Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1392

Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersZWB 08/175
Statusgepubliceerd


Indicatie

Strijd met artikel 4:84 van de Awb. Uitgaande van de feiten had verweerder, gezien zijn “Beleidsregels weigering ziekengeld bij bestaande of te verwachten ongeschiktheid”, niet kunnen beslissen tot weigering van de ZW-uitkering.


Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht registratienummer: AWB 08/175 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 16 september 2008 inzake [eiser], eiser, wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. R.A. Wolleswinkel, tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 4 december 2007. 2. Procesverloop Bij besluit van 31 oktober 2007 heeft verweerder geweigerd om eiser met ingang van 6 februari 2007 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 31 oktober 2007 gehandhaafd. Tegen het in rubriek 1 aangeduide besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 23 juli 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Kos, kantoorgenoot van mr. Wolleswinkel, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.T.J. van de Pavert. 3. Overwegingen Eiser is met ingang van 15 januari 2007 bij Stichting Innovatief in Welzijn (hierna: de werkgever) in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker. Op 6 februari 2007 is eiser met lichamelijke klachten als gevolg van (chronische) psoriasis uitgevallen voor het verrichten van zijn werkzaamheden. De arbeidsovereenkomst was voor de duur van een half jaar aangegaan en is van rechtswege geëindigd op 15 juli 2007. Verweerder heeft geweigerd aan eiser met ingang van 6 februari 2007 een ZW-uitkering toe te kennen omdat eiser volgens verweerder al ziek was op het moment waarop zijn verzekering voor de ZW begon dan wel dat de kans groot was dat eiser binnen een half jaar ziek zou worden. Verweerder heeft aan het bestreden besluit de rapportage van verzekeringsarts M. van Turnhout van 16 oktober 2007 en de rapportage van bezwaarverzekeringsarts F.G. Slebus van 4/11 december 2007 ten grondslag gelegd. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Artikel 44, eerste lid, van de ZW luidt als volgt: “Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd de uitkering van ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend te weigeren, indien de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, anders dan wegens zwangerschap of bevalling: a. bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam; b. binnen een half jaar na het tijdstip waarop de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van zijn verzekering het intreden van de ongeschiktheid tot werken binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten.” Het is vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat bij artikel 44 van de ZW als uitgangspunt geldt de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid en niet het overeengekomen werk. Uit voormelde rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, alsmede ter zitting is de rechtbank gebleken dat de functie van algemeen medewerker bij de werkgever ziet op laswerkzaamheden en het verrichten van werkzaamheden in het magazijn. Blijkens de medische rapportage van arts C. Rossou en arbeidsdeskundige S. Boekema van 24/29 november 2006 is vanwege de huidproblematiek van eiser fysiek belastend werk af te raden. Omdat de laswerkzaamheden als fysiek belastend kunnen worden gezien, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de arbeidsongeschiktheid van eiser voor de feitelijke werkzaamheden al bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam. Verweerder is derhalve bevoegd tot weigering van de ZW-uitkering. Bij de gebruikmaking van voormelde bevoegdheid komt verweerder beleidsvrijheid toe. Ter invulling van die beleidsvrijheid, heeft verweerder de “Beleidsregels weigering ziekengeld bij bestaande of te verwachten ongeschiktheid” (hierna: de Beleidsregels) vastgesteld. Artikel 2, tweede lid, van de Beleidsregels luidt als volgt: “Ten aanzien van de verzekerde die korter dan drie maanden normaal arbeid heeft verricht, wordt de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts uitgeoefend indien hij bij de aanvang van de verzekering heeft moeten weten dat hij ongeschikt was voor de arbeid die hij zou gaan verrichten, of indien hij wegens zijn gezondheidstoestand bij de aanvang van de verzekering kennelijk heeft moeten verwachten dat hij binnen drie maanden voor die arbeid ongeschikt zou worden.” Er is geen grond voor het oordeel dat dit beleid in zoverre rechtens niet aanvaardbaar kan worden geacht. Blijkens voormelde rapportage van de bezwaarverzekeringsarts is eiser vanuit de bijstand met een re-integratietraject gestart. Voorts blijkt uit deze rapportage dat eiser licht, schoon werk zou krijgen. Vast staat derhalve dat eiser bij het aanvaarden van de baan niet op de hoogte was van de feitelijke werkzaamheden die hij moest gaan verrichten. Eenmaal op zijn werk aangekomen moest eiser fysiek zware en vieze werkzaamheden verrichten die eiser als gevolg van zijn huidproblematiek heeft moeten staken. Mede in aanmerking genomen de persoon van eiser is bij genoemde feiten geen grond voor het oordeel dat eiser bij de aanvang van de verzekering had moeten weten dat hij ongeschikt was voor de arbeid die hij zou gaan verrichten, noch voor het oordeel dat eiser kennelijk heeft moeten verwachten dat hij binnen drie maanden voor die feitelijke arbeid ongeschikt zou worden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder niet overeenkomstig zijn Beleidsregels heeft gehandeld. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met artikel 4:84 van de Awb nu voor afwijking van de beleidsregel geen grond bestaat. Uit het voorstaande volgt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Uit het voorstaande volgt tevens dat, uitgaande van voormelde feiten, rechtens niet anders kan worden beslist dan tot toekenning van de aangevraagde ziekengelduitkering per 6 februari 2007. Verweerder dient daartoe over te gaan bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar. De kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Eiser heeft niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten verzocht, zodat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb. De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiser met een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank. Voorts komen, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in samenhang met het Besluit tarieven in strafzaken, voor vergoeding in aanmerking de reiskosten van eiser op basis van het openbaar vervoer, te weten € 11,48. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing. 4. Beslissing De rechtbank I verklaart het beroep gegrond; II vernietigt het bestreden besluit; III bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar neemt; IV veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 655,48 en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; V bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd; VI bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 aan hem vergoedt. Aldus gegeven door mr. M. Groverman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Modderman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2008. De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Verzonden op: 16 september 2008