Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1395

Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 08/64
Statusgepubliceerd


Indicatie

Loonsanctie vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever. In het licht van de ernstige beperkingen, kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval nog slechts van een theoretische inzetbaarheid van werkneemster worden gesproken, doch niet van reële arbeidsmogelijkheden, zodat het verrichten van re-integratie-inspanningen in elk geval retrospectief bezien ten tijde van het nemen van het bestreden besluit zinledig moest worden geacht. Hieruit volgt dat verweerder reeds daarom geen loonsanctie mocht opleggen en dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. Beroep gegrond, zelf in de zaak voorzien, herroepen primair besluit.


Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht registratienummer: AWB 08/64 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 16 september 2008 inzake Stichting Karakter Kinder- en Jeugdpsychiatrie, eiseres, gevestigd te Ede, vertegenwoordigd door mr. A.M. Breedveld, tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 26 november 2007, uitgereikt door UWV te Arnhem. 2. Procesverloop Bij besluit van 25 juni 2007 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat het tijdvak waarin de werkneemster van eiseres, [werkneemster] (hierna: de werkneemster), recht heeft op loon tijdens ziekte in aansluiting op de normale periode van 104 weken met 52 weken wordt verlengd. Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de door eiseres daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 16 juli 2008. Eiseres is verschenen bij gemachtigde mr. A.M. Breedveld, advocaat te Nijmegen. Tevens zijn verschenen [A] en [B], werkzaam bij eiseres. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder, werkzaam bij het UWV, kantoor Arnhem. 3. Overwegingen Artikel 25 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ziet op de re-integratieverplichtingen van de werkgever. In het negende lid van dit artikel is, kort samengevat, bepaald dat het UWV het tijdvak waarover de werkgever het loon van de werknemer moet doorbetalen gedurende ten hoogste 52 weken verlengt, indien de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van artikel 25 eerste tot en met vijfde lid dan wel de in het zevende lid bedoelde regels niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Krachtens het zestiende lid van artikel 25 van de Wet WIA zijn bij ministeriele regeling nadere regels vastgesteld, te weten in de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar (hierna: de Regeling). Artikel 65 van de Wet WIA bepaalt, kort gezegd, dat het UWV beoordeelt of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. De uitgangspunten voor de beoordeling door verweerder van de re-integratie-inspanningen die van de werknemer en werkgever worden verwacht zijn neergelegd in het "Kader voor inzet en beoordeling van re-integratie-inspanningen", behorende bij de "Beleidsregels beoordelingskader poortwachter", vastgesteld bij besluit van verweerder van 3 december 2002, Stcrt. 2002/236, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006/224 (verder: de Beleidsregels). Volgens de Beleidsregels wordt allereerst beoordeeld of een bevredigend resultaat is bereikt. Hiervan is onder meer sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) structurele werkhervatting die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden, of als de werknemer tegen het einde van de verplichte loondoorbetalingsperiode is ingeschakeld in arbeid waarvan de loonwaarde tenminste 65% bedraagt van het loon dat hij verdiende voor het intreden van de ziekte. Als er volgens het UWV geen bevredigend resultaat is bereikt, beoordeelt het UWV de re-integratie-inspanningen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in het onderhavige geval geen bevredigend resultaat is bereikt in vorenbedoelde zin. Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of verweerder zich op goede gronden en in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende. Uit de Beleidsregels blijkt dat de medische beoordeling door de bedrijfsarts het startpunt is in het kader van de verzuimbegeleiding. In de Beleidsregels is voorts aangegeven dat wanneer de werknemer nog arbeidsmogelijkheden heeft, ook al is de omvang beperkt, de in wet- en regelgeving neergelegde re-integratieverplichtingen gelden. Er zijn dan immers mogelijkheden voor re-integratie. Dat een juiste vaststelling van de arbeidsmogelijkheden ook anderszins relevant is blijkt uit de passage in de Beleidsregels, inhoudende dat van werkgever en werknemer geen re-integratie-inspanningen meer worden verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever. Naar het oordeel van de rechtbank is het kernpunt in dit geschil de vraag of, kort gezegd, werkneemster, gelet op haar ziekte, over mogelijkheden beschikt om in arbeid te functioneren. Is dat niet het geval, dan zijn er geen re-integratiemogelijkheden en mocht er dus geen loonsanctie worden opgelegd. Uit de stukken blijkt dat met betrekking tot de werkneemster reeds bij aanvang van haar uitval wegens ziekte zeer forse beperkingen zijn aangenomen, die ook door verweerder, blijkens de aan zijn besluit ten grondslag liggende rapporten van de (bezwaar-) arbeidsdeskundigen, alsmede door de geraadpleegde verzekeringsgeneeskundige, worden erkend en waarbij de arbeidsmogelijkheden als zeer minimaal zijn omschreven. Voorts komt uit de stukken naar voren dat het lange tijd niet mogelijk was om een diagnose te stellen en dat lange tijd onduidelijk was of werkneemster wel belastbaar was. Uit de laatstelijk in januari 2007 door de bedrijfsarts opgestelde FML, opgenomen in het rapport van de Arbo Unie van 28 februari 2007, blijkt dat eind 2006 de "officiële diagnose ME" is gesteld en dat de werkneemster weliswaar over “duurzaam benutbare mogelijkheden” beschikt, maar dat sprake is van een groot aantal ernstige beperkingen, zodanig dat zij slechts in staat wordt geacht tot het verrichten van arbeid gedurende gemiddeld minder dan één uur per dag en minder dan 5 uur per week. In het licht van het vorenstaande, met name de ernstige beperkingen, kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval nog slechts van een theoretische inzetbaarheid worden gesproken, doch niet van reële arbeidsmogelijkheden, zodat het verrichten van re-integratie-inspanningen in elk geval retrospectief bezien ten tijde van het nemen van het bestreden besluit zinledig moest worden geacht. Hieruit volgt dat verweerder reeds daarom geen loonsanctie mocht opleggen en dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 25 juni 2007 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Verweerder behoeft derhalve geen nieuw besluit te nemen. De rechtbank acht voorts termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 664,70, waarvan € 644 aan kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 20,70 aan reis- en verblijfkosten, gemaakt door de bij eiseres werkzame personen [A] (€ 12,95) en [B] (€ 7,75), op basis van het tarief openbaar vervoer. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing. 4. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; herroept het besluit van 25 juni 2007; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 664,70 en wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; bepaalt dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 285 aan haar vergoedt. Aldus gegeven door mr. M. Groverman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2008. De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Verzonden op: 16 september 2008