
Jurisprudentie
BF1389
Datum uitspraak2008-09-18
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers16/600500-08
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers16/600500-08
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verdachte wordt veroordeeld wegens vernieling van het clubhuis van motorclub Confederates in Rhenen met een bulldozer. Verdachte verjoeg twee agenten met de bulldozer van het terrein bij het clubhuis. Dit merkt de rechtbank aan als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan zes voorwaardelijk.
Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
Parketnummers: 16/600500-08
Datum uitspraak: 18 september 2008
Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak
gewezen in de zaken tegen:
[verdachte],
geboren op [1954] te [geboorteplaats],
wonende te [adres]
thans gedetineerd in de PI Utrecht – HvB locatie Nieuwegein, Nieuwegein.
Raadsman: mr. A.H.J.G. van Voorthuizen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2008.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
Primair
hij op of omstreeks 27 april 2008 te Rhenen, althans in het arrondissement
Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk [hoofdagent], hoofdagent bij de politie Utrecht van het leven te
beroven, met dat opzet met een sloopvoertuig/bulldozer met daaraan een
grijparm op die [hoofdagent] is ingereden en/of op de ingang van een clubhuis is
ingereden - waar die [hoofdagent] een meter of drie van afstond - waardoor stukken
puin, balken en dergelijke in de richting van die [hoofdagent] vielen, zijnde de
uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
Subsidiair
hij op of omstreeks 27 april 2008 te Rhenen, althans in het arrondissement
Utrecht, [hoofdagent], hoofdagent bij de politie Utrecht heeft bedreigd met
enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers
is/ heeft verdachte opzettelijk dreigend met een sloopvoertuig/bulldozer met
daaraan een grijparm op de [hoofdagent] ingereden en/of op de ingang van een
clubhuis ingereden - waar die [hoofdagent] een meter of drie van afstond - waardoor
stukken puin, balken en dergelijke in de richting van de [hoofdagent] vielen;
2.
Primair
hij op of omstreeks 27 april 2008 te Rhenen, althans in het arrondissement
Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk [agent A], agent bij de politie Utrecht en/of
[aangever C] en/of [Betrokkene A] van het leven te beroven, met dat opzet
een grijparm van een sloopvoertuig/bulldozer met draaiende motor - waar die
[agent A], [aangever C] en [Betrokkene A], zich op 10 meter afstand van zich
bevonden - met een behoorlijke vaart naar de grond heeft laten vallen, zijnde
de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
Subsidiair
hij op of omstreeks 27 april 2008 te Rhenen, althans in het arrondissement
Utrecht, [agent A], agent bij de politie Utrecht en/of [aangever C]
en/of [Betrokkene A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,
althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend
een grijparm van een sloopvoertuig/bulldozer met een behoorlijke vaart naar de
grond laten vallen, waar die [agent A], [aangever C] en [Betrokkene A], zich op 10
meter afstand van bevonden;
3.
hij op of omstreeks 27 april 2008 te Rhenen opzettelijk en wederrechtelijk
een clubhuis, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan C.
[aangever A] en/of de inboedel van dat clubhuis, toebehorende aan de
Confederates en/of een motor, toebehorende aan [aangever C], in elk
geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en
/ of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en
wederrechtelijkmet een sloopvoertuig/bulldozer met grijparm diverse malen op
dat clubhuis in te rijden en/of (een groot deel van) dat clubhuis tegen de
vlakte te werken, waardoor tevens genoemde motor werd bedolven onder het puin.
Op vordering van de officier van justitie is wijziging van de onder 2 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten ter terechtzitting van 4 september 2008 toegestaan.
Van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging is een kopie als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.
Vrijspraak
Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 2 primair is ten laste gelegd.
De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken, nu de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel is dat het opzet op de dood van de slachtoffers niet bewezen verklaard kan worden.
Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 subsidiair is ten laste gelegd voor zover het betreft [aangever C] en [Betrokkene A].
Met name acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat die [aangever C] en [Betrokkene A] zich op korte afstand bevonden van de grijparm welke de verdachte naar de grond liet vallen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als hieronder is vermeld:
1
Subsidiair
hij op 27 april 2008 te Rhenen, [hoofdagent], hoofdagent bij de politie Utrecht heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een sloopvoertuig/bulldozer met daaraan een grijparm op die [hoofdagent] ingereden.
2
Subsidiair
hij op 27 april 2008 te Rhenen, [agent A], agent bij de politie Utrecht heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een grijparm van een sloopvoertuig/bulldozer met een behoorlijke vaart naar de grond laten vallen, waar die [agent A] zich op korte afstand bevond.
3.
hij op 27 april 2008 te Rhenen opzettelijk en wederrechtelijk een clubhuis, toebehorende aan [aangever A] en de inboedel van dat clubhuis, toebehorende aan de MC South Central en een motor, toebehorende aan [aangever C], heeft vernield en door toen aldaar
opzettelijk en wederrechtelijk met een bulldozer met grijparm diverse malen op dat clubhuis in te rijden en (een groot deel van) dat clubhuis tegen de vlakte te werken, waardoor tevens genoemde motor werd bedolven onder het puin.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Hetgeen onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de navolgende bewijsoverwegingen, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van de in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, genummerd PL0950/08-006719, PL0960/08-006719A, PL0960/08-006719B en PL0960/08-006719C.
Overweging ten aanzien van het bewijs:
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 27 april 2008 te Rhenen zich schuldig heeft gemaakt aan de vernieling van het in de tenlastelegging onder 3 bedoelde clubhuis, de inboedel van dat clubhuis en een motor. De rechtbank komt tot voormelde bewezenverklaring -onder meer- op grond van de aangiftes van [aangever A], [aangever B] en [aangever C], op grond van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [agent C] die op beelden van een bewakingscamera waarneemt dat het de verdachte is geweest die de ‘sloopmachine’ heeft bediend en op grond van de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [hoofdagent], [agent A] en [agent B] die verdachtes verrichtingen ‘live’ hebben waargenomen. Deze bewijsmiddelen dragen tevens bij tot het bewijs van de feiten 1 en 2, telkens subsidiair.
Uit de laatstgenoemde bewijsmiddelen, de processen-verbaal van [hoofdagent], [agent A] en [agent B], kan tevens worden opgemaakt dat de betreffende verbalisanten zich vlakbij de sloopwerkzaamheden ophielden en dat met name [hoofdagent] en [agent B] het terrein van het clubhuis hebben betreden ten einde te trachten de verdachte met woord en gebaar te overreden zijn vernielingen te staken. Zulks overigens tevergeefs. De verdachte trok zich niets aan van de verbalisanten en heeft hen met gebruikmaking van zijn sloopvoertuig van het terrein verjaagd. Dit ‘verjagen’ moet naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht worden aangemerkt. Het verwoestend vermogen van het meergenoemde sloopvoertuig, i.c. een rupsvoertuig met een grijparm voorzien van een kniptang, was voor de verbalisanten manifest – zij namen waar hoe het clubgebouw hiermee met de grond gelijk werd gemaakt. Van een dergelijk instrument in handen van een persoon die kennelijk niet voor rede vatbaar is gaat zonder meer een grote dreiging uit.
Dat de verdachte zijn sloopvoertuig ook bewust heeft ingezet ten einde [agent A] (en haar collega’s) te bedreigen volgt uit haar waarneming dat de verdachte de grijparm in haar nabijheid laat neerkomen en wel op een plek waar niets te slopen viel (p. 32).
De bedreiging van [hoofdagent], zoals ten laste gelegd en bewezen verklaard, bestaat erin dat de verdachte met zijn sloopvoertuig op die [hoofdagent] is ingereden. Het bewijs berust (mede) op de waarneming van [hoofdagent] van het feit dat de verdachte met de machine over zijn rupsbanden verder in zijn -[hoofdagent]s- richting rijdt, juist nadat [hoofdagent] moest wegspringen voor vallend puin veroorzaakt door het neerlaten van de grijparm op het clubgebouw door de verdachte vlakbij [hoofdagent] (p. 22).
Voor het feit dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de verbalisanten, die in uniform waren gekleed, bieden de bevindingen van [hoofdagent] en [agent B] steun. Beiden beschrijven hoe zij voorafgaand aan de bedreigingen met de verdachte oogcontact hebben gehad en middels gebaren met hem hebben gecommuniceerd.
De strafbaarheid de feiten
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde, telkens:
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:
Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd.
De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering van de op te leggen sanctie
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.
Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige bedreigingen van politiemensen in functie. Die politiemensen hebben voor hun leven gevreesd. Hun functie bestond er op dat moment in dat zij trachtten de verdachte van verdere vernieling van goederen van derden te weerhouden. Door die bedreigingen zijn zij daarin niet geslaagd. De verdachte heeft het clubgebouw met de daarin aanwezige goederen op grove wijze vernield. Als reden voor die vernielingen heeft de verdachte gewezen op de door hem ervaren overlast van de gebruikers van het clubhuis. Dit argument kan verdachtes optreden echter op geen enkele wijze rechtvaardigen.
Met het begaan van de bewezenverklaarde feiten heeft de verdachte bij veel mensen gevoelens van angst, onveiligheid, verdriet en boosheid teweeggebracht. Voorts moeten zowel de vernielingen als het beletten van ingrijpen door de politie als volstrekt onwenselijke en onaanvaardbare vormen van eigenrichting worden aangemerkt.
Verdachte heeft bij de politie (pagina 57) en ter zitting verklaard dat hij het zich allemaal niet meer kan herinneren. Ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat dit kwam door zijn alcoholgebruik, wat hij ter zitting weer heeft ontkend.
De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en dat hij zich verschuilt achter een black-out. De rechtbank hecht weinig geloof aan een black-out, gezien de gecoördineerde bewegingen van verdachte met de grijparm richting de agenten. [Getuige A] heeft bij de rechter-commissaris bovendien verklaard dat verdachte in de kraan heel goed in de gaten had wat er aan de hand was. Hij zei: “Ik zal wel mee moeten, denk ik, wat moet ik doen?”
Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie
d.d. 11 juli 2008, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld onder meer wegens soortgelijke delicten;
- een omtrent verdachte opgemaakt pro justitia rapport d.d. 26 juni 2008 van R.J.H. Winter, psychiater, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten - indien bewezen - lijdende was aan een depressieve stoornis, zodat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.
De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 primair en 2 primair wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde het door Winter geadviseerde verplicht reclasseringscontact, ook als dit inhoudt een (poliklinische) behandeling bij de forensische polikliniek (De Waag/ het Dok).
De rechtbank acht, alles afwegende, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel is dat terzake het onder 2 subsidiair ten laste gelegde alleen de bedreiging van [agent A] wettig en overtuigend bewezen is, is de op te leggen straf – conform de eis van de officier van justitie- aan te merken als hoger dan gevorderd. In aanmerking genomen de ernst van de feiten kan met een lagere straf evenwel niet worden volstaan.
De vordering van de benadeelde partij [Betrokkene A]
De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde feit.
Nu de verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen hem onder 2 wordt verweten met betrekking tot [Betrokkene A].
De benadeelde partij dient in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De benadeelde partij en de verdachte moeten ieder de eigen kosten dragen.
De vordering van de benadeelde partij [aangever C]
De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 3 ten laste gelegde feit.
De vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Zo is bijvoorbeeld al niet duidelijk of de schade aan de motor door de verzekering is vergoed. Daarom zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De benadeelde partij en de verdachte moeten ieder de eigen kosten dragen.
De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 2 mei 2007 is de verdachte veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de tijd van 6 weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Blijkens een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de proeftijd ingegaan op 17 mei 2007.
De officier van justitie vordert thans dat de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt gelast.
Nu de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, te weten de hiervoor onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde feiten, heeft de veroordeelde voornoemde voorwaarde overtreden.
De rechtbank zal de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken gelasten.
De rechtbank heeft acht geslagen op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.
De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
DE BESLISSING
De rechtbank beslist als volgt:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart dat het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.
Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.
Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:
- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;
- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft: dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht ook als die inhouden een (poliklinische) behandeling bij de forensische polikliniek (De Waag), met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Verklaart de benadeelde partij [Betrokkene A] niet ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Bepaalt dat de benadeelde partij [aangever C] niet ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Ten aanzien van parketnummer 16/600079-07:
Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, welke voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis d.d. 2 mei 2007.