
Jurisprudentie
BF1283
Datum uitspraak2008-08-18
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 07/2647
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 07/2647
Statusgepubliceerd
Indicatie
WRO. Werkzaamheden niet bouwvergunningvrij. Geen verandering van niet-ingrijpende aard. Overgangsrecht mbt bouw en mbt gebruik.
Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummer: SBR 07/2647
uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 18 augustus 2008
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,
verweerder.
Inleiding
1.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 augustus 2007, waarbij verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 23 januari 2007 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder geweigerd een bouwvergunning te verlenen en medewerking te verlenen aan een vrijstellingsprocedure voor het wijzigen van de bedrijfsruimten, het omzetten en wijzigen van bedrijfsruimte op de eerste verdieping en kantoorruimte op de tweede verdieping in zes appartementen, en het bouwen van een uitbreiding op de tweede verdieping van het pand gelegen op het perceel Nevadadreef 70, 72 en 74 te Utrecht (hierna: het perceel).
1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 19 juni 2008, waar eiser is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde mr. P.J.A. Engelvaart, werkzaam bij Emphasis, Ruimtelijke Ordening & Juridisch advies te Drunen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. D. Krak, werkzaam bij de gemeente Utrecht.
Voorts zijn verschenen [huurders]. Zij zijn huurders van appartementen in vorenbedoeld pand.
Overwegingen
2.1 Eiser heeft op 9 juni 2005 het op het perceel staande pand aangekocht en dit pand nadien gerenoveerd. Het pand bevat een bedrijfsruimte en zes appartementen. Nadat was gebleken dat de huurders van de zes appartementen zich niet op dat adres konden inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie omdat er geen woonbestemming op het pand rustte, heeft eiser op 3 oktober 2006 alsnog een aanvraag om een bouwvergunning ingediend, strekkende tot het gedeeltelijk veranderen van appartementen en bedrijfsruimten op het perceel.
2.2 Bij besluit van 23 januari 2007 heeft verweerder geweigerd de gevraagde bouwvergunning te verlenen, omdat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Overvecht" en verweerder geen medewerking wil verlenen aan een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Het door eiser tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.3 In beroep heeft eiser - samengevat - het volgende aangevoerd.
Primair betoogt hij dat verweerder ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de vraag of en in hoeverre de bouwwerkzaamheden vergunningvrij zijn uitgevoerd, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb).
Subsidiair betoogt eiser dat op het perceel altijd al bewoning van zes appartementen heeft plaatsgevonden. De uitvoering van de werkzaamheden valt volgens eiser onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan 'Overvecht' nu er sprake is van het gedeeltelijk veranderen en vernieuwen van een situatie, die al aanwezig was op het moment van de ter visie legging van het ontwerp-bestemmingsplan 'Overvecht' in 1979.
Meer subsidiair betoogt eiser dat verweerder een onjuiste en onvolledige motivatie heeft gegeven aan de onderbouwing van zijn weigering om voor bewoning vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. De door verweerder in dit verband aangehaalde notitie 'De juiste koers: Utrechtse bedrijventerreinen 2006-2020' van januari 2006 is volgens eiser zodanig abstract dat verweerder op basis daarvan in dit geval geen conclusies kan trekken.
2.4 Ten aanzien van de derde belanghebbenden [huurders] heeft verweerder bij brief van 5 juni 2008 aan de rechtbank meegedeeld dat zij bij op 14 augustus 2007 genomen beslissingen niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun bezwaren tegen het besluit van 23 januari 2007. Tegen deze besluiten hebben voornoemden geen rechtsmiddelen aangewend. Dit betekent dat de rechtbank [huurders] (alsnog) niet als partij aan het geding laat deelnemen. Gelet op artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is met artikel 8:26 van de Awb niet beoogd belanghebbenden in het geding te betrekken die zelf geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid beroep in te stellen.
2.5 Met betrekking tot eisers primaire grond, te weten dat de werkzaamheden vergunningvrij mochten worden uitgevoerd overweegt de rechtbank het volgende.
2.6 Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb luidt als volgt.
1. Behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 5 wordt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet voorts aangemerkt:
k. het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:
1° de verandering geen betrekking heeft op de draagconstructie van dat bouwwerk,
2° de bebouwde oppervlakte niet wordt uitgebreid, en
3° het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.
2.7 Zoals voortvloeit uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 19 juli 2006, www.rechtspraak.nl, LJN: AY4243, betekent het feit dat wordt voldaan aan de drie expliciet vermelde criteria in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb nog niet dat de verandering daadwerkelijk van niet-ingrijpende aard is. Ook zal voldaan moeten worden aan de meer algemeen geformuleerde term "van niet-ingrijpende aard". Deze term moet in bouwkundige en in stedenbouwkundige zin worden opgevat en bij dat laatste aspect spelen zowel het planologische als het feitelijke effect dat de ter beoordeling staande verandering op de omgeving heeft, een rol.
Gezien de omvang van de renovatie/verbouwing, de wijziging van de gezichtsbepalende delen van het bouwwerk en de bouwsom, kan het samenstel van werkzaamheden naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een verandering van niet-ingrijpende aard. De verrichte werkzaamheden zijn mitsdien niet bouwvergunningvrij. Nu niet is voldaan aan het criterium 'van niet-ingrijpende aard', wordt niet toegekomen aan hetgeen eiser heeft aangevoerd in het kader van de vraag of wordt voldaan aan de in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb vermelde kenmerken. De primaire beroepsgrond leidt dan ook niet tot vernietiging van het bestreden besluit.
2.8 Eiser heeft voorts gesteld dat het overgangsrecht uit het bestemmingsplan 'Overvecht' van toepassing is, omdat er sprake is van het gedeeltelijk veranderen en vernieuwen van een situatie, die al aanwezig was op het moment van ter visie legging van het ontwerp-bestemmingsplan 'Overvecht' in 1979. De rechtbank overweegt in dit kader allereerst dat voor de beantwoording van de vraag of voor een bouwplan al dan niet vergunning kan worden verleend, wat betreft het mogelijk van toepassing zijn van het overgangsrecht, uitsluitend de bepalingen die betrekking hebben op het bouwovergangsrecht van belang zijn.
2.9 Ingevolge het geldende bestemmingsplan 'Overvecht' rust op het perceel de bestemming 'industrie'.
Artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften bepaalt dat de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd zijn voor de vestiging van industriële, ambachtelijke, groothandels- en vervoersbedrijven, waarop de Hinderwet niet van toepassing is of die genoemd zijn in categorie 1, 2 en 3 van de bij deze voorschriften behorende "Staat van Inrichtingen", de daarvoor benodigde bouwwerken, waaronder dienstwoningen, en open terreinen, waaronder de parkeerplaatsen.
Artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften bepaalt dat een niet met het plan overeenkomend bouwwerk, dat op het tijdstip waarop het ontwerp-bestemmingsplan ter inzage is gelegd, aanwezig dan wel in aanbouw was, of dat krachtens een verleende of vóór genoemd tijdstip aangevraagde bouwvergunning kan worden gebouwd, behoudens onteigening overeenkomstig de wet: voor een gedeelte mag worden vernieuwd en/of veranderd, mits de bestaande afwijking van de aard van de bestemming niet wordt vergroot.
2.10 Niet in geschil is dat het realiseren van appartementen op het perceel in strijd is met de bestemming 'industrie'.
2.11 Eind jaren zeventig heeft na een brand op het perceel een herbouw plaatsgevonden waartoe verweerder in 1979 bouwvergunning heeft verleend. Naar verweerder stelt, is uit archiefonderzoek niet gebleken dat bouwvergunning is verleend voor de bouw van woningen of appartementen en op de bij de bouwaanvraag en de bouwvergunning behorende en door verweerder goedgekeurde tekening komen de appartementen ook niet voor.
2.12 In beginsel rust op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht om wat betreft de bouwkundige hoedanigheid van het pand aannemelijk te maken dat daarin op de peildatum 22 april 1980 de appartementen aanwezig waren. De rechtbank acht eiser daarin geslaagd.
Daartoe is in aanmerking genomen dat eiser tijdens de zitting van 19 juni 2008 een, qua datum en nummering, zelfde tekening heeft overgelegd waar de appartementen wel op waren ingetekend. Deze tekening is echter niet voorzien van een stempel waaruit blijkt dat de tekening hoort bij de destijds in 1979 verleende bouwvergunning. Verder worden de appartementen genoemd in de akte van levering aan eiser van 9 juni 2005. Voorts heeft ing. [P] van Triple P, bouwkundig ingenieursburo, bij schrijven van 19 juni 2007 verklaard dat bij de werkzaamheden, waarvoor thans bouwvergunning en vrijstelling zijn gevraagd, bestaande appartementen zijn gerenoveerd. [B] van CABE Metsel & Klusbedrijf heeft bij schrijven van 19 juni 2007 verklaard dat hij het aannemelijk acht dat de appartementen tijdens de bouw van het pand tot stand zijn gekomen, omdat de aanwezige leidingen en constructies een geheel vormden met de constructie van het gebouw. Tot slot heeft de voormalige eigenaar [H] van Robelco Car B.V. bij schrijven van 18 juni 2007 verklaard dat op het moment dat het pand is gebouwd daar appartementen in zijn aangebracht, zoals aangegeven op de door hem aan verweerder overgelegde tekening van mei 1979.
2.13 Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het bouwwerk op de peildatum 22 april 1980 in die zin afweek van het toen ter visie gelegde bestemmingsplan 'Overvecht', dat daarin appartementen waren gerealiseerd. Dit betekent dat het pand ingevolge voormelde bouwovergangsbepaling voor een gedeelte mocht worden vernieuwd en/of veranderd, mits de bestaande afwijking van de aard van de bestemming niet werd vergroot. De vraag of het gebruik van het bouwwerk in overeenstemming is met het bestemmingsplan, speelt in het kader van de vraag of voor de gerealiseerde bouwwerkzaamheden op grond van het bouwovergangsrecht vergunning moet worden verleend geen rol. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de ABRvS van 8 december 2004, www.rechtspraak.nl, LJN: AR7122.
Nu niet is gebleken dat ten gevolge van de gerealiseerde vernieuwingen en/of veranderingen de bestaande afwijking van de aard van de bestemming is vergroot, heeft verweerder ten onrechte met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet bouwvergunning geweigerd.
Hetgeen eiser in dit verband verder met betrekking tot verweerders weigering tot het verlenen van vrijstelling heeft aangevoerd, kan gelet op het bovenstaande buiten beschouwing blijven.
2.14 Het vorenstaande betekent echter niet dat het gebruik van het perceel, voor zover het betreft de bewoning van de appartementen ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan.
2.15 Ingevolge het gebruiksovergangsrecht, zoals neergelegd in artikel 64, vierde lid, van de planvoorschriften, mogen bouwwerken en gronden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan op andere wijze in gebruik zijn dan in dit plan is bepaald, onverminderd het bepaalde in enig wettelijk voorschrift, als zodanig in gebruik blijven en is het verboden bestaande afwijking op enigerlei wijze, ook naar de aard te vergroten of te verzwaren.
Ingevolge artikel 64, vijfde lid, van de planvoorschriften is, indien het gebruik gedurende een ononderbroken tijdvak van ten minste drie jaar is gestaakt, het verboden dit gebruik te hervatten, tenzij het bewoning betreft van een als woonhuis gebruikt gebouw.
2.16 De vraag of de appartementen op de peildatum van het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan, zijnde het van kracht worden van het bestemmingspan op 18 december 1987, reeds werden bewoond, behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen beantwoording nu eiser heeft in beroep aangevoerd dat het pand op het moment van aankoop reeds meerdere jaren leeg stond. Ter zitting heeft eiser verklaard dat het pand op het moment van de aankoop drie jaar leeg stond. Samen met de bouwtijd (ruim een jaar volgens eisers schrijven van 3 oktober 2006) is het gebruik van de appartementen derhalve ten minste drie jaar gestaakt geweest, hetgeen met zich brengt dat op grond van artikel 64, vijfde lid, van de van het bestemmingsplan deel uitmakende planvoorschriften de beschermende werking van het overgangsrecht is vervallen.
Het vorenstaande houdt in dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik op grond van artikel 64, vijfde lid, van de planvoorschriften niet mag worden voortgezet.
2.17 Gelet op hetgeen onder 2.13 is overwogen, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand.
Beslissing
De rechtbank Utrecht,
3.1 verklaart het beroep gegrond;
3.2 vernietigt het bestreden besluit,
3.3 draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 23 januari 2007,
3.4 wijst de gemeente Utrecht aan als rechtspersoon die het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- aan hem dient te vergoeden,
3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,-, onder aanwijzing van de gemeente Utrecht als rechtspersoon die deze kosten moet voldoen.
Aldus vastgesteld door mr. S. Wijna als voorzitter en mrs. Y. Sneevliet en P.M.J.H. Muijlaert als leden en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2008.
De griffier: De voorzitter van de meervoudige kamer:
E. Heemsbergen mr. S. Wijna
(de griffier is verhinderd deze
uitspraak mede te ondertekenen)
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.
Let wel:
Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.