
Jurisprudentie
BF1326
Datum uitspraak2008-09-03
Datum gepubliceerd2008-09-22
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers234035/ HA ZA 07-1368
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-22
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers234035/ HA ZA 07-1368
Statusgepubliceerd
Indicatie
Non-conformiteit, algemene voorwaarden, geen gerechtvaardigd vertrouwen dat art. 5 algemene voorwaarden niet meer tussen partijen gold, geen beroep op non-conformiteit.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK UTRECHT
Sector handels- en familierecht
zaaknummer / rolnummer: 234035 / HA ZA 07-1368
Vonnis van 3 september 2008
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser],
gevestigd te [woonplaats],
eiseres,
advocaat: mr. P.J. Soede,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HESSING'S AUTOBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde,
advocaat: mr. D. van de Lockant-Geschiere.
Partijen zullen hierna [eiser] en Hessing genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 oktober 2007;
- het proces-verbaal van comparitie van 23 januari 2008;
- de akte van [eiser];
- de akte van Hessing.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. Op 5 maart 2001 heeft [eiser] voor haar directeur, de heer [naam] (hierna te noemen: [directeur]) een Maserati 3200GT, kenteken [xxx] (hierna te noemen: de auto), van Hessing gekocht voor een prijs van ƒ 246.483,--. De auto is op 29 juni 2001 aan [eiser] geleverd.
2.2. Van de tussen [eiser] en Hessing gesloten koopovereenkomst maken de algemene voorwaarden van Hessing (hierna te noemen: de algemene voorwaarden) deel uit. In deze algemene voorwaarden staat onder meer het volgende:
“Artikel 5 Beantwoording aan de overeenkomst
(…)
3. Ingeval de afnemer/opdrachtgever en/of een derde de zaak onoordeelkundig behandelt en/of zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Hessing tracht de zaak te repareren dan wel aanpassingen daaraan aanbrengt, dan kan de afnemer/opdrachtgever evenmin een beroep doen op niet beantwoording van de desbetreffende zaak aan de overeenkomst.”
2.3. In januari 2003 heeft [eiser] in verband met het feit dat [directeur] wegens pensionering uit dienst van [eiser] ging de auto aan hem doorverkocht.
2.4. Tot en met augustus 2005 is de auto bij Hessing in onderhoud geweest.
2.5. [directeur] heeft in januari 2007 de auto ter reparatie bij [naam] (hierna te noemen: [autoschade bedrijf]) gebracht.
2.6. [autoschade bedrijf] heeft twee facturen van 20 maart 2007 aan [directeur] doen toekomen. Deze facturen zien voor een groot gedeelte op het de- en monteren van verschillende auto-onderdelen, het ontroesten van ruitsponningen (vóór en achter), en het spuiten van de auto. De ene factuur (hierna te noemen: factuur I) beslaat een bedrag ad EUR 2.797,36 en de andere factuur (hierna te noemen: factuur II) beslaat een bedrag ad EUR 4.562,79.
2.7. Op verzoek van [directeur] heeft [autoschade bedrijf] bij emailbericht van 25 januari 2007 foto’s van een auto aan Hessing in de persoon van de heer [naam], servicemanager van Hessing (hierna te noemen: [servicemanager]), doen toekomen.
2.8. [eiser] heeft de som van voormelde facturen aan [directeur] vergoed.
2.9. [eiser] heeft Hessing verzocht om tot betaling over te gaan van een bedrag ad EUR 6.427,69, bestaande uit het bedrag ad EUR 4.562,79 als vermeld in factuur II verhoogd met tweederde deel van het bedrag ad EUR 2.797,36 als vermeld in factuur I.
2.10. Aan dit verzoek heeft Hessing niet voldaan.
3. Het geschil
3.1. [eiser] vordert veroordeling van Hessing tot betaling van EUR 6.427,69 vermeerderd met rente en kosten.
3.2. Hessing voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser].
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. Ter beoordeling ligt voor of Hessing gehouden is om het bedrag ad EUR 6.427,69 aan [eiser] te vergoeden.
4.2. Ter onderbouwing van haar vordering heeft [eiser] gesteld dat Hessing aan haar een nieuwe auto heeft geleverd die niet aan de koopovereenkomst beantwoord. Vóórdat de auto aan [eiser] is geleverd heeft de auto schade opgelopen, die onvoldoende en ondeugdelijk door Hessing is hersteld. De auto was voorzien van ondeugdelijk gemonteerde ruiten waardoor ernstige roestvorming is ontstaan en de rechterachterzijde van de auto was “bijgespoten”. De auto is doorverkocht aan [directeur]. Nadien zijn voormelde gebreken aan het licht gekomen. [directeur] heeft dit aan Hessing in de persoon van [servicemanager] gemeld. De gebreken aan de auto heeft [directeur] laten repareren. De reparatiekosten die [directeur] ten aanzien van déze gebreken heeft gemaakt, heeft [eiser] aan hem vergoed. Gelet op het voormelde is Hessing aansprakelijk voor de schade die [eiser] heeft geleden, te weten de door haar aan [directeur] betaalde schadevergoeding ad EUR 6.427, en dient Hessing voormeld bedrag aan [eiser] te vergoeden.
4.3. De rechtbank stelt voorop dat voormelde stellingen van [eiser] imlpiceren dat in de relatie tussen [directeur] als koper en [eiser] als verkoper van de auto, [eiser] aansprakelijk is voor de schade die [directeur] heeft geleden omdat de auto niet beantwoordt aan de tussen [directeur] en [eiser] gesloten koopovereenkomst. Voorts overweegt de rechtbank dat gezien de stellingen van [eiser] zij uit hoofde van wanprestatie schadevergoeding van Hessing vordert. De door Hessing opgeworpen vraag of in de relatie tussen [directeur] en [eiser] sprake is van subrogatie ex artikel 6:150, aanhef en onder d, van het Burgerlijk Wetboek of van cessie van een vermeende vordering van [directeur] jegens Hessing, is derhalve niet aan de orde.
4.4. Als meest verstrekkend verweer heeft Hessing aangevoerd dat [eiser] geen beroep kan doen op de omstandigheid dat de auto niet aan de tussen haar en Hessing gesloten koopovereenkomst zou voldoen, nu [eiser] althans [directeur] niet vóór aanvang van de reparatie van de auto schriftelijk toestemming voor deze reparatie aan Hessing heeft gevraagd (en Hessing geen schriftelijke toestemming heeft gegeven) als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de algemene voorwaarden.
4.5. [eiser] heeft niet weersproken dat zij althans [directeur] niet vóór aanvang van de reparatie van de auto de in artikel 5 lid 3 van de algemene voorwaarden bedoelde toestemming aan Hessing heeft gevraagd. Wel stelt zij zich op het standpunt dat Hessing ter afwering van de vordering van [eiser] geen beroep op het bepaalde in artikel 5 lid 3 van de algemene voorwaarden kan en mag doen, nu Hessing in de persoon van [servicemanager] door haar handelswijze in de contacten met [directeur] er blijk van heeft gegeven dat zij [eiser] niet meer heeft willen houden aan de verplichting om voorafgaand aan het laten verrichten van reparaties schriftelijk toestemming van Hessing te verkrijgen. Indien Hessing [eiser] wel aan vorenbedoelde verplichting had willen houden, dan had het in de rede gelegen dat [servicemanager] reeds bij de eerste melding over de roestvorming [directeur] op deze verplichting had gewezen, althans tegen [directeur] zou hebben gezegd dat de reparatiewerkzaamheden moesten worden gestaakt. [servicemanager] heeft dat niet gedaan. Na de melding heeft [servicemanager] foto’s en reparatiefacturen met betrekking tot de auto opgevraagd, en heeft hij aangegeven dat hij het een en ander met Maseratie zou bespreken alsmede aan haar de vraag zou voorleggen of zij uit coulance een bedrag aan [eiser] zou willen uitkeren.
4.6. Hessing heeft het voormelde betwist en gemotiveerd gesteld dat hetgeen in de contacten tussen [directeur] en [servicemanager] is voorgevallen, niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan hebben doen ontstaan dat Hessing [eiser] niet meer aan het bepaalde in artikel 5 lid 3 van de algemene voorwaarden heeft willen houden.
4.7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [eiser] op het bestaan van gerechtvaardigd vertrouwen dat Hessing haar niet meer aan het bepaalde in artikel 5 lid 3 van de algemene voorwaarden zou houden, niet slaagt. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag.
4.8. Hessing heeft gesteld, en [eiser] heeft dit niet weersproken, dat [directeur] bij de melding aan [servicemanager] dat de auto door ernstige roestvorming zou zijn aangetast, heeft aangegeven dat het reparatieproces van de auto reeds in volle gang was. Gelet hierop had [eiser] al de uit artikel 5 lid 3 van de algemene voorwaarden voor haar voorvloeiende verplichting geschonden, zodat het geen nut had om [eiser] dan wel [directeur] op vorenbedoelde verplichting te wijzen. Nu het reparatieproces reeds in volle gang was, had het evenmin zin om [eiser] althans [directeur] te verzoeken om de reparatie van de gestelde gebreken te staken. [eiser] had dit behoren te begrijpen, zodat het niet wijzen op voormelde verplichting en het ontbreken van het vorenbedoeld verzoek niet het gesteld gerechtvaardigd vertrouwen bij [eiser] hebben kunnen doen ontstaan. Evenmin kan het opvragen van foto’s en reparatiefacturen [eiser] baten, nu Hessing heeft gesteld en [eiser] niet heeft betwist, i) dat zij dit heeft gedaan om te onderzoeken of gezien de klanthistorie van [eiser] Maserati uit coulance een bedrag aan [eiser] zou willen uitkeren, alsmede ii) dat zij [eiser] althans [directeur] hiervan op de hoogte heeft gesteld. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen, dat gesteld noch gebleken is dat Hessing (in de persoon van [servicemanager]) op enig moment aan [eiser] althans [directeur] kenbaar heeft gemaakt dat Hessing foto’s en facturen heeft opgevraagd, omdat zíj gehouden zou zijn om de door [eiser] geleden schade te vergoeden.
4.9. Nu Hessing met recht een beroep op het bepaalde in artikel 5 lid 3 van de algemene voorwaarden kan en mag doen, en [eiser] niet vóór aanvang van de reparatie van de auto schriftelijke toestemming hiervoor aan Hessing heeft gevraagd (en van haar heeft verkregen), kan [eiser] er geen beroep meer doen dat de auto niet aan de tussen [eiser] en Hessing gesloten koopovereenkomst beantwoordt. Gelet hierop kunnen de vorderingen van [eiser] niet worden toegewezen.
4.10. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hessing worden begroot op:
- vast recht EUR 300,00
- salaris procureur EUR 960,00 (2,5 punten × tarief EUR 384,00)
Totaal EUR 1.260,00
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. wijst de vorderingen af,
5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Hessing tot op heden begroot op EUR 1.260,00,
5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2008.