Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1297

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Dordrecht
Zaaknummers68947 / HA ZA 07-2124
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het gaat hier om de vraag of een arts toerekenbaar tekort is geschoten of onrechtmatig heeft gehandeld jegens een (voormalig) patiënte, door tijdens de behandelrelatie of kort erna een intieme relatie met die (voormalige) patiënte aan te gaan. Dit zou volgens haar zijn gebeurd in 1994/1995. Primair wordt door de arts aangevoerd dat de vordering is verjaard. Dat verweer wordt gepasseerd. Er wordt tussentijds hoger beroep opgesteld van dit vonnis.


Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT Sector civiel recht zaaknummer: 68947 / HA ZA 07-2124 vonnis van de meervoudige kamer van 17 september 2008 in de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], eiseres, advocaat: mr. T.K.A.B. Eskes te Dordrecht, tegen [gedaagde] wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat: mr. M.A.A. van Aardenne te Dordrecht. Partijen worden hieronder aangeduid als [eiser] en [gedaagde]. 1. Het procesverloop De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken: dagvaarding van 21 februari 2007, akte van depot van 12 maart 2007 met bijbehorende cd rom’s, conclusie van antwoord, conclusie van repliek, conclusie van dupliek, de door beide partijen overgelegde producties. 2. De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast. 2.1. [gedaagde] is [arts] in het [ziekenhuis] te [vestigingsplaats]. 2.2. [eiser] is vanaf (in ieder geval) 1991 tot en met medio april 1994 bij [gedaagde] onder behandeling geweest (in ieder geval) in verband met onvruchtbaarheid en periodieke gynaecologische controles. De laatste gynaecologische behandelingen (uitstrijkje en echografie) van [eiser] door [gedaagde] hebben plaatsgevonden op 14 april 1994. 2.3. [eiser] heeft bij deze rechtbank een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend, welk verzoek is toegewezen bij beschikking van 30 juni 2004. In dat kader zijn in 2004 en 2005 zeven getuigen gehoord, te weten [eiser], [gedaagde] en [getuige A] in enquête en vervolgens [getuige B], [getuige C], [getuige D] en [getuige E] in contra-enquête. 2.4. Bij brief van 10 maart 2004 heeft de raadsman van [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld en hem verzocht aansprakelijkheid te erkennen. 3. De vordering [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: ? voor recht te verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het grensoverschrijdend gedrag medio 1994/1995; ? [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] tegen kwijting te betalen de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 2 augustus 1994 althans vanaf de datum van aansprakelijkstelling (10 maart 2004), althans vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening; ? [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding. [eiser] stelt daartoe het volgende. Van medio (april/mei) 1994 tot medio 1995 hebben partijen een intieme (sexuele) relatie gehad, die in de zomer van 1994 resulteerde in een zwangerschap en op 2 augustus 1994 in een abortus. Nu [eiser] destijds aan de zorg van [gedaagde] was toevertrouwd en dat gegeven hem niet ervan heeft weerhouden om met haar een relatie te beginnen, heeft [gedaagde] niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend [arts] mag worden verwacht. [gedaagde] heeft hierdoor gehandeld in strijd met artikel 7:543 jo. artikel 6:162 BW. Door deze onrechtmatige handelwijze is [eiser] ernstig beschadigd geraakt en heeft zij schade geleden, waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. Het verweer De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding. [gedaagde] voert als verweer het volgende aan. De vordering van [eiser] is verjaard. De gestelde schadeveroorzakende gebeurtenissen hebben meer dan vijf jaar geleden plaatsgevonden en [eiser] heeft nagelaten aan te voeren waarom zij voor augustus 1999 niet daadwerkelijk in staat was om een rechtsvordering ter zake van de door haar gestelde schade in te stellen. Indien partijen een relatie zouden hebben gehad, hetgeen wordt betwist en ook niet op grond van de in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen is komen vast te staan, dan staat daarmee nog niet vast dat dit in strijd is met het vereiste van goed hulpverlenerschap, noch dat dit onrechtmatig is, ook al niet omdat er geen tegenwoordige arts-patiënt-relatie meer bestond. Indien partijen een relatie met elkaar zouden hebben gehad, dan was dat op vrijwillige wederkerige basis. 4. De beoordeling van het geschil Verjaring 4.1. Het meest vérstrekkende verweer dat [gedaagde] voert is dat de vordering van [eiser] is verjaard (op de voet van artikel 3:310 lid 1 BW). De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] er daarbij vanuit gaat dat de schadeveroorzakende gebeurtenis(sen) in augustus 1994 heeft/hebben plaatsgevonden en dat de vordering vijf jaar nadien, dus in augustus 1999, is verjaard. [eiser] bestrijdt dat de vordering is verjaard. Volgens haar is zij sinds medio 2003, toen zij (wederom) in therapie is gegaan, langzaam tot het besef gekomen dat zij door de handelwijze van [gedaagde] emotioneel ernstig beschadigd is geraakt. Dit staat nog los van het feit dat zij tot voor kort niet eens (psychisch) in staat was een rechtsvordering tegen [gedaagde] in te stellen. Het is aan [gedaagde] toe te rekenen dat zij na beëindiging van de relatie medio 1995 te kampen heeft gehad met psychische problemen en die omstandigheid deed haar niet in staat zijn een vordering tegen [gedaagde] in te stellen. 4.2. De rechtbank begrijpt dat [eiser] zich ten eerste erop beroept dat zij niet eerder dan medio 2003 bekend is geworden met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Bij de beoordeling van de vraag of dat al dan niet het geval is moet op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad het volgende worden vooropgesteld. Voor zover hier van belang bepaalt artikel 3:310 lid 1 BW dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Aangenomen moet worden dat, mede gelet op de tekst van deze bepaling, het criterium “bekend is geworden” subjectief moet worden opgevat. Het komt er dus op aan dat degene die zich op voormelde verjaringstermijn beroept, stelt en zonodig bewijst dat de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon. 4.3. Toegepast op het onderhavige geschil leiden de in 4.2 omschreven uitgangspunten er toe dat [gedaagde] dient te stellen - en zonodig dient te bewijzen - dat [eiser] (op enig concreet moment) daadwerkelijk bekend was met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon. [gedaagde] stelt dit evenwel niet; hij komt niet verder dan de stelling dat de beweerdelijke schadeveroorzakende gebeurtenissen meer dan vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden en dat [eiser] heeft nagelaten aan te voeren waarom zij voor augustus 1999 niet daadwerkelijk in staat was om een rechts-vordering ter zake van de door haar gestelde schade in te stellen. Het beroep op verjaring gaat daarom niet op. 4.4. Voor zover aangenomen zou moeten worden dat [eiser] wel eerder (dan augustus 1999) bekend was met de schade en de – volgens haar - daarvoor aansprakelijke persoon, kan evenmin tot het oordeel worden gekomen dat de vordering van [eiser] is verjaard. Daartoe wordt het volgende overwogen. De rechtbank begrijpt dat [eiser] bedoelt zich te beroepen op de jurisprudentie van de Hoge Raad, die voor het onderhavige geval volgens [eiser] kennelijk zo moet worden toegepast dat [gedaagde] haar zodanig geestelijk letsel heeft toegebracht dat zij tot medio 2003 als gevolg van haar daardoor ontstane psychische toestand (overmacht) niet in staat is geweest om haar vorderingsrecht tot vergoeding van de volgens haar door [gedaagde] toegebrachte schade uit te oefenen en dat zijn beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat het door [eiser] niet geldend maken van haar vorderingsrecht voortvloeit uit omstandig-heden die aan [gedaagde] moeten worden toegerekend. De verjaringstermijn neemt eerst dan een aanvang wanneer die omstandigheden het kunnen geldend maken van de vordering niet langer verhinderen. 4.5. De in 4.4. omschreven uitgangspunten brengen in het onderhavige geschil met zich dat het aan [eiser] is - als degene die een beroep doet op de (beperkende werking van de) redelijkheid en billijkheid - om feiten en omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat pas medio 2003 redelijkerwijs van haar kon worden gevergd dat zij een rechtsvordering tegen [gedaagde] zou instellen. De rechtbank is van oordeel dat [eiser], anders dan [gedaagde] meent, haar stelling dat zij niet eerder dan medio 2003 in staat was om een rechtsvordering tegen [gedaagde] in te stellen, voldoende feitelijk heeft onderbouwd. [eiser] heeft namelijk gesteld dat zij kort na de beëindiging van de relatie ernstig over-spannen is geraakt, dat zij daarvoor in 1995/1996 psychotherapie heeft ondergaan in het APZ, dat zij medio 2000 is gescheiden, dat zij naar aanleiding van een burnout (wederom) in therapie is gegaan en dat zij sinds die tijd (medio 2003) langzaam tot het besef is gekomen dat zij door de handelwijze van [gedaagde] emotioneel zeer beschadigd is geraakt. 4.6. Verder wordt geoordeeld dat [gedaagde] deze stellingen van [eiser] niet gemotiveerd heeft betwist. [gedaagde] neemt in dit verband weliswaar (slechts) het standpunt in dat [eiser] haar stellingen op dit punt op geen enkele wijze, althans niet afdoende onderbouwt en dat de stellingen van [eiser] ongespecificeerd zijn (conclusie van dupliek onder 2, onder het kopje “Verjaring”), maar de rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet, zoals hiervoor in 4.5 al is overwogen. De rechtbank begrijpt voorts uit hetgeen [gedaagde] aanvoert ten aanzien van de door [eiser] in 2003 gevolgde (regressie)therapie (conclusie van antwoord onder 3, onder het kopje “Verjaring” ), dat hij het denkbaar acht dat de door [eiser] gestelde relatie (met hem) een verzinsel is, al dan niet “getriggerd” door die (regressie-)therapie. Daarmee bestrijdt [gedaagde] echter geenszins de stelling van [eiser] dat zij niet eerder dan medio 2003 in staat was om een rechtsvordering in te stellen. 4.7. Conclusie uit het voorgaand is dat het verjaringsverweer zal worden gepasseerd. Vervolgens komt de vraag aan de orde of sprake is van een toerekenbare tekort-koming of onrechtmatige daad door [gedaagde] ten opzichte van [eiser]. Toerekenbare tekortkoming / onrechtmatige daad 4.8. Tussen partijen heeft (in ieder geval tot en met 14 april 1994) een overeenkomst bestaan, op grond waarvan [gedaagde] als [arts] [eiser] als patiënte heeft behandeld. Op grond van de op 1 september 1995 in werking getreden, onmiddel-lijke werking hebbende Wet inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet dit worden gekwalificeerd als een geneeskundige behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:46 BW. 4.9. De rechtbank gaat er bij de verdere beoordeling vanuit dat die overeenkomst nog bestond na de laatste feitelijke behandeling van [eiser] door [gedaagde] op 14 april 1994 en vóór het begin van de beweerdelijke relatie op 2 mei 1994. Dat die overeenkomst was opgezegd of anderszins op formele wijze was beëindigd (door [gedaagde]) is niet gesteld of gebleken. [gedaagde] zelf zegt daarover niet meer dan dat er geen “tegenwoordige arts-patiënt relatie” bestond (conclusie van antwoord onder 15) en dat de behandelrelatie niet schriftelijk is beëindigd maar feitelijk gezien was geëindigd (conclusie van dupliek onder 4), terwijl [eiser] daarover – onbe-twist – stelt dat de behandelrelatie nooit door [gedaagde] dan wel door haar (schriftelijk) is beëindigd, dat [gedaagde] haar nooit heeft doorverwezen naar een andere [arts] en dat [eiser] uiteindelijk zelf het initiatief heeft genomen om een andere [arts] te raadplegen (conclusie van repliek pag. 5). 4.10. Een hulpverlener als [gedaagde] moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en moet daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor de hulp-verleners professionele standaard. Dit volgt uit de rechtspraak en is vastgelegd in het op 1 september 1995 in werking getreden, onmiddellijke werking hebbende artikel 7: 453 BW. 4.11. Deze norm wordt mede bepaald door wat binnen de beroepsgroep gebruikelijk is en is ook vastgelegd in de diverse beroepscodes. Zo werd in II. 10 van de Gedrags-regels voor artsen 1994 bepaald dat de arts niet verder doordringt tot de privé-sfeer van de patiënt dan in het kader van de hulpverlening noodzakelijk is, dat de arts zich onthoudt van contacten van sexuele aard binnen de hulpverlening en dat verbale of lijfelijke intimiteiten niet zijn toegestaan. Dit is nadien herhaald in II.11 van de Gedragsregels voor artsen 2002. Ook in de tuchtrechtspraak komt dit tot uitdrukking. 4.12. Achtergrond van deze regel is onder meer dat de patiënt zich in een afhankelijke, ongelijkwaardige positie ten opzichte van de arts bevindt en dat een sexuele relatie afbreuk doet aan de vertrouwensrelatie die gebruikelijk tussen arts en patiënt bestaat. Een dergelijk contact moet worden beschouwd als een inbreuk op de waardigheid en de fysieke en psychische integriteit van de patiënt. 4.13. Het voorgaande wordt niet anders indien, zoals volgens [eiser] het geval is, het initiatief tot de relatie van de (voormalige) patiënt is uitgegaan en/of zij in de contacten heeft toegestemd. Ook dan geldt dat sexueel contact tussen arts en (voormalig) patiënt niet is toegestaan tegen de in 4.12 geschetste achtergrond en dat de arts daarop hoe dan ook niet mag ingaan. 4.14. Indien en voor zover sprake is geweest van een intieme relatie tussen partijen – het-geen [eiser] stelt en [gedaagde] betwist – moet worden geoordeeld dat [gedaagde] niet de zorg van een goed hulpverlener in acht heeft genomen en daarbij niet heeft gehandeld in overeenstemming met de op hem rustende verant-woordelijkheid, voortvloeiende uit de voor de hulpverleners professionele standaard, en toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Het voorgaande geldt eens te meer nu, zoals [eiser] onbestreden heeft gesteld, [gedaagde] wist dat zij zich in een afhankelijke en psychisch labiele toestand bevond en hij [eiser] destijds heeft doorverwezen naar het algemeen psychiatrisch ziekenhuis (conclusie van repliek pag. 5). 4.15. Overigens ook indien er vanuit zou worden gegaan dat de professionele relatie tussen partijen na de laatste behandeling van [eiser] door [gedaagde] op 14 april 1994 en vóór het begin van de gestelde relatie op 2 mei 1994 was geëindigd, moet het er – gelet op het beperkte tijdsverloop - voor worden gehouden dat de afhankelijkheid, die de relatie tussen arts en patiënt mede kenmerkt, op dat tijdstip nog bestond en dat die afhankelijkheid [gedaagde] ervan had moeten weerhouden een relatie met [eiser] te beginnen en dat - indien en voor zover komt vast te staan dat er sprake is geweest van een intieme relatie tussen partijen – [gedaagde] - indien komt vast te staan dat hij zulks niet heeft gedaan - onrechtmatig heeft gehandeld. 4.16. Nu [eiser] zich beroept op de rechtsgevolgen van het door haar gestelde feit - kort gezegd dat [gedaagde] (medio 1994/1995) een intieme relatie met haar heeft onderhouden en [gedaagde] daardoor toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gelden geneeskundige behandelingsovereenkomst - en [gedaagde] dat betwist, rust de bewijslast van dat feit in beginsel op [eiser]. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank heeft [eiser] dit bewijs nog niet geleverd, zodat [eiser] conform haar aanbod daartoe zal worden toegelaten tot bewijs. Uiteraard kan [gedaagde] desgewenst nog getuigen in contra-enquête (opnieuw) laten horen (vgl. conclusie van dupliek onder 11). 4.17. De rechtbank ziet aanleiding om tussentijds hoger beroep van dit vonnis open te stellen. 5. De beslissing De rechtbank: draagt [eiser] op te bewijzen, desgewenst door middel van getuigen, dat [gedaagde] (medio 1994/1995) een intieme relatie met haar heeft onderhouden; verwijst de zaak naar de rolzitting van 15 oktober 2008 om [eiser] in de gelegenheid te stellen alsdan bij akte bewijsstukken over te leggen en/of de namen en woonplaatsen van de voor te brengen getuigen op te geven en de verhinderdata van die getuigen en van beide partijen en hun raadslieden in de daaropvolgende vier maanden mede te delen; bepaalt dat het eventuele getuigenverhoor zal worden gehouden voor mr. J. Visser, die daartoe zal overgaan op een nader te bepalen datum en tijdstip in het gebouw van de rechtbank aan het Steegoversloot 36 te Dordrecht; stelt tussentijds hoger beroep van dit vonnis open; houdt elke nadere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mrs. Bouter, Visser en Eerdhuijzen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 17 september 2008.