Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1343

Datum uitspraak2008-09-19
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/802297-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verdachte, inmiddels 85 jaar oud, heeft zich schuldig gemaakt aan diverse aan hem ten laste gelegde brandstichtingen en aan belaging. Ook heeft hij diverse ter informatie gevoegde brandstichtingen en vernielingen erkend. Indien geen rekening zou behoeven te worden gehouden met bijzondere persoonlijke omstandigheden, zou het opleggen van een aanzienlijke onvoorwaardelijke vrijheidsstraf gerechtvaardigd zijn. Gelet op de persoonlijke omstandigheden is het opleggen van een aanzienlijke vrijheidsstraf echter niet aan de orde. De rechtbank overweegt met nadruk dat verdachtes leeftijd op zichzelf genomen nog geen reden is om van het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf af te zien. Rekening houdend met alle bijzondere omstandigheden wordt verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Sector Straf Meervoudige kamer Parketnummer: 06/802297-07 Uitspraak d.d.: 19 september 2008 Tegenspraak / dip VONNIS in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [plaats] op [1923], wonende te [adres en plaats]. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 september 2008. De tenlastelegging Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd, is aan de verdachte ten laste gelegd dat: 1. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 oktober 2006 tot en met 10 november 2006 te Eerbeek, gemeente Brummen, (telkens) opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/bij een woning (perceel [perceel A]) en/of in/aan/bij een schuur/garage van die woning, immers heeft verdachte toen aldaar (telkens) opzettelijk spiritus en/of wasbenzine en/of terpentine, althans (een) brandbare stof(fen) gespoten/gesprenkeld over (respectievelijk) - een schutting (aan de zijkant) van die woning en/of vervolgens een brandende lucifer en/of aansteker tegen/bij die schutting gehouden en/of gegooid en/of - (een) autoband(en) en/of een boot en/of een auto en/of een of meer andere goed(eren), dat/die zich tegen/bij (de buitenmuur van) voornoemde woning bevond(en), en/of vervolgens een brandende lucifer en/of aansteker tegen/bij/op die autoband(en) en/of die boot en/of die auto en/of die/dat goed(eren) gehouden en/of gegooid en/of - een schutting (naast de voordeur) van die woning en/of vervolgens een brandende lucifer en/of aansteker tegen/bij die schutting gehouden en/of gegooid en/of - kleding en/of die (doordrenkte) kleding tegen/bij de voordeur van die woning gelegd en/of vervolgens (een) brandende lucifer(s) en/of aansteker bij/tegen die kleding gehouden en/of gegooid en/of - die garage/schuur en/of vervolgens (een) brandende lucifer(s) en/of aansteker tegen en/of in die garage/schuur gehouden en/of gegooid, in elk geval (telkens) opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (respectievelijk) die/dat - schutting en/of - autoband(en) en/of die boot en/of die auto en/of - schutting en/of - kleding en/of die voordeur en/of - garage/schuur, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemd(e) goed(eren) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan (telkens) gemeen gevaar voor de zich in die woning bevindende goederen en/of voor die woning en/of voor één of meer belendende perce(e)l(en), in elk geval (telkens) gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of een of meer (andere) buurtbewoners , in elk geval (telkens) levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was; (incidenten 16,3,4,5,6) art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht 2. hij op of omstreeks 02 mei 2007 te Eerbeek, gemeente Brummen, opzettelijk brand heeft gesticht in een bosperceel (Harderwijkerweg, ter hoogte van Boshoffweg), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (een) brandende lucifer(s) en/of aansteker tegen papier gehouden en/of dat brandende papier tegen/onder (een) droge tak(ken) gehouden en/of gelegd en/of gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) tak(ken) en/of bo(o)m(en) en/of (een) struik(en) en/of hout en/of gras, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat bosperceel geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een woning en/of zwembad en/of een camping en/of een of meer (andere) (bos)perce(e)l(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) badgast(en) en/of zwembadpersoneel en/of (een) campinggast(en) en/of campingpersoneel en/of (een) bezoeker(s) van dat/die (bos)perce(e)l(en) en/of (een) bewoner(s) van die woning, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was; (incident 7) art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht 3. hij op of omstreeks 04 mei 2007 te Eerbeek, gemeente Brummen, meermalen, althans eenmaal opzettelijk brand heeft gesticht (in een greppel) achter de schuur van een woning (perceel [perceel B]) en/of elders in de directe omgeving van voornoemde woning, immers heeft verdachte toen aldaar (telkens) opzettelijk (een) brandende lucifer(s) en/of aansteker tegen/onder (een) droge tak(ken) en/of afvalhout en/of bladeren gehouden en/of gelegd, in elk geval (telkens) opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) tak(ken) en/of bo(o)m(en) en/of (een) struik(en) en/of hout en/of blad(eren), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan (een) bosperce(e)l(en) in de directe omgeving van die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of een zwembad en/of een camping en/of twee/een papierfabriek(en) en/of een chemische fabriek en/of een of meer (bos)perce(e)l(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(s) van die woning en/of (een) badgast(en) en/of zwembadpersoneel en/of (een) campinggast(en) en/of campingpersoneel en/of fabriekspersoneel en/of (een) bezoeker(s) van dat/die (bos)perce(e)l(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was; (incident 8) art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht 4. hij op of omstreeks 25 mei 2007 te Eerbeek, gemeente Brummen, meermalen, althans eenmaal opzettelijk brand heeft gesticht op één of meer plaats(en) in een bosperce(e)l(en) (te weten in het Eerbeekse Veld), immers heeft verdachte toen aldaar (telkens) opzettelijk (een) brandende lucifer(s) en/of een aansteker tegen/onder (een) droge tak(ken) en/of afvalhout en/of bladeren gehouden en/of gelegd, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) tak(ken) en/of bo(o)m(en) en/of (een) struik(en) en/of hout en/of blad(eren), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat bosperceel geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat bosperceel en/of een of meer andere (bos)perce(e)l(en) en/of een of meer woning(en) en/of een papierfabriek en/of twee/een camping(s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor en/of (een) bezoeker(s) van dat/die (bos)perce(e)l(en) en/of bewoner(s) en/of fabriekspersoneel en/of campingpersoneel en/of campinggasten, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was; (incident 9) art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht 5. hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2001 tot en met 10 november 2006 te Eerbeek, gemeente Brummen, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van (zijn (over)buurman) [slachtoffer A], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer A], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk - (meermalen) brand gesticht bij en/of aan de woning van die [slachtoffer A] en/of - (meermalen) autoband(en) van die [slachtoffer A] lekgestoken en/of - (meermalen) een of meer andere goed(eren), toebehorende aan die [slachtoffer A] vernield en/of - (meermalen) valselijk die [slachtoffer A] openlijk beschuldigd van die brandstichting(en) en/of die vernieling(en) (bij of aan de woning van die [slachtoffer A]) en/of - bij de woningstichting/woningbouwvereniging en/of bij de gemeente geklaagd over de - door die brandstichting(en) en/of vernieling(en) veroorzaakte - overlast en/of - bij de woningstichting/woningbouwvereniging en/of bij de gemeente er op aangedrongen dat die [slachtoffer A] uit diens woning werd gezet, althans zou (moeten) verhuizen, door welke gedraging(en) die [slachtoffer A] - (onder meer) werd gedwongen zijn (diverse) verzameling(en) (waaronder auto's, (brom)fietsen en aanhangwagens) op te (laten) ruimen en/of zijn huisdier(en)(te weten 1 poes, 4 honden en 2 vogels) in een asiel onder te brengen en/of te verhuizen en/of - zodanige vrees werd aangejaagd dat deze psychisch letsel opliep en in (psycho)therapie moe(s)t; (incident 20) art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht 6. hij op of omstreeks 04 augustus 2007 te Eerbeek, gemeente Brummen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/bij een schutting (van [naam fabriek]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk spiritus, althans een brandbare (vloei)stof gespoten/gesprenkeld tegen/over die schutting, en/of vervolgens (een) brandende lucifer(s) en/of aansteker tegen/bij die schutting gehouden en/of gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die schutting, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die schutting geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schutting en/of de zich achter/nabij deze schutting bevindende afvalstoffen en/of papiermachine en/of papierfabriek en/of gemeen gevaar voor andere goederen te duchten was; (incident 1) art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, dat hij op of omstreeks 04 augustus 2007 te Eerbeek, gemeente Brummen, opzettelijk en wederrechtelijk een schutting, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam fabriek], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; (incident 1) art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht 7. hij op of omstreeks 05 juni 2007 te Eerbeek, gemeente Brummen, opzettelijk brand heeft gesticht bij/in een schuur van een woning (perceel [perceel B]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk spiritus, althans een brandbare (vloei)stof gespoten/gesprenkeld over/tegen die schuur en/of tegen de deuren van die schuur en/of vervolgens (een) brandende lucifer(s) en/of aansteker tegen/bij die schuur gehouden en/of gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die schuur, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die schuur geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schuur en/of de/het zich in die schuur bevindende goed(eren) en/of die woning en/of een camping, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(s) van die woning en/of (een) campinggast(en) en/of campingpersoneel, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was; (incident 6) art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht 8. hij op of omstreeks 05 augustus 2007 te Eerbeek, gemeente Brummen, opzettelijk brand heeft gesticht bij/in een schuur van een woning (perceel [perceel B]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk spiritus, althans een brandbare (vloei)stof gespoten/gesprenkeld over/tegen (de houten planken van) die schuur en/of vervolgens (een) brandende lucifer(s) en/of aansteker tegen/bij die planken en/of die schuur gehouden en/of gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die schuur, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die schuur geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schuur en/of de/het zich in die schuur bevindende goed(eren) en/of die woning en/of een camping, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bewoner(s) van die woning en/of (een) campinggast(en) en/of campingpersoneel, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was; (incident 8) art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht 9. hij op of omstreeks 06 augustus 2007 te Eerbeek, gemeente Brummen, opzettelijk brand heeft gesticht in/bij een voederhuisje (gelegen aan de Imboschweg), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk dennenappel(s) en/of takken op een hoop geveegd en/of die hoop dennenappels en/of takken (samen met een plastic zak) tegen de (houten) gevel van dat voederhuisje gelegd en/of vervolgens (een) brandende lucifer(s) en/of aansteker op/bij die hoop en/of tegen die gevel gehouden en/of gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (de gevel van) dat voederhuisje, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat voederhuisje geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat voederhuisje en/of (een) bosperce(e)l(en) in de directe omgeving van dat voederhuisje en/of natuurpark de Imbosch, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) bezoeker(s) van die/dat bosperce(e)l(en) en/of van dat natuurpark, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was; (incident 9) art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht Taal- en/of schrijffouten Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 primair, 7, 8 en 9 ten laste gelegde. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft gesteld dat de feiten steeds wettig en overtuigend bewezen geacht kunnen worden. Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadman echter gesteld dat het gestelde gevaar voor de woning van [slachtoffer A] of zich in de nabije omgeving van de branden bevindende goederen en mensen een aantal keren wordt overtrokken en zeker niet in elk geval bewezen geacht kan worden. Ook ten aanzien van de overige brandstichtingen is het volgens hem niet terecht dat steeds wordt gesteld dat er sprake is geweest van gevaar. Met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde heeft de raadsman gesteld dat het begin van de ten laste gelegde periode op een later tijdstip is geweest. Bewijsmiddelen Deze bewezenverklaring is gebaseerd op: - feit 1: de bekennende verklaring van verdachte (eindnoot 1) (pagina’s 60, 68, 75, 91 en 208), zijn verklaring ter terechtzitting en de aangiftes van [slachtoffer A] (pagina’s 48, 63, 71, 78 en 202); - feit 2: de bekennende verklaring van verdachte (pagina 109), zijn verklaring ter terechtzitting en de aangifte van [naam A] (pagina 94); - feit 3: de bekennende verklaring van verdachte (pagina 132), zijn verklaring ter terechtzitting en de aangifte van [naam A] (pagina 112); - feit 4: de bekennende verklaring van verdachte (pagina 146), zijn verklaring ter terechtzitting en de aangifte van [naam B] (pagina 136); - feit 5: de bekennende verklaring van verdachte (pagina 252), zijn verklaring ter terechtzitting en de aangifte van [slachtoffer A] (pagina 247); - feit 6: de bekennende verklaring van verdachte (eindnoot 2) (pagina 31), zijn verklaring ter terechtzitting en de aangifte van [naam C] (pagina 19); - feit 7: de bekennende verklaring van verdachte (pagina’s 96/97), zijn verklaring ter terechtzitting en de aangifte van [naam A] (pagina 81); - feit 8: de bekennende verklaring van verdachte (pagina’s 119/120), zijn verklaring ter terechtzitting en de aangifte van [naam A] (pagina 106); - feit 9: de bekennende verklaring van verdachte (pagina’s 139/140), zijn verklaring ter terechtzitting en de aangifte van [naam D] (pagina 123). Bewijsmotivering Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat er wel degelijk telkens gevaar voor de woning van [slach[slachtoffer A] of zich in de nabije omgeving van de branden bevindende goederen en mensen is geweest. De rechtbank baseert dit allereerst op de verklaring van de getuige [slachtoffer B](eindnoot 3) , buurman van de benadeelde partij [slachtoffer A], die heeft verklaard dat de woning waarin hij woont in de jaren 50 is gebouwd, dat de vloeren van hout zijn en dat er geen brandvrije muren tussen de woningen zitten, maar dat deze halfsteens zijn. Verder komt uit het stamproces-verbaal naar voren dat [verbalisant A] in 2004, 2005 en 2006 ambtshalve heeft vastgesteld dat [slachtoffer A] in en rondom zijn woning een grote hoeveelheid goederen had verzameld en opgeslagen. Volgens verbalisanten [verbalisant A] en [verbalisant B] was de hoeveelheid brandbaar materiaal in en bij de woning en de belendende opstallen zo groot, dat gelet op de gevaarzetting van de brandstichtingen op 20 oktober 2006 is besloten tot algehele ontruiming van de woning en het elders onderbrengen van [slachtoffer A] en zijn huisdieren (eindnoot 4) . Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit niet anders worden geconcludeerd dan dat er meerdere keren sprake is geweest van gevaar voor goederen en personen, gelet ook op de foto’s(eindnoot 5) die van de brandstichtingen op respectievelijk 13 oktober 2006, 20 oktober 2006 en 10 november 2006 zijn gemaakt. De vlammen sloegen zo hoog uit dat ze hadden kunnen overslaan op de woning met alle mogelijke gevolgen van dien gezien de bouwstijl van de woning, die deel uitmaakt van een blok van vier. Op de genoemde data heeft de brandweer moeten uitrukken om de brand te blussen. Ook ten aanzien van het de overige ten laste gelegde brandstichtingen is de rechtbank van oordeel dat steeds sprake is geweest van gevaar voor goederen en personen. De brandstichtingen in het bos vonden veelal plaats op dagen dat het mooi weer was. Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat volgens hem de kans op overslaan van de brand klein was vanwege de aanwezigheid van zandpaden die als brandgang zouden kunnen dienen, denkt de rechtbank daar anders over. De kans op overslaan is volgens de rechtbank niet ondenkbaar. Daarbij komt dat er in de omgeving campings, een zwembad en bedrijven zijn gevestigd en dat het bos vrij toegankelijk is voor wandelaars en fietsers. De branden bij de papierfabriek hadden eveneens kunnen overslaan naar de goederen die achter de schutting lagen opgeslagen en naar de aanwezige machinerie, hetgeen tot een enorme brand had kunnen leiden gezien de aard van de fabriek. Met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde heeft de raadsman gesteld dat het begin van de ten laste gelegde periode op een later tijdstip is geweest. De rechtbank onderschrijft dit niet nu uit het dossier naar voren komt dat de vernieling van autobanden, die door verdachte zijn bekend, zijn begonnen in september 2001(eindnoot 6) . Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 primair, 7, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat: 1. hij op tijdstippen in de periode van 13 oktober 2006 tot en met 10 november 2006 te Eerbeek, gemeente Brummen, telkens opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een woning (perceel [perceel A]) en/of aan/bij een schuur/garage van die woning, immers heeft verdachte toen aldaar telkens opzettelijk spiritus gespoten/gesprenkeld over respectievelijk - een schutting aan de zijkant van die woning en vervolgens een brandende lucifer tegen/bij die schutting gehouden en - autobanden en een boot en een auto en een of meer andere goederen, die zich tegen/bij (de buitenmuur van) voornoemde woning bevonden, en vervolgens een brandende lucifer tegen/bij/op die autobanden en/of die boot en/of die auto en/of die goederen gegooid en - een schutting naast de voordeur van die woning en vervolgens een brandende lucifer tegen/bij die schutting gehouden en/of gegooid en - kleding en die doordrenkte kleding tegen/bij de voordeur van die woning gelegd en/of vervolgens een brandende lucifer bij/tegen die kleding gehouden en/of gegooid en - die garage/schuur en vervolgens brandende lucifers tegen die garage/schuur gehouden en/of gegooid, ten gevolge waarvan voornoemde goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan telkens gemeen gevaar voor de zich in die woning bevindende goederen en/of voor die woning en/of voor één of meer belendende percelen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of een of meer andere buurtbewoners, te duchten was; 2. hij op 2 mei 2007 te Eerbeek, gemeente Brummen, opzettelijk brand heeft gesticht in een bosperceel (Harderwijkerweg, ter hoogte van Boshoffweg), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk brandende lucifers tegen papier gehouden en dat brandende papier onder droge takken gehouden en/of gelegd, ten gevolge waarvan dat bosperceel gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een woning en/of zwembad en/of een camping en/of een of meer andere (bos)percelen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor badgasten en/of zwembadpersoneel en/of campinggasten en/of campingpersoneel en/of bezoekers van die (bos)percelen, te duchten was; 3. hij op 4 mei 2007 te Eerbeek, gemeente Brummen, meermalen, opzettelijk brand heeft gesticht in een greppel achter de schuur van een woning (perceel [perceel B]) en/of elders in de directe omgeving van voornoemde woning, immers heeft verdachte toen aldaar telkens opzettelijk brandende lucifers tegen/onder droge takken en/of afvalhout en/of bladeren gehouden en/of gelegd, ten gevolge waarvan een bosperceel in de directe omgeving van die woning gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of een zwembad en/of een camping en/of twee papierfabrieken en/of een chemische fabriek en/of een of meer (bos)percelen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor badgasten en/of zwembadpersoneel en/of campinggasten en/of campingpersoneel en/of fabriekspersoneel en/of bezoekers van die (bos)percelen, te duchten was; 4. hij op 25 mei 2007 te Eerbeek, gemeente Brummen, meermalen, opzettelijk brand heeft gesticht op plaatsen in een bosperceel (te weten in het Eerbeekse Veld), immers heeft verdachte toen aldaar telkens opzettelijk brandende lucifers tegen/onder droge takken en/of afvalhout en/of bladeren gehouden en/of gelegd, ten gevolge waarvan dat bosperceel gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat bosperceel en/of een of meer andere (bos)percelen en/of een of meer woningen en/of een papierfabriek en/of twee campings, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor en/of bezoekers van die (bos)percelen en/of bewoners en/of fabriekspersoneel en/of campingpersoneel en/of campinggasten, te duchten was; 5. hij in de periode van 1 januari 2001 tot en met 10 november 2006 te Eerbeek, gemeente Brummen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn overbuurman [slachtoffer A], met het oogmerk die [slachtoffer A] te dwingen iets te doen, immers heeft hij, verdachte, telkens opzettelijk - meermalen brand gesticht bij en/of aan de woning van die [slachtoffer A] en - meermalen autobanden van die [slachtoffer A] lekgestoken en - meermalen valselijk die [slachtoffer A] openlijk beschuldigd van die brandstichtingen en/of die vernielingen bij of aan de woning van die [slachtoffer A] en - bij de woningstichting/woningbouwvereniging en bij de gemeente geklaagd over de - door die brandstichtingen en/of vernielingen veroorzaakte - overlast en - bij de woningstichting/woningbouwvereniging en bij de gemeente er op aangedrongen dat die [slachtoffer A] uit diens woning werd gezet, althans zou (moeten) verhuizen, door welke gedragingen die [slachtoffer A] - werd gedwongen zijn huisdieren (te weten 1 poes, 4 honden en 2 vogels) in een asiel onder te brengen en te verhuizen en - zodanige vrees werd aangejaagd dat deze psychisch letsel opliep en in psychotherapie moest; 6. hij op 4 augustus 2007 te Eerbeek, gemeente Brummen, opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een schutting (van [naam fabriek]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk spiritus gespoten/gesprenkeld tegen die schutting, en vervolgens een brandende lucifer tegen/bij die schutting gehouden en/of gegooid, ten gevolge waarvan die schutting gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schutting en/of de zich achter/nabij deze schutting bevindende afvalstoffen en/of papiermachine en/of papierfabriek te duchten was; 7. hij op 5 juni 2007 te Eerbeek, gemeente Brummen, opzettelijk brand heeft gesticht bij een schuur van een woning (perceel [perceel B]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk spiritus gespoten/gesprenkeld tegen die schuur en tegen de deuren van die schuur en vervolgens een brandende lucifer tegen/bij die schuur gehouden en/of gegooid, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schuur en/of de zich in die schuur bevindende goederen en/of die woning en/of een camping, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor campinggasten en/of campingpersoneel, te duchten was; 8. hij op 5 augustus 2007 te Eerbeek, gemeente Brummen, opzettelijk brand heeft gesticht bij een schuur van een woning (perceel [perceel B]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk spiritus gespoten/gesprenkeld over/tegen de houten planken van die schuur en vervolgens een brandende lucifer tegen/bij die planken en/of die schuur gehouden en/of gegooid, ten gevolge waarvan die schuur gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schuur en/of de zich in die schuur bevindende goederen en/of die woning en/of een camping, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor campinggasten en/of campingpersoneel, te duchten was; 9. hij op 6 augustus 2007 te Eerbeek, gemeente Brummen, opzettelijk brand heeft gesticht bij een voederhuisje gelegen aan de Imboschweg, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk dennenappels en takken op een hoop geveegd en die hoop dennenappels en takken samen met een plastic zak tegen de houten gevel van dat voederhuisje gelegd en vervolgens brandende lucifers op/bij die hoop gehouden en/of gegooid, ten gevolge waarvan dat voederhuisje gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat voederhuisje en/of bospercelen in de directe omgeving van dat voederhuisje en/of natuurpark de Imbosch, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bezoekers van die bospercelen en/of van dat natuurpark, te duchten was. Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde Wat meer of anders is ten las¬te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezene levert op de misdrijven: Feit 1: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen / gevaar voor zwaar lichamelijk letsel / levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd; Feit 2: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen / gevaar voor zwaar lichamelijk letsel / levensgevaar voor een ander te duchten is; Feit 3: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen / gevaar voor zwaar lichamelijk letsel / levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd; Feit 4: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen / gevaar voor zwaar lichamelijk letsel / levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd; Feit 5 Belaging; Feit 6 primair: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is; Feit 7: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen / gevaar voor zwaar lichamelijk letsel / levensgevaar voor een ander te duchten is; Feit 8: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen / gevaar voor zwaar lichamelijk letsel / levensgevaar voor een ander te duchten is; Feit 9: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen / gevaar voor zwaar lichamelijk letsel / levensgevaar voor een ander te duchten is. Strafbaarheid van de verdachte Omtrent de persoon van verdachte is een psychologisch onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport gedateerd 19 juni 2008, opgemaakt door prof.dr. J.J. Baneke, klinisch en forensisch psycholoog. Uit het rapport komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, i.c. van een pathologische druk/drang om brand te stichten, waarschijnlijk van pyromanie. Verdachte functioneert op zwakbegaafd, bijna zwakzinnig niveau en er zijn ontwijkende/vermijdende persoonlijkheidstrekken. Aannemelijk is dat verdachte als gevolg van de stoornissen, in elk geval als gevolg van een pathologische drang, brand is gaan stichten. Daarbij heeft de eerste keer of keren ook de overlast door/van de overbuurman waarschijnlijk invloed gehad op verdachtes voelen en handelen. De pathologische drang is op zichzelf een belangrijke risicofactor, temeer omdat verdachte geen verklaring of begrip heeft ten aanzien van onderliggende motieven. In combinatie met zijn zeer beperkte intelligentie, zijn leeftijd en het toenemend sociaal isolement wordt de kans op recidive groter. Hoewel verdachtes hartklachten hem minder mobiel maken en de kans op recidive mogelijk verkleinen, evenals de schaamte voor het gebeurde, blijft de kans op recidive aanwezig. De rechtbank neemt de conclusies van dit rapport, inhoudende dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, over. De verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Oplegging van straf en/of maatregel De officier van justitie heeft bewezenverklaring van alle feiten gevorderd en geconcludeerd tot verminderde toerekeningvatbaarheid van verdachte. Zij heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom zij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren voor de algemene voorwaarde en 3 jaren (de officier van justitie heeft naar de rechtbank begrijpt per abuis 2 jaren op de door haar overgelegde vordering vermeld) voor de bijzondere voorwaarde aan de orde vindt. De raadsman heeft met nadruk gepleit tegen de oplegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Als bijzondere omstandigheden heeft hij genoemd: 1. de verminderde toerekeningsvatbaarheid 2. de intellectuele capaciteiten van verdachte; 3. de ruime periode waarin geen delicten meer hebben plaatsgevonden; 4. het blanco strafblad van verdachte; 5. het vergrote netwerk van verdachte en de daardoor ontstane controle op hem; 6. de vergevorderde leeftijd van verdachte. De raadsman heeft in dit verband verder aangevoerd dat in het rapport van prof.dr. Baneke ervan uit wordt gegaan dat er wellicht een pathologische druk is om brand te stichten en dat er dus waarschijnlijk sprake is van pyromanie. Volgens Baneke blijft de kans op recidive aanwezig en zal deze zelfs groter zijn als aan bepaalde factoren niet wordt voldaan. De raadsman is van mening dat het rapport speculatief is met betrekking tot de pyromanie en hij heeft het recidivegevaar betwist. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat uit telefonisch contact tussen hem en de heer Van Duin van de reclassering naar voren is gekomen dat Van Duin de conclusie van de psycholoog dat de kans op recidive sterk kan worden verminderd door aan waarborgen te werken, deelt, maar dat Van Duin daaraan verbond dat, als dit gebeurt, de kans op recidive naar zijn mening heel klein is. De raadsman heeft verder aangevoerd dat er inmiddels al een soort van vangnet is (in de persoon van de door verdachte geconsulteerde psycholoog Stoll) en dat verdachte heeft geleerd dat hij over zaken kan praten en zijn gevoelens kan uiten. De rechtbank komt tot de volgende strafoplegging en motiveert die als volgt. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de acht aan hem ten laste gelegde brandstichtingen. Ook zijn alle ter informatie gevoegde brandstichtingen en vernielingen door hem erkend. Daarnaast is de belaging van zijn overbuurman, die zich over een reeks van jaren heeft uitgestrekt, bewezen. De brandstichtingen vallen uiteen in twee categorieën. Enerzijds die in de vrije natuur en bij [naam fabriek], die groot gevaar voor personen en goederen met zich hebben gebracht. Anderzijds die bij verdachtes overbuurman [slachtoffer A] die, naast het veroorzaken van groot gevaar voor personen en goederen, onrust in de buurt hebben veroorzaakt en aanzienlijk persoonlijk leed aan die [slachtoffer A] hebben berokkend. Die [slachtoffer A] is immers jarenlang verdacht gemaakt door verdachte en van lieverlee ook door buurtgenoten. Hij was uiteindelijk genoodzaakt mede daardoor zijn woning en de buurt te verlaten. Dientengevolge heeft die [slachtoffer A] psychische hulp moeten inroepen. Verdachte wist dat [slachtoffer A] niet de dader van de herhaalde vernielingen en brandstichtingen was en heeft desondanks niet geschroomd, ja, sterker nog, er zelfs welbewust voor gekozen, hem over een reeks van jaren verdacht te maken met als doel hem uit de buurt te doen verwijderen. Daarmee hebben deze door verdachte gestichte branden een instrumenteel karakter gekregen, wat de rechtbank verdachte ernstig aanrekent. Er moet onder ogen worden gezien dat de bewezen geachte feiten van ernstige aard zijn. Dergelijke feiten veroorzaken veel onrust en schade aan goederen en bovendien aan de algemene middelen die moeten worden ingezet ter bestrijding van, in dit geval, brandstichting. Bij zoveel bewezen geachte feiten als waarvan hier sprake is, zou, indien geen rekening zou behoeven te worden gehouden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van deze verdachte, het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur zonder meer gerechtvaardigd zijn. Het zijn echter juist de bijzondere omstandigheden van de verdachte, die het opleggen van een aanzienlijke vrijheidsstraf niet aan de orde doen zijn. De rechtbank benoemt de volgende omstandigheden. Verdachte heeft niet alleen in absolute zin een hoge leeftijd, maar is ook voor wat betreft de gangbare normen van de strafrechtpraktijk van een leeftijd die daar slechts hoogst zelden en misschien zelfs in het geheel niet voorkomt, zeker niet voor ernstige delicten als de onderhavige. Beide factoren leggen gewicht in de schaal bij de beoordeling van deze zaak. De leeftijd van verdachte zal zich ook in de executiefase van een op te leggen straf doen gevoelen. Daarbij stelt de rechtbank met nadruk dat verdachtes hoge leeftijd op zichzelf genomen nog geen reden is om van het opleggen van onvoorwaardelijke vrijheidsstraf af te zien. De rechtbank acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Verwezen wordt nog eens naar het hiervoor weergegeven rapport van dr. Baneke. Verdachte heeft problemen met het hart en de ademhalingsorganen. Tegen die achtergrond moet het risico worden afgewogen dat een op te leggen gevangenisstraf onbedoeld een (te) aanzienlijk deel van zijn verdere leven zal beslaan. Verdachte heeft er ter zitting overtuigend blijk van gegeven het verwerpelijke van zijn handelwijze in te zien. Hij heeft daarvoor spijt betuigd. Ten gevolge van zijn handelen is verdachte in psychische problemen gekomen. Hij heeft psychologische hulp gezocht. Aannemelijk is, dat verdachte een op te leggen straf zwaarder zal ervaren dan de gemiddelde verdachte als gevolg van zijn hoge leeftijd. Tenslotte, en ook dat aspect heeft de rechtbank in zijn overwegingen betrokken, is het in dit bijzondere geval niet alleen verdachte die met een op te leggen vrijheidsstraf meer dan gemiddeld zal worden gestraft, maar ook zijn allernaaste omgeving/familie. De raadsman heeft bepleit dat personen van de hoge leeftijd van verdachte, min of meer analoog aan het strafrecht voor minderjarigen tot de leeftijd van twaalf jaar, niet meer zouden moeten worden bestraft. De rechtbank volgt de raadsman daarin niet. De rechtbank acht de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar, hetgeen tegelijkertijd wil zeggen dat verdachte wel, ofschoon slechts gedeeltelijk, toerekeningsvatbaar is. Dat klemt hier des te meer, gelet op de planmatige wijze waarop verdachte te werk is gegaan. Ook de wetgever heeft niet gevonden dat er voor personen boven een bepaalde leeftijd strafrechtelijke immuniteit zou moeten zijn. De rechtbank acht het in de bepleite algemene zin vooralsnog niet denkbaar dat ouderen in onze maatschappij, waarin de gemiddelde leeftijd nog steeds een stijgende lijn vertoont, niet strafrechtelijk verantwoordelijk zouden (kunnen en/of moeten) worden gehouden voor hun daden. Ook in dit specifieke geval is daarvoor geen plaats. Samenvattend is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het niet anders kan dan dat feiten als de onderhavige ook voor deze verdachte leiden tot het opleggen van onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft alle bijzondere omstandigheden van dit geval bij het bepalen van de hoogte van de straf meegewogen. Dat leidt ertoe dat de op te leggen straf lager uitvalt dan geëist. Ingevolge artikel 14b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de proeftijd ten hoogste tien jaren bedragen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank ziet gelet op het herhalingsgevaar aanleiding een langere proeftijd dan gebruikelijk op te leggen, om te bewerkstelligen dat verdachte gedurende die proeftijd onder toezicht van de reclassering zal staan. Die instantie heeft aangegeven dat zij in dat geval het toezicht naar vermogen zal intensiveren en zonodig zal zorgen voor dagbesteding. Aldus kan dat toezicht een recidiverisico-verlagend effect hebben. Ad informandum gevoegde zaken De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen de ter kennisneming gevoegde zaken, bekend onder de parketnummers 06/802063-07 (incidenten 2, 3, 4, 5, 7 en 10 behorend bij (stam) proces-verbaal nr. PL0634/07-206661) en 06/802297-07 (incidenten 1, 2, 11, 12, 17, 18, 27, 30, 32, 33, 34, 35, 36, 37 en 38 behorend bij (stam) proces-verbaal nr. PL0634/07-206997), nu aannemelijk is geworden dat verdachte deze feiten heeft gepleegd - verdachte heeft deze feiten bekend - en de officier van justitie heeft toegezegd dat voor die feiten geen verdere strafvervolging zal volgen. Vordering tot schadevergoeding De benadeelde partij [slachtoffer A] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.539,20 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 en 5 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Verdachte en zijn raadsman hebben de vordering betwist voor zover dit de hoogte van de vordering met betrekking tot het immateriële deel betreft. Nu niet is weersproken dat de benadeelde partij, zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het onder 1 en 5 bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot de gevorderde bedragen (te weten € 35,20 voor reiskosten, € 674,- voor dubbele huur en € 90,- voor de lek gestoken banden) en deze bedragen de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal de vordering met betrekking tot de genoemde posten worden toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 5 bewezen verklaarde handelen ook immateriële schade heeft geleden. De rechtbank acht een bedrag van € 1.500,- redelijk en billijk. De vordering dient derhalve tot een bedrag van € 2.299,20 te worden toegewezen. Verdachte is hiervoor naar burgerlijk recht aansprakelijk. Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij [partij A] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 6.487,- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 7 en 8 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering met uitzondering van een bedrag van € 100,- (kosten noodreparatie) met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft de vordering betwist en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij bepleit, omdat hij de vordering niet eenvoudig van aard vindt. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu zij eveneens van oordeel is dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De benadeelde partij [partij B] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 500,- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 9 ten laste gelegde. De officier heeft gerekwireerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De raadsman heeft de vordering betwist. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu zij van oordeel is dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De benadeelde partij [partij C] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.974,20 gevoegd in het strafproces. Deze benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu deze vordering geen betrekking heeft op een bewezen verklaard feit en aan de benadeelde partij derhalve geen rechtstreekse schade is toegebracht door een bewezen verklaard feit, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid aanhef en sub b van het Wetboek van Strafvordering. Schadevergoedingsmaatregel Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer A]. Toepasselijke wettelijke voorschriften Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 57, 157 en 285b van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing De rechtbank beslist als volgt. Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 primair, 7, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden. Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt. Geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde hulp en steun te verlenen. Beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht. Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer A], [bankrekeningnummer], (gemachtigde [naam, adres en plaats]) van een bedrag van € 2.299,20, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 november 2006 en met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil. Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A], een bedrag te betalen van € 2.299,20, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 41 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt. Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer A] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering. Verklaart de benadeelde partijen [partij A] ([adres en plaats]) en [partij B] ([adres en plaats]) niet-ontvankelijk in hun vordering en bepaalt dat de benadeelde partijen hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Verklaart de benadeelde partij [partij C] ([adres en plaats]) niet-ontvankelijk in haar vordering. Aldus gewezen door mrs. Roessingh-Bakels, voorzitter, Hödl en Follender Grossfeld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 september 2008. Mr. Follender Grossfeld is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. (eindnoot 1) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam) proces-verbaal nr. PL0634/07-206997, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, Team Brummen, gesloten en getekend op 24 september 2007. (eindnoot 2) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam) proces-verbaal nr. PL0634/07-206661, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, Team Brummen, gesloten en getekend op 22 augustus 2007. (eindnoot 3) Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer B], p.58 (eindnoot 4) Stamproces-verbaal, p. 17/18 (eindnoot 5) Foto’s op p.204/205, 50/51 en 81/82 (eindnoot 6) Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p.271