
Jurisprudentie
BF1382
Datum uitspraak2008-09-08
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers149056 / KG ZA 08-456
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers149056 / KG ZA 08-456
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Indicatie
Vordering in kort geding tot het treffen van een omgangsregeling hangende de echtscheidingsprocedure tussen partijen niet niet-ontvankelijk. De moeder heeft haar stelling dat de vader in zijn vorderingen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard eerst tegen het einde van de zitting onderbouwd. Het geschil tussen partijen is inmiddels inhoudelijk uitgebreid aan de orde geweest en aan de voorzieningenrechter zodanig duidelijk geworden dat hij daarin een beslissing kan geven. De proceseconomie is er daarom mee gebaat dat de voorzieningenrechter thans dat oordeel ook geeft (Vergelijk HR, 15 juni 2007, LJN: BA1522).
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK HAARLEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 149056 / KG ZA 08-456
Vonnis in kort geding van 8 september 2008
in de zaak van
[eiser],
wonende te Velsen-Noord,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. S. Akkas,
tegen
[gedaagde],
wonende te Beverwijk,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. F.D. van Damme.
Partijen zullen hierna de vader en de moeder genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van de moeder
- de voorwaardelijke eis in reconventie.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. Partijen zijn op 23 juli 2002 gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren:
- […], geboren op 20 september 2002
- […], geboren op 16 juni 2004,
verder te noemen “de kinderen”.
2.2. Partijen hebben het gezamenlijk gezag over de kinderen. Partijen zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Op 15 juli 2008 is een beschikking voorlopige voorzieningen gewezen waarbij de kinderen voorlopig aan de moeder zijn toevertrouwd. In de echtscheidingsprocedure is tot op heden door de vader geen verzoek tot het treffen van een voorlopige omgangsregeling tussen hem en de kinderen gedaan. Aan het begin van de zomer hebben partijen in onderling overleg een omgangsregeling getroffen, die niet schriftelijk is vastgelegd.
2.3. Deze omgangsregeling hield het volgende in:
De vader heeft eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag van 13.00 uur tot maandag 9.00 uur omgang met de kinderen. De vader haalt de kinderen op en brengt de kinderen weer terug bij de moeder. De laatste keer dat deze regeling is nagekomen is het weekend van 19 /20 juli 2008 geweest. Vervolgens hebben partijen op 30 juli 2008 ruzie gekregen en is de omgangsregeling niet langer uitgevoerd. Naar de mening van de moeder is die regeling uitsluitend voor de duur van de schoolvakantie van deze zomer getroffen. Volgens de vader was de regeling ook voor na die tijd.
2.4. De vader heeft gedurende de weekenden van 30/31 augustus 2008 en van 6/7 september 2008 wederom omgang met de kinderen gehad.
3. Het geschil in conventie
3.1. De vader vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut de moeder gebiedt mee te werken aan de omgang van de vader met de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag 13.00 uur tot maandag 9.00 uur, op straffe van een dwangsom van EUR 250,-- voor iedere dag dat zij in gebreke blijft hieraan te voldoen.
3.2. De moeder voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. Het geschil in reconventie
4.1. De moeder vordert – samengevat – voorwaardelijk in reconventie dat de Raad voor de Kinderbescherming wordt opgeroepen om een advies uit te brengen omtrent de vraag of en zo ja onder welke voorwaarden een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen in belang van de kinderen kan worden geacht indien de vordering tot het treffen van een omgangsregeling wordt toegewezen.
4.2. De vader voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling in conventie en reconventie
5.1. De moeder heeft in haar eerste termijn van de mondelinge behandeling primair geconcludeerd dat de vader in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Deze primaire conclusie heeft de moeder tijdens die eerste termijn op geen enkele wijze onderbouwd. Eerst tegen het einde van de zitting – na uitleg van de voorzieningenrechter omtrent de functie van de kortgedingrechter als restrechter – heeft de moeder haar stelling dat de vader in zijn vorderingen niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, conform die uitleg onderbouwd. Op zich heeft de moeder voor wat betreft hetgeen zij in dat verband heeft aangevoerd gelijk in haar verweer dat voor de vader met het indienen van een verzoekschrift voorlopige voorzieningen bij de familierechter een met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang openstaat waarmee de vader een vergelijkbaar resultaat kan bereiken als in het onderhavige kort geding en dat de vader om die reden in zijn vorderingen niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Nu echter de moeder eerst tegen het einde van de zitting dit verweer naar voren heeft gebracht, terwijl het geschil tussen partijen inmiddels inhoudelijk uitgebreid aan de orde was geweest en dat geschil inmiddels aan de voorzieningenrechter zodanig duidelijk was geworden dat hij daarin een beslissing kan geven, is de proceseconomie er mee gebaat dat de voorzieningenrechter thans dat oordeel ook geeft. Om die reden zal hij in het onderhavige geval de vader niet niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaren.
5.2. De voorzieningenrechter overweegt dat een kind en zijn vader recht op omgang met elkaar hebben tenzij zich één of meer van de ontzeggingsgronden als genoemd in artikel 1: 377a van het Burgerlijk Wetboek voordoet/voordoen. Het omgangsrecht is immers een fundamenteel recht van ouder en kind.
5.3. De moeder heeft ter mondelinge behandeling aangegeven dat zij thans geen omgang tussen de kinderen en de vader kan toestaan, omdat zij bang is dat de vader – gezien het agressief gedrag dat hij tegenover haar heeft getoond – de kinderen iets zal aandoen.
5.4. Dienaangaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door de moeder genoemde feiten en omstandigheden niet van dien aard zijn dat die vrees gerechtvaardigd lijkt. Ook anderszins kan niet worden geoordeeld dat omgang tussen de vader en de kinderen niet in het belang van de kinderen is. Indien de situatie voor de kinderen zo bedreigend is als de moeder vreest, is het onbegrijpelijk dat zij, zoals ter zitting is gebleken, omgang van de vader met de kinderen in de weekenden van 30/31 augustus 2008 en 6/7 september 2008 zonder meer heeft toegestaan, welke omgang bovendien ruimer was dan partijen aanvankelijk hebben afgesproken. Deze omstandigheden geven naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin aanleiding eerst een advies van de Raad van Kinderbescherming te vragen alvorens een voorlopige omgangsregeling vast te stellen. De in reconventie gevraagde voorziening zal dan ook worden geweigerd.
5.5. De in conventie door de vader verzochte omgangsregeling acht de voorzieningenrechter, gelet op de jonge leeftijd van de kinderen, te ruim. Een omgangsregeling die inhoudt dat de kinderen vrijdagmiddag door de vader uit school worden opgehaald en maandagochtend door hem weer naar school worden teruggebracht, zal de kinderen te weinig ruimte geven om na het verblijf bij de vader thuis bij de moeder weer in hun dagelijkse ritme terug te komen. De voorzieningenrechter zal dan ook de omvang van de door de vader verzochte omgangsregeling enigermate in duur beperken, als hieronder neergelegd.
5.6. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een dwangsom aan de moeder op te leggen bij niet nakoming van dit vonnis. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat de moeder zal meewerken aan de omgangsregeling, nu dit in het belang van de kinderen is. Mocht zij dat toch niet doen, dan kan de vader altijd nog het stellen van een dwangsom op het niet-nakomen van de omgangsregeling vorderen.
5.7. Gelet op het feit dat partijen echtlieden zijn, zullen de proceskosten tussen partijen zowel in conventie als in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat indien de moeder de omgangsregeling zoals bepaald in dit vonnis toch niet zou nakomen en de vader opnieuw een kort geding procedure dient te voeren om de nakoming van de omgangsregeling af te dwingen, de moeder er rekening mee dient te houden dat zij, indien zij daarbij in het ongelijk gesteld wordt, dan mogelijk wel in de proceskosten veroordeeld zal worden.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
6.1. gebiedt Dunn mee te werken aan de volgende omgangsregeling:
- De vader heeft eenmaal per twee weken recht op omgang met de kinderen […] van zaterdagochtend 9.00 uur tot en met zondagavond 18.00 uur
- Deze omgangsregeling treedt met ingang van 20 september 2008 in werking.
- De vader haalt de kinderen op zaterdag op bij de moeder en de vader brengt de kinderen op zondag weer terug bij de moeder,
6.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4. wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.5. weigert de gevraagde voorziening,
6.6. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2008.?