te noemen straf in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich met zijn handelen schuldig gemaakt aan een ernstig en hinderlijk misdrijf, te weten witwassen. Tezamen met een ander of anderen heeft verdachte een geldbedrag en een onroerend goed onder zich gehad, terwijl hij wist dat voornoemde voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf. Witwassen is een ernstig delict, omdat het de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast en daarmee de legale economie bedreigt. Opbrengsten van misdrijven worden hierdoor bovendien aan het zicht van justitie onttrokken waardoor witwassen ook het plegen van misdrijven begunstigt. Anderzijds neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 juli 2008 niet eerder is veroordeeld. Alles overziende is de rechtbank - met de officier van justitie - van oordeel dat het opleggen van een geldboete, gelet op de aard van het delict, passend en geboden is, ook al staat niet vast dat het verdachte is geweest die financieel voordeel uit zijn handelwijze heeft behaald. 8. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24c, 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 9. Beslissing Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is aangegeven. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op: ten aanzien van het primair bewezenverklaarde: Medeplegen van witwassen. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 10.000,= (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 80 (tachtig) dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter, mrs. W.M. van den Bergh en C. Kraak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Moese, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 september 2008. De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.