
Jurisprudentie
BF1379
Datum uitspraak2008-09-12
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/1503 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/1503 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag?
Uitspraak
06/1503 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 januari 2006, 05/508 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 februari 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. G.A. Tellinga.
De Raad heeft het onderzoek heropend en het Uwv bij brief van 13 maart 2008 ten aanzien van twee aspecten een toelichting gevraagd. Hierop heeft het Uwv gereageerd met een schrijven van 18 maart 2008, waarbij is gevoegd een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige M.E. van der Molen, gedateerd eveneens 18 maart 2008.
Het onderzoek is voortgezet ter zitting van de Raad op 1 augustus 2008. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv was wederom vertegenwoordigd door drs. Tellinga.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 2 maart 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissende op bezwaar tegen de besluiten van 7 september 2004 en 29 november 2004, de aan appellant, laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, toegekende WAO-uitkering per 2 november 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
25 tot 35%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat er geen reden is de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de belasting in de aan appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid niet overschrijdt en deze functies tevens voor de bekwaamheden van appellant berekend zijn. De rechtbank heeft gezien het voorgaande geconcludeerd dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht de WAO-uitkering van appellant heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het bestreden besluit is desalniettemin, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004, door de rechtbank vernietigd omdat eerst na het bestreden besluit door het Uwv een deugdelijke toelichting is gegeven aangaande de passendheid van de functies vanuit medisch oogpunt.
Wegens de houdbaarheid van het bestreden besluit ten materiƫle heeft de rechtbank vervolgens bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand worden gelaten, een en ander met aanvullende beslissingen inzake vergoeding van griffierecht en proceskosten.
3. Appellant is in hoger beroep gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellant herhaalt zijn eerdere grief dat hij meer beperkingen heeft dan neergelegd in de FML in verband met lichamelijke en psychische klachten. In dit verband is onder meer gesteld dat ten onrechte geen beperkingen in de rubriek sociaal functioneren zijn aangenomen. Verder is herhaald dat de voorgehouden functies medisch niet geschikt zijn voor appellant gezien de nek- en rugklachten als ook de psychische klachten van appellant.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Wat betreft de medische beoordeling is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond voor twijfel is aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts in acht genomen medische beperkingen van appellant, zoals deze zijn weergegeven in de FML van 26 november 2004. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank ter zake. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische stukken ingediend die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. De Raad merkt op dat anders dan namens appellant in hoger beroep is gesteld de artsen van het Uwv wel degelijk een aantal beperkingen in de rubriek sociaal functioneren van de FML hebben opgenomen.
4.2. De Raad overweegt vervolgens dat het Uwv met de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige Van der Molen van 10 mei 2005 en 18 maart 2008 een afdoende en sluitende motivering heeft gegeven van de conclusie dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies vanuit medisch oogpunt passend zijn te achten voor appellant.
4.3. Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit terecht en op goede gronden geheel in stand heeft gelaten. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
4.4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 september 2008.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
JL